Hoe presteert de UNHCR? (2)

Tsjaad: incompetentie en starheid

Al een jaar lang is de UNHCR in het oosten van Tsjaad bezig achter de feiten aan te lopen. Sinds in Darfur, Soedans afgelegen westelijke regio, in februari 2003 de eerste gevechten uitbraken, is een gestaag zwellende vluchtelingenstroom op gang gekomen. Nu zijn meer dan een miljoen mensen op de vlucht voor het geweld van Arabische milities en regeringstroepen. Minstens 125.000 mensen hebben het buurland Tsjaad weten te bereiken, en nog altijd steken mensen de grens over. De UNHCR in Tsjaad kampt met geldgebrek. De UNHCR klaagt steen en been over haar lege kas en doet regelmatig oproepen aan donorlanden om over de brug te komen. Er is minstens 22 miljoen dollar nodig voor Oost-Tsjaad en Darfur, maar er is slechts veertien miljoen beschikbaar.

Maar de UNHCR kampt ook met incompetentie — en dat valt buitenstaanders niet aan te rekenen. De vluchtelingenorganisatie, met al haar Afrika-ervaring, heeft de omvang van de humanitaire ramp een jaar lang onderschat. En nu is het te laat om nog adequate hulp te bieden, verwachten waarnemers. Het regenseizoen zal wegen en landingsstrips onbegaanbaar maken. Inmiddels zijn de eerste slagregens gevallen. Twee UNHCR-teams die in hun terreinwagens door het water werden overvallen, strandden. Eén van de teams moest de auto achterlaten. «Dit geeft aan wat voor uitdagingen ons te wachten staan als het regenseizoen echt begint», zei UNHCR-woordvoerster Jennifer Pagonis in Genève.

Het is deze bijna laconieke toon die hulpverleners in het veld ergert. Want het is niet alléén de UNHCR die klaagt. Ook organisaties als Artsen zonder Grenzen (AzG) en zelfs een VN-organisatie als World Food Program (WFP) klagen: over de UNHCR. De vluchtelingenkampen die de UNHCR heeft opgezet zijn te klein en beschikken over te weinig water. De voedselvoorziening is slecht en er zijn geen tenten meer. Veel vluchtelingen blijven liever op plekken waar voldoende water is voor henzelf en de resten van hun veestapels. Een dilemma, want aan de grens is het onveilig. Regelmatig worden vluchtelingen er aangevallen door de Arabische janjawid-milities. Artsen zonder Grenzen, dat zelf met verscheidene teams in het gebied aanwezig is en nauw met de UNHCR moet samenwerken in en rond de vluchtelingenkampen, beschuldigde de UNHCR er begin mei openlijk van dat ze niet genoeg deed voor de vluchtelingen. Dat AzG de publiciteit zocht met die kritiek is ongebruikelijk, maar het werd tijd: de UNHCR draaide al maanden stroef, en met de regens in aantocht heeft de vluchtelingenorganisatie geen tijd meer te verliezen. Nu het nog kan, moet alles op alles worden gezet om drinkwater, voedsel en tenten naar het gebied te vervoeren.

Het zijn met name de traagheid en de starheid van de UNHCR die andere hulporganisaties in Tsjaad een doorn in het oog zijn. Zelfs binnen de VN heeft de organisatie wat dat betreft een slechte naam. Op de lagere niveaus, in het veld, wordt veel gewerkt met lokaal personeel. «Wie eenmaal bij de UNHCR binnen is, probeert daar te blijven en familie en vriendjes binnen te loodsen», zegt een VN-medewerker die anoniem wil blijven. «Ik krijg ook van Afrikanen op hogere niveaus het gevoel dat ze zo snel mogelijk weg willen uit het veld, weg van de vluchtelingen, en naar het hoofdkantoor in Genève.» Volgens de VN-medewerker is carrière maken voor sommige UNHCR-medewerkers belangrijker dan de zorg voor vluchtelingen. Ze vertelt over Bahai in noordoost-Tsjaad waar de UNHCR zich nauwelijks heeft laten zien terwijl er veertienduizend vluchtelingen in nood verkeren. Er zijn niet genoeg middelen om die vluchtelingen dezelfde hulp te geven als hun lotgenoten in het zuiden. «Als je carrière wilt maken en je weet dat je in een bepaald gebied geen succes kúnt behalen, waarom zou je er dan aan beginnen? Dan laat je die mensen liever links liggen dan te moeten toegeven dat je faalt.»

