Truffelolie

Humor is zoiets als truffelolie. Fantastisch spul, maar voor je het weet gebruik je net dat kleine ietsje te veel, en blijk je de kritische grens gepasseerd waarachter het hele gerecht ernaar smaakt, je hele keuken ernaar ruikt en er in je hele huis geen zuurstofmolecuul meer te vinden is dat niet met het penetrante goedje in contact is geweest.

Toen ik hoorde dat Ian McEwans laatste roman Solar was genomineerd voor de Bollinger Everyman Woodhouse Prize for - let wel - comic fiction was ik net op het punt beland waarop de held op poolexpeditie gaat. Gelachen had ik nog niet.
Niet fysiek althans. Al is de situatie niet onkomisch: een kleine kalende natuurkundige die in z'n jeugd de Nobelprijs won, ziet gelaten toe hoe zijn publieke leven puur ceremonieel is geworden, met gastlezingen, eredoctoraten, de directie over een nieuw klimaatinstituut, enzovoort.
Maar na die nominatie voor die Bollingerprijs moest ik wel degelijk lachen. Vanaf toen zag ik hem scherper voor me, dat kleine kale kereltje, een beetje dikkig, worstelend met een soort maanpak dat hij aan moet op een scootertochtje door de sneeuw. En dan moet hij ineens plassen, en blijkt z'n lul vast te vriezen aan z'n rits en… begrijp ik nu goed dat dat ding eraf vriest?
Ja, nu zag ik het, dit was behoorlijk slapstick. Of was het dat daarvoor ook al geweest? En zou ik deze scène ook als slapstick ervaren hebben als die Bollingerprijs niet mijn brein had geconfigureerd in de lachstand? Als je puur de feiten vertelt - ‘man gaat plassen op de Noordpool en z'n lul bevriest’ - klinkt het inderdaad als een grap, een tamelijk flauwe zelfs. Toch ervaar je dat niet zo bij het lezen.
Dat komt doordat Ian McEwan een schrijver is die niet van buitenaf een spotlight op z'n personages werpt maar, precies omgekeerd, via hun innerlijk de buitenwereld belicht. Direct in de opening introduceert McEwan zijn romanheld als iemand die niet weet hoe zich te gedragen nu zijn vijfde huwelijk ten einde loopt en zijn leven geen vergezichten meer heeft. Doordat je meeleeft met dat ernstige innerlijk springt de humor niet onmiddellijk in het oog. Je bent er even blind voor als de tragische held zelf, of kunt er hooguit een milde glimlach voor opbrengen die verhindert dat de tragiek omslaat in vervelende pathetiek. Een illustratie van Gerard Reve’s principe dat tragiek versterkt wordt door humor.
Die Bollinger-nominatie sleurde me echter uit het hoofd van het personage en dwong me hem van buitenaf te zien. Er gebeurde precies datgene wat McEwan zelf op komische boeken tegen heeft: ‘Het is alsof je op de grond wordt geworsteld en gekieteld en als het ware gedwongen wordt om te lachen.’
Een tijdje terug debatteerde ik over Saturday van McEwan, met recensent Arie Storm, die vond dat die roman een beetje té geconstrueerd was, vol onwaarschijnlijke samenlopen. Dat is inderdaad waar, maar alleen wanneer je het innerlijk van de hoofdpersoon verlaat en het absurde romanuniversum vanaf een paar passen terug overziet. Met zo'n afstandelijke, technische, klinische blik zie je inderdaad de constructiebalken, de kabels en de decorstukken achter het moderne sprookje Saturday. Op de toneelplanken zie je de plakbandkruisjes waaraan de acteurs zich oriënteren.
De kunst is om het publiek zodanig in de ban te houden dat het daar helemaal niet op let, zoals kinderen (behalve misschien die van Arie Storm) ook niet klagen dat onder Jan Klaassens kleren een mensenhand beweegt. Zoals je de constructie aan het oog kunt onttrekken door het innerlijk van het personage gewicht te geven, zo kun je dat ook doen om het komische niet al te prominent te laten worden.
De Russische denker Mikhail Bakhtin maakt een onderscheid tussen het ‘lachen als eenrichtingsverkeer’ (lachen óm een cabaretier, iemand uítlachen) en het ‘lachen alle kanten op’, dat hij bijvoorbeeld in de romans van Dostojevski herkent. In die polyfone vorm van lachen staan de opvattingen en gedragingen van personages in een netwerk van ambiguïteit, en zijn de lachers even lachwekkend als de uitgelachenen.
Ik hou van romans waar zo'n milde polyfone lach voortdurend doorheen klinkt, zo'n lach die ons eraan herinnert dat we allemaal nogal komische wezens zijn.
Alles komt aan op de dosering. Humor is zoiets als truffelolie. Toen ik hoorde dat McEwan inderdaad die prijs krijgt - er hoort een biggetje bij dat de naam van de roman krijgt - had ik het boek bijna uit. En weer dwong die prijs me het boek vanaf een afstand te bekijken. Wat rook ik toch de hele tijd? Was McEwan dan toch uitgeschoten met die truffelolie? Ik houd het erop dat hij precies op het randje is gebleven en het die prijs is die de boel vertekent, zoals je ook niets anders meer proeft wanneer iemand nadrukkelijk zegt: ‘Proef maar, er zit truffelolie in.’