De wereld wil bedrogen worden

Trump is naar Mexico geëmigreerd

Facebook en Google beloofden na de Amerikaanse verkiezingen om verspreiding van nepnieuws tegen te gaan. Maar nepnieuws is van alle tijden. Emotie prevaleert nu eenmaal boven waarheid.

Medium gettyimages 144702025

Meteen na de verkiezing van Donald Trump kwamen de verwijten. Ze gingen alle kanten op. Een ervan betrof de sociale media en was al de volgende dag, woensdagmiddag 9 november, te lezen op zowel de website van de aan Harvard gevestigde Nieman Foundation for Journalism als op de website van The New York Times. Het tijdsverschil tussen de publicatie van deze artikelen was overigens, alsof het afgesproken was, slechts drie minuten. Beide richtten hun pijlen op Facebook. Dit medium zou op grote schaal nepnieuws verspreid hebben dat nadelig was voor Hillary Clinton.

Bedoeld werden berichten als: ‘Hillary Clinton roept op tot burgeroorlog als Trump wint’; ‘Paus Franciscus choqueert de wereld en steunt Trump’; ‘Barack Obama geeft toe dat hij in Kenia is geboren’ en ‘Dood fbi-agent die corruptie van Clinton aan de kaak stelde’. Dergelijke berichten waren volgens Nieman en de Times op Facebook almaar rondgepompt. Zo had het bericht dat Trump door de paus gesteund werd, afkomstig van WTOE 5 News en voor het eerst gepubliceerd in juli 2016, aan de vooravond van de verkiezingen maar liefst 868.000 likes – het is nu trouwens verwijderd, zoals heel die wtoe-site onder alle ophef verdwenen lijkt. De betekenis van deze virale verspreiding mocht volgens de auteurs niet onderschat worden. De een meende simpelweg dat veel mensen zich door dit soort onzin hadden laten leiden. De ander ging nog verder en kopte: ‘Donald Trump Won Because of Facebook.’

Facebook reageerde de volgende dag meteen. Dat gebeurde tijdens de jaarlijkse Techonomy Conference in Half Moon Bay, waar ook Mark Zuckerberg aanwezig was. De gedachte dat Facebook de verkiezingen gestuurd zou hebben was volgens hem ‘tamelijk idioot’. Om te beginnen, zo stelde hij, omdat nepnieuws niet meer dan één procent van al het Facebook-nieuws uitmaakt. En omdat mensen echt niet zo dom zijn om zich door elk bericht te laten leiden. Maar vooral omdat degenen die Facebook de schuld van de verkiezing van Trump geven hiermee de aandacht afleiden van waar het werkelijk om gaat: de kloof in de Amerikaanse samenleving.

In het weekend na de verkiezingen reageerde Zuckerberg in een door hemzelf gepost bericht nogmaals op de verwijten. Weliswaar stelde hij nu nadrukkelijk dat Facebook geen hoaxes op haar site wilde, maar tevens herhaalde hij dat daarvan nauwelijks sprake was. Bovendien werden volgens hem in het kleine aantal via Facebook verspreide nepnieuwtjes verschillende politieke meningen verkondigd. Hoe zouden ze dan het ene of het andere politieke kamp bevoordeeld kunnen hebben? Hier kwam volgens Zuckerberg nog bij dat waarheid een ingewikkeld begrip is en dat Facebook twee miljoen mensen geholpen had met de kiesregistratie en velen meer tot een politieke dialoog had aangezet. Kortom, het was weliswaar niet allemaal koek en ei bij Facebook, maar dat het kommer en kwel was, was nog minder waar.