In Bahai vertelt dokter Camilo Valderrama, de enige arts in het gebied (hij werkt voor de International Rescue Committee, IRC), dat de UNHCR maandenlang volhield dat de vluchtelingen in Bahai de rebellen steunen en dat ze daarom niks voor hen kon doen. «Maar er zijn hier alleen vrouwen en kinderen», zegt hij, «en ze hebben niks meer te eten. Ze eten nu boomzaden en bladeren.» Inmiddels is de vluchtelingenorganisatie van mening veranderd nadat de IRC de noodklok luidde en er verhalen in de media verschenen over Bahai. De UNHCR heeft voedsel uitgedeeld. Dat was nauwelijks genoeg voor twee weken. «Het loopt hier volledig uit de hand», zegt Valderrama. Hij zit met de handen in het haar. Er is een meningitisepidemie uitgebroken en het aantal ondervoede kinderen neemt snel toe. «Als deze mensen niet snel worden voorzien van water, voedsel en tenten zullen ze sterven.» Het zal de UNHCR niet meer lukken de mensen op tijd onder te brengen in vluchtelingenkampen verder landinwaarts, vreest Valderrama, en dat gaat duizenden levens kosten.

Ook medewerkers van het Wereldvoedselprogramma (WFP) van de Verenigde Naties zijn niet over de UNHCR te spreken. Hordur Karlsson, een IJslander die nog maar enkele maanden eerder bij het WFP kwam werken, heeft zich verbaasd. «Ze doen arrogant, maar als het erop aankomt zijn ze weinig doortastend, die UNHCR-lui. En erg formeel en bureaucratisch», zegt hij in N’djamena, de hoofdstad van Tsjaad. De WFP en de UNHCR zijn de enige twee organisaties die vluchten uitvoeren in Tsjaad. Maar in plaats van elkaar te helpen, heerst er een sfeer van concurrentie, verzucht Karlsson.

Een week later ondervinden we aan den lijve wat hij bedoelt. Een passagiersvliegtuigje van het WFP is uit de lucht gehaald wegens een defect aan een van de motoren. De UNHCR, die op dezelfde route eveneens een vlucht verzorgt, negeert de smeekbeden van het WFP en weigert hun gestrande passagiers — journalisten en hulpverleners — over te nemen, die daardoor dagenlang in het binnenland vast zullen zitten. De piloot van het UNHCR-vliegtuig (hij is in dienst van een particulier bedrijf dat is ingehuurd door de VN) besluit echter de orders naast zich neer te leggen en neemt zo veel WFP-passagiers mee als hij kan. «Het gaat straks mis met de UNHCR», zegt een vertegenwoordiger van het WFP grimmig: «Je begrijpt dat wij geen poot meer voor ze zullen uitsteken. Nu zijn wij het, maar het is onvermijdelijk dat ook zij binnenkort een keer in de problemen komen. Dan staan ze er alleen voor. Ze hebben zich zo gehaat gemaakt dat niemand ze zal helpen.»

