Een Belgische Tsjechov

‘Tsjak, ín de emotie en tsjak, er weer uit!’

Regisseur Dirk Tanghe was enkele jaren onzichtbaar. Nu regisseert hij Tsjechovs De meeuw. Verslag van een gelukkig weerzien.

Ergens op de helft van de eerste akte, als Anton Tsjechov en Dirk Tanghe in ruwe verfstreken de verhoudingen in De meeuw op het canvas hebben gesmeten en de eerste schermutselingen achter de rug zijn, valt alles even stil. Aan de overkant van het meer wordt gezongen. Een onmiskenbaar fragment uit de muziekverzameling van Dirk Tanghe, randje Rusland-kitsch, tikje wee, precies goed eigenlijk. Arkadina, actrice in de nazomer van haar loopbaan, moeder van de jonge onbekende schrijver Trepljov (koosnaam Kostja), minnares van de beroemde schrijver in de herfst van zijn jaren Trigorin, aanstaand rivale van de mooie, jonge actrice Nina. Deze Arkadina, die in haar eentje ongeveer het epicentrum van alle aardbevingen in dit stuk is, mijmert over de jaren van weleer: ‘Tien, vijftien jaar geleden hoorde je dat bijna elke avond zo – muziek, zingen, overal rondom het meer. Er liggen zes landgoederen omheen. Altijd lachen, schieten, lawaai en liefdesaffaires, steeds maar weer liefdesaffaires.’ Als je op zo’n moment goed naar Tsjechov luistert, dan weet je waar we zijn, dan weet je wat voor ‘landgoederen’ dat zijn, rondom dat meer. Geen luxe villa’s in ieder geval. Eerder de veredelde blokhutten uit Gorki’s Zomergasten. Allemaal kleinburgers, middenstanders in hun nauwelijks aan de banaliteit ontstegen datsja-achtige zomerverblijfjes.

Dan komt de jonge actrice Nina op, die zojuist een onbegrijpelijke monoloog heeft gespeeld van haar vriendje, de would-be modernistische schrijver Trepljov. En hup, weg weemoed. Moeiteloos schakelt Arkadina naar de goedkope middenstanderslach van de uitgerangeerde tweedeplansactrice en ze begint het jonge kind, dat ze zojuist neerbuigend heeft geïmiteerd, te bewieroken, net als het hele stel, dat Nina zojuist nog hartelijk heeft uitgelachen. Uiteindelijk blijft alleen de huisarts op het toneel, de oude Dorn. Samen met de jonge Trepljov, die eigenlijk Kostja heet. Dorn heeft ook nog iets over Kostja’s toneeltekst te zeggen. In negen van de tien versies van Tsjechovs Meeuw wordt Dorns commentaar meevoelend gespeeld, sympathiek, hij ziet immers als enige het talent van Kostja. Zo niet hier. De oude rot Jo De Meyere, die Dorn speelt en die dat prachtig doet, draait nog eens aan de dop van zijn heupflacon en produceert enkele nog maar net aan de spiritualiën ontstegen recensentenclichés. Als je Tsjechov goed leest, en Dirk Tanghe heeft hem grondig gelezen en nog veel grondiger herlezen, dan zie je dat niets hier is wat het lijkt, of liever, dat alles hier één groot ‘lijken’ is. Achterklap, leugen, bedrog. Theater, kortom.

Het is in ieder geval in Vlaanderen niemand ontgaan: deze De meeuw geldt als de definitieve comeback van Dirk Tanghe (Torhout 1956). Na zijn vertrek bij De Paardenkathedraal in 2007 regisseerde Tanghe een opera en sporadisch enkele toneelvoorstellingen. Verder was hij vooral onzichtbaar en afwezig, opkrabbelend uit verslavingen en depressies. Zijn zoon Sjoerd Tanghe maakte daarover vorig jaar de mooie documentaire Me Will Always Be Me. Het Antwerpse toneelhuis voor jeugdtheater, Het Paleis, van Barbara Wyckmans, vroeg Dirk Tanghe om Tsjechovs tragikomedie over de botsingen tussen kunstenaarsgeneraties te regisseren voor iedereen vanaf zestien jaar. Ze brachten samen een sterke cast bijeen. Van enkele Vlaamse acteurs die al eerder en vaker (Michaël Pas, Karin Tanghe, Door Van Boeckel) of nog nooit (Katelijne Verbeke, Erik Van Herreweghe, Jo De Meyere) met Tanghe hadden gewerkt. Samen met een aantal vertrouwde gezichten uit de tijd in Utrecht (Lieke-Rosa Altink en Bas Keijzer, ook kostuumontwerper Mirjam Pater) maakten ze deze voorstelling. Voor de rollen van de jonge kunstenaars in het stuk, schrijver Kostja en actrice Nina, werden Alessandro Cangelli (21), student aan de Universiteit van Antwerpen, en Dorien De Clippel (20), derdejaars student aan de acteeropleiding in Gent, gevraagd.