Op het moment dat dit bericht verscheen, zondag 13 november, draaide de discussie nog geheel om Facebook. Dat veranderde toen Mediaite, een van de ontelbare mediasites die de Verenigde Staten rijk zijn, op diezelfde dag liet weten dat ook Google nepnieuws over de verkiezingen verspreidde. Want wie op dat moment ‘final vote count 2016’ of iets vergelijkbaars intikte, kreeg via Google het bericht dat Trump ook de zogenoemde popular vote gewonnen had – wat niet waar is. De bron was een website die zich plechtig 70News (‘Sharing news that matters to you’) noemt, maar die in feite niet meer is dan een blog van een Trump-aanhanger. Zijn leugen ging viraal en belandde op Google News. Bingo!

Bij Google was men direct van mening dat het boetekleed gepast was. Op maandag kondigde het bedrijf maatregelen aan en op de dag daarna gaf ceo Sundar Pichai in een gesprek met de bbc toe dat het, gezien de smalle marges, inderdaad denkbaar was dat de uitkomst van de verkiezingen door nepnieuws was beïnvloed. Deze knieval verplichtte ook Facebook tot een koerswijziging. Net als Google beloofde het bedrijf voortaan al het mogelijke te doen om verspreiding van nepnieuws tegen te gaan. De berichten van de twee internetgiganten werden wereldwijd opgepikt.

Ondertussen was de discussie over nepnieuws losgebarsten en werden alom vragen gesteld over aard en betekenis ervan, over de verspreiding, gevaren en de remedie. Tegelijkertijd werd het ‘misère van de journalistiek’-verhaal voor de zoveelste keer van stal gehaald, terwijl ook voor de zoveelste keer de nadelen en gevaren van de gehele digitalisering ter sprake kwamen.

Dat gebeurde ook in Nederland, onder meer tijdens een klein congres op 18 november in Utrecht ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de School voor Journalistiek. Op het podium zat onder anderen de Archie Bunker van het internet, de van oorsprong Engelse maar vanuit de VS werkende criticus Andrew Keen, auteur van Internet is niet het antwoord en een paar andere anti-internetboeken. Mopperend herhaalde en herhaalde hij zijn mantra: dat het de internetjournalistiek aan een businessmodel ontbreekt en dat dit onherroepelijk baggerkwaliteit met zich meebrengt. Het bericht dat Google en Facebook voortaan valse berichten zouden filteren was volgens Keen om dezelfde reden een leugen. Het was de bedrijven slechts om één ding te doen: winst, winst en nogmaals winst. Kwaliteit was daaraan volstrekt ondergeschikt, net als bij andere internetbedrijven zonder businessmodel.

Internetjournalistiek heeft geen businessmodel en dat brengt onherroepelijk baggerkwaliteit met zich mee

Dit laatste werd in de afgelopen weken door tallozen verkondigd. Zo schreef Ilya Lozovsky in Foreign Policy, op dezelfde dag dat Keen het Nederlandse publiek bemopperde, een artikel onder de titel Facebooking Ourselves to Death, een verwijzing naar Amusing Ourselves to Death waarin cultuurcriticus Neil Postman in 1985 de komst van de televisie min of meer met de ondergang van de wereld vereenzelvigde. Met het oog op Facebook beweerde Lozovsky iets dergelijks en stelde dat de verkiezing van Trump bewees dat kwaliteitsjournalistiek niet opgewassen is tegen internet. Zij was ‘drowned out by the clickbait’. Het was zelfs nog erger, vervolgde hij: zelfs als de journalistiek het internet zou weten te weerstaan, dan nog was zij niet in staat het publiek te beschermen. Want dat publiek zit opgesloten in een echokamer, het is blind en doof voor wat daarbuiten gebeurt. En dit is nog maar het begin. Met de tijd zal een steeds groter aantal mensen voor hun informatie van het internet afhankelijk zijn. ‘We are tweeting, facebooking, and snapchatting ourselves apart.’