Op de basis van de Nederlandse afdeling van Artsen zonder Grenzen in de grensplaats Adré horen hulpverleners op de kortegolfradio Yvan Sturm, de hoogste vertegenwoordiger van de UNHCR in Oost-Tsjaad, half april een interview geven aan BBC World Service. Wat hij meldt wordt met hoongelach ontvangen. De UNHCR wil vóór het begin van het regenseizoen alle vluchtelingen vanaf de grens overbrengen naar kampen in het binnenland. «Er zijn dagelijks konvooien», zegt Sturm tegen de BBC, «er rijden nu veertig tot 45 trucks per dag van de grens naar de kampen.» «Ze dromen bij de VN», zegt een hulpverlener, «in dit land is hoegenaamd geen infra structuur. Wat Sturm zegt is onmogelijk. Bovendien, er is nu al watergebrek in de kampen, dat wordt alleen maar erger als er nog meer vluchtelingen naartoe worden gebracht.»

Ook Sebastien Apatita, hoofd van de UNHCR in Adré, begrijpt niet waar zijn chef het cijfer van veertig tot 45 vrachtwagens per dag vandaan heeft: «Ik heb hier vier vrachtwagens tot mijn beschikking en één bus. Er zijn in totaal zeven kampen hier in Tsjaad. Er is niet voldoende brandstof om de wagens elke dag te laten rijden, en het kamp in Farchana, waar we de mensen heen brengen, is nu al overbelast.» Orvind Johanson, een Noorse medewerker van het Internationale Rode Kruis die we ontmoetten op het vliegveldje van Abéché, een stad verder landinwaarts, meldt dat hij twintig legertrucks klaar heeft staan om vluchtelingen te vervoeren: «Uitgeleend door het Noorse leger en ingevlogen door de Fransen. Een prachtige actie. Maar ik heb geen benzine om ze in te zetten.» De benzine zou worden geleverd door de UNHCR, die in Tsjaad alle hulpverlening coördineert. «Zelf scheuren ze wél de hele dag rond in hun terreinwagens.»

Op 14 april vond in het vluchtelingenkamp bij Farchana een incident plaats dat Artsen zonder Grenzen het bloed onder de nagels vandaan haalde. Tot verbijstering van het AzG-personeel in het kamp verscheen een delegatie van Tsjadische en Soedanese hoogwaardigheidsbekleders begeleid door gewapende militairen. De Soedanezen hadden een boodschap voor de vluchtelingen: «De situatie is onder controle, u kunt gerust weer terugkeren naar uw woonplaats.» De vluchtelingen waren razend. Het waren juist Soedanese regeringstroepen die samen met Arabische milities dorpen platbrandden, veestapels roofden, mannen vermoordden en vrouwen verkrachtten. De delegatie leden werden onthaald op een regen van stenen. Militairen losten waarschuwingsschoten om ze te ontzetten. Op dat moment waren de artsen en verplegers van AzG al demonstratief uit het kamp vertrokken. Zij menen dat de UNHCR het bezoek tegen elke prijs had moeten voorkomen.

Een hoge vertegenwoordiger van de UNHCR in zuidoost-Tsjaad, die van hogerhand te horen heeft gekregen dat hij niet met de pers mag praten, meldt anoniem dat de UNHCR «niet in de positie was om het bezoek van de Soedanese delegatie aan het kamp in Farchana tegen te houden, maar dat wel heeft geprobeerd». Hij noemt het UNHCR-programma in Tsjaad «te ambitieus». Volgens hem zijn er niet voldoende middelen en medewerkers om te kunnen doen wat nodig is: «Farchana was eerst bedoeld voor vierduizend mensen. Toen werd opeens besloten dat er zesduizend vluchtelingen terecht moesten. Nu huisvesten we er ongeveer elfduizend, en er komen nog dagelijks mensen bij. Nee, we hebben niet genoeg dekens en tenten, en er is op dit moment niet genoeg water.» Gezien zijn ervaring in de regio rond Adré acht hij het ten enenmale onmogelijk dat de UNHCR alle vluchtelingen uit hun kwetsbare posities langs de grens weet te evacueren voordat de regens losbreken. «Maar we doen wat we kunnen.»