Dorien De Clippel wist niet wie Dirk Tanghe was: ‘Hij is van voor onze generatie. Maar na wat googelen was ik vlug onder de indruk van zijn palmares. Zoals bleek uit onze eerste gesprekken werkt Dirk sterk vanuit zijn intuïtie. Hij geeft zich voor honderd procent en verwacht dat ook van zijn acteurs.’ Waarna Alessandro Cangelli (een onvervalste Vlaamse jongen) aanvult: ‘Omdat hij ooit de toneelopleiding bij Dora van der Groen doorliep, is hij je als acteur soms tien stappen voor. Dirk weet hoe je moet spelen.’ En Tanghe weet hoe je vooral níet moet spelen. In het dagboek van de regie-assistent, bij Tanghe altijd een zinderende bron van informatie, lezen we op de website van Het Paleis: ‘Dirk wil puurheid en waarachtigheid in het theater. Hij vraagt de acteurs ook dicht bij zichzelf te blijven tijdens het spelen. Geen gedeclameer, roept hij. Geen valse tranen. Dan liever geen tranen. Niet in de coulissen aan uw dood hondje liggen denken om seffens in tranen op te kunnen komen. Tsjak, ín de emotie en tsjak er weer uit! En alstublieft hé, weet wat je zegt. Meen het!’

Ik zag De meeuw de avond ná de première. De stoom was duidelijk van de ketel, de toneel­spelers oogden ontspannen. De grote zaal van het jeugdtheaterhuis Het Paleis ligt in een zijbeuk van de Antwerpse schouwburg, waar in het hoofdgebouw de grootschalige musical­versie van de film over het autistische joch Ben X loopt, voor veel jong volk. Groter contrast is nauwelijks denkbaar. De meeuw, ook gemaakt voor jong publiek zonder daarvoor geforceerd van kleur te verschieten, speelt in de intiemere zaal, met een half rond auditorium voor een lijsttoneel met voorbühne. Daar op dat voortoneel staat rechts-voor een klein model filmcamera op een dolly met rijrails. Hij zal de hele avond ongebruikt blijven. Wat niet geldt voor de kolossale filmlampen die meer dan uitdagend in het decor staan opgesteld en regelmatig zorgen voor plotse wijzigingen in het sfeervolle licht (ontwerp als vanouds: Uri Rapaport). Tanghe liet op de bescheiden speelvloer een graffiti-doorweekte, afgedankte locatie bouwen, met verweesde luxaflex voor verzakte ramen, een Droste-kijkdoos met muren áchter muren en doorkijkjes naar kledingrekken en verkleedruimten. Links-achter staan slordig aan elkaar geschoven eettafels, midden-achter een klein bureautje met daarop de schrijfmachine van Kostja, rechts-voor een groot bed, midden-voor een soort massagebank. Alles blijkt later voor íets of iemand een locatie. Maar alles speelt zich ook híer af of wringt zich vanuit de buitenwereld naar binnen. De toneelwerkelijkheid is tevens de totale werkelijkheid van de vertelling. Vice versa.

De klassenverhoudingen in dit stuk – kunstminnende nietsnutten in permanent gevecht met hardwerkend boerderijpersoneel – zijn haarscherp en op het randje van tragikomisch melodrama; geëtst op het ritme van Tsjechovs schriftuur. In de frisse herlezing is deze regie in de verte verwant aan De meeuw van Gerardjan Rijnders, voor-vorig seizoen in de Nederlandse theaters. Maar ook weer niet, want zeer Vlaams. Voluit Belgisch eigenlijk. Vooral in de wijze waarop de personages onaangekondigd ruw naar het Frans overspringen, net wanneer ze iets te verbergen hebben bijvoorbeeld of als ze woedend worden. Muzikale motieven begeleiden, als zo vaak bij Tanghe, de personages alsof iedereen een Leitmotiv heeft in de opera van het ware leven. Een broze Satie-pianomelodie lijkt de jonge gelieven te gidsen door het emotionele struikgewas. En een ruiker joyeuze Franse chansons wordt ingezet om de pijn te verzachten of de hoog oplopende ruzies glad te strijken. De enscenering is in alles doordacht zonder te uitgekiend of gladjes te worden, de rafels hangen eraan, emoties gaan met niemand op de loop.

