Boris Godoenov

Tsaar op keukenstoel

Meestal maak je het tegenovergestelde mee: dat een regisseur op schaamteloze wijze met een opera aan de haal gaat. Het stuk als kapstok gebruikt om zijn eigen preoccupaties en wereld beeld kracht bij te zetten. De onvergetelijke beelden die de coke dealende lefgozer in Peter Sellars’ Don Giovanni opleverde, kunnen als illustratie dienen.

Willy Decker doet in zijn nieuwe enscenering van Boris Godoenov (Moessorgski) precies het tegenovergestelde: de enige dubbelzinnigheid die het stuk rijk is veegt hij in één beweging van tafel. Tijdens de ouverture zien we namelijk hoe Boris het kleine jongetje Dimitri, de wettelijke troonopvolger, laat vermoorden. Een groep in het zwart gehulde mannen hakt met grote messen op het naakte lijfje in. Levenloos zakt de toekomstige tsaar tot een miezerig hoopje ineen. Toch is Boris nog niet overtuigd. Even later loopt hij weer naar het lichaampje om te kijken. Dood? Ja, zo dood als een pier. Vijf minuten later weer. Echt dood? Morsdood.

Het wordt de kijker ingepeperd: Boris, die nu op het punt staat tot tsaar te worden gekroond, is een kindermoordenaar. Want zo vanzelfsprekend is dat niet. In de originele versie van Boris Godoenov (geïnspireerd op Poesjkin) en in de historische werkelijkheid is nooit aangetoond dat Boris schuldig was. Vooral uit het feit dat hij vóór zijn dood niet heeft gebiecht, wordt afgeleid dat hij schone handen had en het hele verhaal slechts een complot was van de Bojaren om hem van de troon te stoten. Juist die waas van geheimzinnigheid rond Boris maakt hem zo'n intrigerend figuur. Want waarom krijgt hij hallucinaties? Nachtmerries waarin het jongetje hem aangrijnst? Angsten die een eigen leven gaan leiden? Of is hij een machthebber zoals Othello, wiens onzekerheid door insinuaties wordt aangewakkerd?

Zoals gezegd, niets van dit al in de Boris Godoenov van Willy Decker. Door het publiek getuige te maken van de moord op Dimitri is de schuldvraag niet langer relevant en ontvouwt de geschiedenis zich rechttoe, rechtaan: van de kroning van Boris tot zijn reddeloze ondergang. En Decker doet dat magistraal. De intrige speelt zich af in een decor van gigantische proporties. Grote roestige panelen die tot in de nok reiken en de ruimte hermetisch afsluiten. De troon is een torenhoge keukenstoel van goud. Deze wordt letterlijk door het volk gedragen, wat tevens laat zien hoe wiebelig de machtsbasis is. De vormgeving weerspiegelt effectief de context waarin het verhaal zich afspeelt: een land van enorme omvang en een geschiedenis die de menselijke proportie ver achter zich heeft gelaten.

Alles is gericht op de psychische desintegratie van tsaar Boris. Om die reden heeft de Nederlandse Opera (naast de vier versies van Moessorgski en Rimski-Korsakov samen) weer een nieuwe versie van de opera in elkaar geknutseld: in de eerste versie van Moessorgski uit 1869 is een heel bedrijf uit de tweede versie (1872) ingevoegd. Hierin zien we Boris als liefhebbende vader samen met zijn twee kinderen, waardoor zijn schuldgevoel in een nog wranger licht komt te staan.

In grootse en indrukwekkende toneelbeelden schildert Decker de val van Boris. Minstens even imposant is de muzikale vertolking van het stuk. Edo de Waart toont zich met het Radio Filharmonisch Orkest van zijn meest subtiele kant. De betoverend mooie melodieën die ragfijn uit de bak opklinken, staan in een tragisch contrast met de vaak grillige, dramatische akkoorden. De cast is van een uitzonderlijk niveau; een enkel bijrolletje daargelaten is elke rol even goed bezet, met als absolute topper John Tomlinson in de titelrol. Ook al blijven zijn acteerprestaties achter bij zijn vocale kwaliteiten, hij zet een huiveringwekkend drama neer.

De Nederlandse Opera rest maar één taak: de agenda’s op tafel. Want deze Boris Godoenov is beslist een reprise waard. Uiteraard met dezelfde cast.

Muziektheater Amsterdam, tot en met 28 juni. Op 22 en 25 juni zijn er live-videovertoningen in het Oosterpark (zie www.dno.nl)