Tsjechen en duitsers blijven bakkeleien

Een gênante vertoning was het. Het Tsjechisch parlement was vorige week vier dagen doende om in te stemmen met een ‘Duits-Tsjechische verklaring over de wederzijdse betrekkingen en hun toekomstige ontwikkeling’.

De Tsjechische volksvertegenwoordigers leken onderling nog eens over te doen wat zich jarenlang op het hoogste niveau tussen Praag en Bonn had afgespeeld: ruziën over historische verantwoordelijkheden, over morele betekenissen van woorden, over punten en komma’s. Het gebakkelei had vaak het aanzien van platvloers gekift omwille van binnenlands politiek gewin, en als extreem-rechts aan het woord kwam was er sprake van pure schofterigheid: ‘Polakken, joden en Sudetenduitsers trekken aan de touwtjes’, en: 'Deze regering is de advocaat van het nazisme’.
Tsjechen en Duitsers hebben van oudsher een gecompliceerde relatie. Ruim duizend jaar hebben ze in Bohemen en Moravië samengewoond, waarbij de Duitsers na de triomf van de Contrareformatie (1622) de Tsjechische cultuur platwalsten en het land inlijfden bij het Habsburgse Rijk. Pas toen de Vielvölkerstaat in 1918 ineenzeeg, kregen de Tsjechen weer zeggenschap.
Het toch al grote wantrouwen jegens alles wat Duits is groeide uit tot een nationaal trauma toen de westerse democratieën Tsjechoslowakije in september 1938 aan Hitler uitleverden, toegejuicht door de Duitstalige bevolkingsgroep in Bohemen en Moravië (bij gemeenteraadsverkiezingen in het voorjaar van 1938 schaarde 97 procent van hen zich achter de leuze 'Heim ins Reich’).
Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog zagen de Tsjechen de kans schoon en bonjourden ze de zowat drie miljoen Sudetenduitsers het land uit. Tienduizenden kwamen daarbij om het leven, maar achteraf kreeg de uit Londense ballingschap teruggekeerde Tsjechoslowaakse regering de zegen van de geallieerden in Potsdam.
Veel Sudetenduitsers hebben hun lot nooit aanvaard. Vooral via de Beierse christen-democraten stookten ze in de Duits-Tsjechische verhoudingen. Tot op de dag van vandaag blijft een kleine maar invloedrijke harde kern schreeuwen om recht op terugkeer en teruggave van onteigende bezittingen. Met de excuses voor de collectieve bestraffing die president Havel onmiddellijk na de val van het communisme aanbood, nemen ze geen genoegen. Voor menige Tsjech ging Havel juist weer te ver; na veertig jaar communistische propaganda omtrent 'Duits revanchisme’ vreest men de buurman nog steeds - een gemoedstoestand waarvan Tsjechische volksvertegenwoordigers vooral omwille van kortstondig politiek succes gebruik meenden te moeten maken. Bijtijds kwamen ze tot inkeer en stemden ze in met de 'declaratie’. Maar er zal nog veel Duits-Tsjechische dialoog op lager dan politiek niveau nodig zijn om het verleden te verteren, niet in de laatste plaats wat de Tsjechen betreft. Want die kampen volgens de onlangs overleden schrijver Bohumil Hrabal met een probleem: 'Zo ziet u, Dubenka, wat voor problemen wij hebben met onze geschiedenis, aldoor is het niet meer dan een opgeschort begin en meteen ook al het einde.’