De over haar hoogtepunt hangende, losjes citaten uit Hamlet rondstrooiende, verlopen toneelspeelster Arkadina wordt gespeeld door Katelijne Verbeke. Zij creëert een personage dat het rafeligste is van allemaal, balancerend op de rand van de overtreffende trap waar alle vamps ooit noodlottig over struikelen. De ijzingwekkende consequentheid van de vondst om Arkadina hier letterlijk te laten zijn zoals ze zichzelf in haar deerniswekkendste momenten beschrijft, is adembenemend. En onze schrik over zó veel zorgvuldig bij elkaar gegraaide toneelaanstelleritis wordt nog eens gekwadrateerd als we na een tijdsprong van jaren (in de vierde akte) opeens Nina, ondertussen ook professioneel actrice geworden, zien terugkeren in het huis waarin zij ooit tot ‘meeuw’ werd gebombardeerd. Nina speelt hier een huiveringwekkende kloon van Arkadina. Alle sleets geworden weemoed die in negen van de tien ensceneringen van De meeuw in deze slotscène wordt gepropt, verdwijnt hier als poedersuiker onder een hoogtezon.

Dan de jonkies in de voorstelling. Nina, gespeeld door Dorien De Clippel om te beginnen. In de tweede akte heeft ze een scène met de gearriveerde schrijver Trigorin (Bas Keijzer). Keijzer speelt in die scène (de avond dat ik er was een tikje té vet en té opgelegd geilig) ‘ik-wil-jou-heb-ik-sal-jou-krijg’. De Clippel doet in deze scène op een bewonderenswaardige manier eigenlijk he-le-maal niets, althans niets ánders dan nuchter en onderzoekend kijken naar die interessante en beroemde man. Zonder te zwelgen, want dat zwelgen komt later pas. De actrice doseert. Ze zet haar zwelgen als het ware op een spaarrekening, die wij, haar voyeurs, tijdelijk in beheer hebben. Prachtig! Alessandro Cangelli heeft als Kostja ook van die scènes waarin hij gedoseerd uit mag pakken en met gepaste mate mag tonen wat hij aan toneelspelersinstinct met zijn jonge jaren al in huis heeft. In de beroemde scène uit het derde bedrijf, waarin zijn door een mislukte zelfmoordpoging geschaafde voorhoofd wordt verbonden door zijn moeder Arkadina, zorgt hij voor het juiste staccato in de opzwepende kunstenaarsruzie. Kostja tegen zijn moeder: ‘Jullie hebben toch alles naar je toegetrokken. Jullie bepalen wat goed en slecht is in de kunst. Alleen wat jullie doen telt; al het andere maken jullie kapot.’ Aan het slot, net als je als toeschouwer denkt dat er een soort gewapende vrede is getekend, doet de Kostja van Cangelli iets wat ik in De meeuw nog nooit heb gezien en dat ik niet ga verklappen, maar hij doet dat met een grootse timing, waarvoor ik net zo’n diepe buiging maak als voor de scène met het revolverschot waarmee hij het stuk en het leven van zijn personage van een slotakkoord voorziet.

‘Alleen wat diepgang heeft kan aanspraak maken op schoonheid’, zegt een personage in De meeuw. Die tekst werd geciteerd door een Nederlandse criticus in een Nederlandse krant, namen noemen we niet, te veel eer. Die criticus voegde aan het citaat zijn bijtend slotakkoord toe: ‘Tanghe heeft het allemaal in huis, maar zou nu een ferme stap voorwaarts moeten zetten. Geen meeuwen neerknallen, maar laten vliegen.’

Geloof hem niet. Geloof mij ook niet. Ga ­kijken!


De meeuw speelt nog t/m 13 oktober in Het Paleis. Kaarten en speeldata: hetpaleis.be