Of het echt zo erg gesteld is met onze wereld in het algemeen en de journalistiek in het bijzonder als Keen, Lozovsky en andere somberaars beweren, is moeilijk te zeggen omdat niet precies duidelijk is wat nu eigenlijk het probleem is. Dat op grote schaal nepnieuws wordt verspreid is onmiskenbaar, maar is tevens oude koek. Dergelijk nieuws bestaat zo lang er nieuws bestaat. De lijst met vervalsingen, broodjes aap, nieuwssatires, hoaxes, fraudes, leugens, propagandatrucs, pseudo-wetenschap, verdraaiingen, oplichterijen, complottheorieën, nieuwsvirussen en wat er in de loop der tijden onder het mom van waarheid aan onzin is verspreid, is bij wijze van spreken langer dan die van de feiten en de waarheden. Mundus vult decipi, ergo decipiatur om het in tweeduizend jaar oude woorden te zeggen: de wereld wil bedrogen worden en dus wordt zij bedrogen. Maar als het bestaan van nepnieuws het probleem niet is, wat dan wel? De hoeveelheid ervan? De snelheid van zijn verspreiding?

Er is inderdaad ontzettend veel nepnieuws zoals er ontzettend veel websites zijn die weinig anders doen dan onzin fabriceren en fabuleren op basis van feiten. Zie bijvoorbeeld de lijst die communicatiewetenschapster Melissa Zimdar van Merrimack College, Massachusetts, voor haar studenten opstelde. De lijst vermeldt tientallen ‘false, misleading, clickbait-y, and/or satirical “news” sources’. Zie ook het groeiend aantal websites en boeken dat op alle mogelijke manieren probeert de kletskoek te ontzenuwen. Daaronder Snopes.com en FactCheck.org in de Verenigde Staten en Broodjeaap.nl bij ons. Zie ook de zojuist in het Nederlands vertaalde Field Guide to Lies: Critical Thinking in the Information Age (Uit onbetrouwbare bron) van de Amerikaanse cognitief psycholoog Daniel Levitin. Kortom, er gaat geen dag voorbij of er worden nieuwe leugens en nieuwe verdraaiingen bedacht, ontdekt en ontmaskerd. Maar dat is altijd zo geweest.

Een mogelijk nog groter probleem dan de hoeveelheid nepnieuws is de snelheid van zijn verspreiding. Dit is inherent aan het internet, in het bijzonder aan de sociale media. Zij werken als een virus: 2, 4, 8, 16 enzovoort, voor je het weet zit je in de miljoenen. Zo kwam op de dag na de verkiezing van Trump het nieuws dat in Austin, Texas, een samenzwering op touw werd gezet. Het was een zekere Eric Tucker opgevallen dat er uitzonderlijk veel bussen in de stad rondreden. Tucker wist dat er tegen Trump geprotesteerd zou worden, één plus één is twee, dacht hij, en dus… Vervolgens nam Tucker een paar foto’s van de bussen en twitterde: ‘Anti-Trump protestors in Austin today are not as organic as they seem. Here are the buses they came in.’ Hij postte dit bericht om acht uur ’s avonds. Kort na middernacht werd het opgepikt door de Trump-community van de sociale-medianieuwssite Reddit. De volgende ochtend ging het viraal en binnen de kortste tijd was het volgens The New York Times op Twitter 16.000 en op Facebook 350.000 keer gedeeld.

In het tijdperk van print en audiovisuele media kwam dergelijke kletskoek vaak niet verder dan de dorpskroeg, omdat feiten, idealiter althans, door zogenoemde gatekeepers, lees journalisten, gecheckt werden. Zoals de meeste mensen nam Tucker die moeite niet. Bij nader inzien speet hem dat zeer, maar toen was het al te laat. Sneller dan van mond tot mond gaat een bericht van klik naar klik. Toch kan deze snelheid evenmin de kern van het probleem zijn. Immers, ook in het tijdperk van krant, radio en tv kon nieuws, nep én echt, zich razendsnel verspreiden. Nee, de kern van het probleem ligt dieper.

