Interview met Milos Forman

‘Tsjechen buigen mee, en zwiepen dan hard terug’

Twee Oscars en een nominatie maken Milos Forman (1932) tot een vooraanstaand regisseur. Zijn laatste film, het kostuumdrama Goya’s Ghosts, werd zuinig ontvangen. In zijn vaderland Tsjechië werkt Forman aan een film over ‘1968’.

Milos Forman: ‘Men wilde een film maken om het veertigjarige jubileum van de inval van de Warschaupacttroepen in augustus 1968 te “vieren”. Aanvankelijk waren er grootse plannen voor een echte bioscoopfilm, maar zoals gebruikelijk strandden die op de financiën. Ik had er eigenlijk weinig zin in omdat de voorbereidingen en de draaidagen van Goya’s Ghosts een behoorlijke tol hadden geëist. Toen daarna besloten werd om een digitale productie voor de televisie te draaien, heb ik mijn medewerking toegezegd. Er werd namelijk besloten om een aantal regisseurs verhalen van diverse auteurs te laten verfilmen. In 1960 deed ik mee aan een soortgelijk project, Laterna magika, mijn eerste serieuze werk. Een typisch Tsjechische film, fragmentarisch en met een open einde. Wellicht is op deze manier de cirkel rond.’ Uw vorige film, ‘Goya’s Ghosts’, werd nogal eens een ‘rommelig samenraapsel’ genoemd. Wordt ‘1968’ ook zo fragmentarisch?

‘Dat verwacht ik niet. Dit wordt een heel duidelijk statement over de ankers van het nationale bewustzijn. De brave soldaat vejk van Haek, zeer zeker, en Frans Kafka en Karl en Josef Capek, maar ook bijvoorbeeld de vrijstaat Tabor die ontstond nadat de prediker Jan Hus in 1415 werd verbrand. Ik heb gehoord dat in 1968 met studentenbloed doordrenkte vlaggen bij zijn monument werden gelegd. Daarnaast ook de martelaren die zichzelf uit protest begin 1969 verbrandden, waar student en suikerbakker Jan Palach wel de bekendste van is.’

U was tijdens de inval in augustus ’68 niet in het land.

‘Dat klopt, ik was in Parijs om te onderhandelen over een eerste Amerikaanse film. Toen ik het nieuws hoorde, ben ik meteen naar de Verenigde Staten vertrokken. Ik heb niet eens de ontwikkelingen in de dagen erna afgewacht. De Russen hadden ons in 1945 bevrijd van de gehate nazi’s – zo wil althans de officiële geschiedschrijving; in feite is Praag bevrijd door de Amerikanen – maar drie jaar later kon Josef Stalin het toch niet laten om ons in te lijven. Ik had tot ’68 vier films gemaakt. Bij een aantal had ik al moeilijkheden ondervonden. Ik wist zeker dat het er niet beter op zou worden. Ik werd door de Tsjechische studio in Barandov op staande voet ontslagen omdat ik het land volgens de autoriteiten illegaal had verlaten. Deze studio was opgericht door de familie van mijn klasgenoot Václav Havel, later dissident schrijver en de eerste democratische president.

Iemand die mijn oeuvre doorspit, ziet dat in elke film wel onrecht en het gebrek aan vrijheid op een of andere wijze aan de kaak worden gesteld. Dat is een direct gevolg van de bijna twintig jaar die ik onder het communistische regime doorbracht en de paar jaar onder dat van de nazi’s.’ (Formans ouders verloren het leven in Auschwitz en Buchenwald – gb.)

Hoe past ‘Goya’s Ghosts’ in die geschiedenis?

‘De film grijpt terug naar de werkwijze van mijn eerste films in Tsjechoslowakije. Het idee is al ontstaan in mijn studietijd. Ik las toen over de Spaanse inquisitie, waar onschuldige mensen met ongelooflijk wrede martelingen tot bekentenissen werden gedwongen. Er waren opvallende parallellen met het leven onder het communistische juk. Begrijpelijkerwijze kon ik daar toen niets mee doen.

Deze film moest vaart hebben. Er wordt mij wel verweten dat ik als een bezetene door de geschiedenis jaag. Ik wilde aantonen dat de geschiedenis zich steeds weer herhaalt. Hitler zei tegen zijn soldaten dat ze “bevrijders” waren van de landen die ze binnenvielen. De communisten schoten keer op keer met hun troepen de “bevriende naties” te hulp. Met open armen zouden ze worden ontvangen. Napoleon zei precies hetzelfde toen hij begin 1800 Spanje binnenviel en gewapenderhand de vrijheid, gelijkheid en broederschap van de Franse Revolutie wilde verkondigen. Triest genoeg zien we iets dergelijks nu ook weer in Irak.’

Goya is niet echt een hoofdpersoon. Heeft u een voorkeur voor tragikomische figuren?

‘Iedereen houdt van de underdog. Het is de eenling die vecht tegen het instituut, instellingen die we zelf hebben gecreëerd en met onze belastingen hebben betaald. In plaats van ons te dienen, gaan ze ons op een gegeven moment de wet voorschrijven. Een mens kan nog zo aardig zijn, als je hem in de hoek drijft, vecht hij terug. Goya leefde heel lang en maakte, in die tijd ongebruikelijk, van zijn hart geen moordkuil. Hij schilderde wat hij zag. Hij observeert in deze film alleen maar. Hij is een kapstok waaraan ik mijn hete hangijzers heb opgehangen. Men verwijt mij dat ik zijn karakter niet goed heb uitgediept, maar een gewone biografie is erg saai. In een film moet een conflict zitten.’

