Tsarenproza

‘De geschiedenis van Poegatsjov’, over de kozakkenopstand in 1773, schreef Poesjkin met toestemming van de tsaar.

In 1773 vond ten westen van de rivier de Jaïk en ten oosten van de Wolga de laatste grote Russische kozakkenopstand plaats. De leider ervan, Jemeljan Poegatsjov, gaf zich uit voor de vermoorde tsaar Peter(II. In diens naam vermoordden de tienduizenden volgelingen van Poegatsjov, veelal lijfeigenen en boeren, alle edelen die ze in hun handen kregen. Verschillende legereenheden van de toenmalige tsarina Catharina de Grote liepen stuk op de legers van deze rebellenleider. In korte tijd wist hij een gigantisch gebied onder zijn bewind te brengen. Catharina’s rijk schudde op zijn grondvesten, maar toch wonnen de troepen van de tsarina de strijd uiteindelijk en eindigde de opstand met de publieke vierendeling van Poegatsjov.
Meer dan zestig jaar later schreef Poesjkin De geschiedenis van de opstand van Poegatsjov. Zelf wilde hij het eigenlijk De geschiedenis van Poegatsjov noemen. Maar helaas, de tsaar - destijds zijn persoonlijke censor - besloot anders: een bandietenleider als Poegatsjov kon immers onmogelijk aanspraak maken op een eigen geschiedenis.
Met deze titelkwestie is veel over dit boekje gezegd, dat onlangs voor het eerst in een Nederlandse vertaling verscheen. Ondanks de vermetelheid van de vertaalster om alsnog de door Poesjkin gewenste titel op het omslag te zetten kon ze niet verhullen dat deze geschiedenis niet meer is dan de neerslag van een onderzoek dat Poesjkin als officiële geschiedschrijver in dienst van de tsaar verrichtte.
Net uit ballingschap teruggekeerd was de dichter niet van plan het vertrouwen van de tsaar op de proef te stellen. En dat blijkt. Poesjkin waagt zich aan geen enkele analyse of beschouwing. Ook gaat hij op geen enkele manier in op de achtergrond van de hoofdrolspelers die figureren in de geschiedenis van de in een roze jas gehulde, buitengewoon gewelddadige don-kozak. De geschiedenis van Poegatsjov is een opsomming van wapenfeiten, stedennamen en belegeringen.
Poesjkin vermeldt de namen van belangrijke officieren en noteert keurig het aantal kanonnen dat men buit maakte, maar hij waagt zich niet aan een verklaring van de populariteit van de ‘usurpator’, zoals hij Poegatsjov steevast noemt. Het is verbazingwekkend dat Poesjkin in deze geschiedenis niets laat zien van de aantrekkingskracht die de ongeletterde charismaticus Poegatsjov op hem moet hebben uitgeoefend. Op basis van zijn onderzoek schreef Poesjkin de prachtige roman De kapiteinsdochter. Hierin komt Poegatsjov naar voren als een raadselachtig en ondoorgrondelijk 'volkswezen’, als een van de vele verschijningen van de 'zwarte demon’, het mooie, aan Byron ontleende romantische type dat wel vaker opduikt in het werk van Poesjkin. In combinatie met de onmetelijke wreedheid van Poegatsjov, die Poesjkin met zijn kenmerkende ironie weet te beschrijven, geeft deze aantrekkingskracht een spanning aan de roman die dit bloedeloze, historische verslag volledig mist. Poesjkin schreef De geschiedenis van Poegatsjov in de tweede van zijn drie 'productieve herfsten’. Als men bedenkt dat Poesjkin in dezelfde tijd de meesterwerken De bronzen ruiter en Schoppenvrouw voltooide, is het curieus dat hij de tsaar tevreden kon stellen met dit werkje. Men kan zich afvragen of dat genoeg reden is voor een Nederlandse uitgave, hoe keurig ook verzorgd en vertaald.