Enkele maanden geleden publiceerde politicoloog en journalist Maarten Reijnders een interessant boek over een bepaald soort ‘nepnieuws’: complottheorieën. Daarin stelt hij dat slechts een klein deel van de mensheid tot de hardcore complotdenkers behoort, maar dat een veel groter deel gevoelig is voor de een of andere complottheorie. Dit laatste is te meer het geval, aldus Reijnders, omdat tegenwoordig bijna iedereen in verwarring is over de grens tussen waarheid en fictie, feit en onzin, objectiviteit en subjectiviteit. ‘Autoriteiten zijn bij voorbaat verdacht’, stelt hij en citeert vervolgens de Britse Conservatieve politicus Michael Gove die tijdens de Brexit-campagne beweerde dat mensen genoeg hebben van deskundigen.

Dit onderwerp, de ontmaskering van de blanke, gestudeerde witte man (of vrouw) die ‘het’ weet of denkt te weten, kwam ook tijdens het Utrechtse congresje ter sprake, zoals het naar aanleiding van de Trump-verkiezing overal ter sprake komt. Het is zoals De Groene Amsterdammer een maand geleden, nog vóór de Amerikaanse verkiezingen, in een coverartikel verkondigde: ‘De opstand van de laagopgeleiden. De populistische kiezer heeft genoeg van de intellectuele bovenlaag die vooral de eigen privileges beschermt.’ Deze weerzin uit zich in een massale uittocht naar mensen en meningen die ‘anders’ zijn, niet mainstream maar underflow, niet rationeel maar emotioneel, niet waar maar waarachtig, niet verstandig maar ‘natuurlijk’.

Maar ook al is deze neiging tot verheerlijking van het irrationele verre van nieuw, nieuw (of terug van weggeweest) is wél het huidige onvermogen van een intellectuele bovenlaag om deze uitbarsting te beheersen. Het probleem van de intellectuele bovenlaag is altijd geweest dat ze getalsmatig in de minderheid is. Deze handicap heeft de kleine groep van, zeg, dominee, dokter en notaris, ‘drievuldig beeld van al wat wijs en waar is’, tot voor kort weten te compenseren met haar intellectueel gezag en de hieraan gekoppelde beheersing van de communicatiemiddelen. Maar precies dat is door het internet veranderd. Vanuit een dergelijk perspectief zou je de klachten over dat internet en het daarop verkondigde (nep)nieuws dus ook kunnen bezien: als de onvrede van een maatschappelijke groepering die zijn macht kwijtraakt, en daarmee als een klassiek politiek probleem.

Waar is niet wat overeenkomt met feiten, waar is wat het best, sterkst of mooist gepresenteerd wordt

Toch is dit hoogstens de helft van het verhaal. Uiteindelijk doet het er bij nepnieuws immers niet toe wie het zegt, maar wat er gezegd wordt. Nepnieuws betreft de inhoud, niet de bron of de vorm. Althans, zo zou het moeten zijn. Helaas is de bovenlaag juist aangaande de verschillen tussen een en ander de weg in de afgelopen jaren behoorlijk kwijtgeraakt. Dit is goed waarneembaar in de tweede, vorig jaar verschenen editie van Journalistieke cultuur in Nederland. In deze verzameling artikelen sluipt het begrip ‘objectiviteit’ als een dief door de nacht – wat gezien alle relativeringen ervan sinds het postmodernisme en opnieuw door een jonge generatie journalisten à la Joris Luyendijk en Rob Wijnberg niet verwonderlijk is.

Om uit vele voorbeelden er één te nemen, een tekst van Marcel Broersma, hoogleraar journalistieke cultuur en media aan de Rijksuniversiteit Groningen: ‘Journalistiek moeten we niet zozeer als descriptief maar veeleer als een performatief discours beschouwen. Hier ligt de focus niet op de (al dan niet aanwezige) overeenkomst tussen berichtgeving en “de werkelijkheid”, maar op de persuasieve [overtuigings]kracht van nieuws.’ Waar is dus niet wat overeenkomt met feiten, zo staat hier, waar is wat het best, sterkst of mooist gepresenteerd wordt.