In ‘Amadeus’ is de hofcomponist Salieri de slechterik en Wolfgang, Tom Hulce, de publiekslieveling. Verklaart dat het succes van die film?

‘Ik heb geen idee. Op een of andere manier kan men voor de gekwelde geest Salieri toch ook wel enige sympathie opbrengen en het slot is nu niet bepaald vrolijk. Ook hier gaat het om de strijd van een individu tegen een almachtig instituut.’

Wat kenmerkt uw hoofdpersonen?

‘Het zijn allemaal vechters. McMurphy – Jack Nicholson in One Flew over the Cuckoo’s Nest – vecht voor een humane behandeling van hulpeloze mensen, Mozart vecht tegen de keizer die liever een paar noten zag geschrapt en Larry Flint vecht voor de vrijheid van meningsuiting. Op zijn eigen wijze is Goya ook een voorvechter.’

Heeft dat met uw Tsjechische achtergrond te maken?

‘Dat denk ik wel. Het heeft te maken met de Tsjechische overlevingsdrang. Men verwijt ons een gebrek aan ego, maar wij zijn wars van pretenties. Voornamelijk bang om weer te worden opgeslokt door onze zelfbewuste buren. De bitterzoete ironie is ons belangrijkste strijdmiddel. In de Tweede Wereldoorlog waren de Duitsers banger voor ons dan voor de Polen en de Russen. Als je die onder druk zet, breken ze op een gegeven moment. De Tsjechen buigen mee, wachten, en zodra de druk vermindert zwiepen ze twee keer zo hard terug.’

U bent een filmicoon. Toch heeft u een vrij compact oeuvre.

Milos Forman: ‘Mooi uitgedrukt, je bedoelt natuurlijk dat ik maar een klein aantal films heb gemaakt. Ik had best meer producties willen maken, maar na Man on the Moon zag Hollywood me niet meer zitten. Ik was buitengewoon tevreden over die film. Het grote probleem is dat de briljante komiek Andy Kaufman (in Nederland bekend als Latka Gravas in de serie ‘Taxi’ – gb), gespeeld door Jim Carrey, het publiek niet aansprak.

Ik had moeite om daarna de financiering van weer een kostuumdrama rond te krijgen. Er werd al heel wat gemord toen ik het plan opperde om Amadeus te verfilmen. In Hollywood is men nu eenmaal eerder geïnteresseerd in films met een duidelijke plot en een happy end waarin de good guys en de bad guys duidelijk worden afgeschilderd. Ik heb nog wel wat kleine dingetjes gedaan tussendoor, maar dat mag geen naam hebben. Goya’s Ghosts is met Spaans geld gefinancierd.’

Is ‘Man on the Moon’ dus uw lievelingsfilm?

‘Persoonlijk ben ik het meest trots op mijn eerste zwart-witfilms – Zwarte Peter, De auditie, Liefdes van een blondje en Het brandt, mijn liefje. Ik had het geluk dat ik toen mocht werken met de fantastische collega Ivan Passer, de briljante regisseur van komedies Martin Fric en een andere grootheid van de vroeg-Tsjechische film, Alfréd Radok. En dat ik Milan Kundera als leraar had en Václav Havel als schoolvriend. Maar aan The People vs. Larry Flint, Ragtime en Valmont heb ik ook veel plezier beleefd. Over die andere films is al genoeg gesproken.’

U heeft films gemaakt onder het communistische juk en onder het strenge regime van de studio’s in Hollywood. Wat was moeilijker?

‘De censuur van een totalitair systeem is funest. Het is een klein groepje mensen dat de beperkingen van een overheid oplegt, terwijl de economische censuur van Hollywood bepaald wordt door het publiek. Daar is veel gemakkelijker mee te leven. In Praag werden er geen veranderingen voorgesteld. Als iets hun niet beviel, verboden ze gewoon de hele film. Na 1989 konden daardoor vaak de originelen gewoon worden vertoond. Geen regime blijft voor eeuwig, ook al denken sommigen dat het duizend jaar zal voortduren.’

Misschien willen politici altijd sprookjes zien?

‘Daarom willen ze sentimentele films. Ze willen fabeltjes, niet de waarheid. Dan zijn er sterke leiders nodig. Het leven laten zien zoals het zou moeten zijn, niet zoals het daadwerkelijk is. Rolmodellen voor het publiek om achteraan te hollen. Neem bijvoorbeeld Larry Flint met zijn blootblad Hustler. Ik heb niets met pornografie, maar als je het verhaal over hem leest, ontdek je een intrigerende andere kant van de man. Hij wordt menselijk en interessant.’

Bent u iemand die lang repeteert met de acteurs?

‘Bij mij is de screentest de belangrijkste repetitie. Ik ben een voorstander van improvisatie. Ik probeer wel alles uit een acteur te halen en dan kan het voorkomen dat we een scène een aantal malen moeten overdoen. Maar na een keer of drie ben ik meestal tevreden. Ik heb het voorrecht gehad om met veel grote namen te werken. De enige lof die ik mezelf toezwaai heeft betrekking op de juiste casting.

Veel bewondering heb ik altijd gehad voor de edelfiguranten. Veel regisseurs zijn bang voor de onvoorspelbaarheid van de extra’s. Ik probeer die juist uit te buiten. Het echte leven is veel opwindender dan de paar zinnen die een script voorschrijven. Het lachje van Tom Hulce in Amadeus is een mooi voorbeeld van geslaagde improvisatie.’

Goya’s Ghosts is nog in roulatie