Zo bezien is het geen wonder dat het begrip post-truth door de Oxford Dictionary nu al is uitgeroepen tot het woord van het jaar 2016 en dat alom gesproken wordt van een post-truth-society, post-truth-politics en een post-truth-era. Google Trends laat zien dat dergelijke uitdrukkingen al een jaar of tien door de Engelse taal sluimeren, maar op dit moment, met zo’n vijftien miljoen hits, als bij toverslag de wereld veroveren. We lijken de waarheid voorbij. Maar wat bevindt zich aan de overkant van de waarheid? Kan het iets anders zijn dan de leugen?

Deze laatste suggestie is typisch die van een blanke witte man die tot de categorie deskundigen behoort of denkt te behoren. Zijn frame, mijn frame, is namelijk dat van de rationaliteit, van datgene wat aantoonbaar, zichtbaar, controleerbaar, intersubjectief en bespreekbaar is. Vanuit dit frame bezien kan er tegenover waarheid inderdaad niets anders dan leugen staan. Maar waarheid versus leugen interesseert de post-truth-beweging niet. Juist niet. Het gaat haar om het frame. Waarheid en leugen zijn niet de categorieën die er in de samenleving, politiek of menselijke relaties toe doen, stelt zij. Het gaat om emotie, enthousiasme, betrokkenheid, wil, verlangen, authenticiteit en andere irrationele categorieën. Waarheid en leugen maken slechts een minuscuul deel uit van de werkelijkheid. Het overgrote deel wordt bepaald door andere zaken, belangrijker zaken zouden de post-truth-adepten zeggen.

Om deze reden ligt het echte probleem van sociale media en nepnieuws dus niet bij de technologie of de aard van de berichtgeving, maar bij de kloof tussen volstrekt verschillende wereldbeelden. Media en hun inhoud zijn slechts illustraties. De kloof is het onderwerp.

Een van de krachtigste verwijten aan sociale media is dat ze bevestigend werken. Eenieder die wel eens iets via internet koopt of zoekt, weet wat hiermee wordt bedoeld. Bij een volgende inlog worden producten getoond of suggesties gegeven die in het verlengde van het eigen zoek- of koopgedrag liggen. Zo werkt de verspreiding van nepnieuws ook, met algoritmen. Als je eenmaal in een bepaalde hoek zit, krijg je steeds meer van hetzelfde. Men spreekt daarom in dit verband van filterbubbel, tunnelvisie (confirmation bias) en echokamer. Mensen die eenmaal in zo’n echokamer zijn beland komen er niet snel meer uit. Dit heeft tot gevolg dat alle pogingen om nepnieuws tegen te gaan op hen geen vat hebben. Hoogstens zal hierdoor voorkomen worden dat nog meer mensen in dergelijke kamers terechtkomen.

Tegenover deze visie staat overigens wel een jij-bak: dat de intellectuele bovenlaag gedurende lange tijd eveneens in een echokamer verbleef. Het verschil is dat deze kamer slechts voor een kleine groep toegankelijk was en nooit als zodanig werd gezien. Hij stond model voor heel het huis.

Dit alles neemt niet weg dat de huidige journalistiek geen andere mogelijkheid heeft dan radicaal vast te houden aan haar principes – en radicaler naarmate die principes sterker bespot en betwijfeld worden. Die principes zijn er minstens twee. Het ene is de opvatting dat er een duidelijke grens ligt tussen feit en fictie. Het andere dat alleen een kennisleer van ironie en falsificatie (hoor wederhoor, check double check) bruikbaar is. Deze principes kennen een lange traditie. Deze traditie vormt de grondslag van de moderne journalistiek. Als zij wordt verlaten is het einde zoek.


Beeld: Facebook kondigt haar IPO-koers aan op Times Square in New York, terwijl er een afbeelding van Donald Trump te zien is (Justin Sullivan / Getty)