HOLLAND FESTIVAL

Tsjechov on the rocks

Shukshin

Nee, laten we het niet hebben over de Russische ziel. Dat waanbeeld van het exotisch gegroefde gelaat met de branderige wodkablik over eindeloze toendravlakten. Of de irritante neiging om Russische kunstenaars niet te beoordelen op wie ze zijn en wat ze laten zien, maar op de mate waarin zij zich conformeren aan de stereotypische mix van uivormige torenspitsen, eindeloze natuurbeschrijvingen en diepzinnige a-capella-klanken. De voorstelling Shukshin’s Stories (door het Moskous State Theater of Nations gespeeld op het Holland Festival) biedt bovenstaande overigens in overvloed, maar zonder de minste pretentie iets van een alomvattende, melancholieke identiteit prijs te geven. Het is juist de intimiteit van de acht gespeelde miniaturen die overtuigend werkt, liefdevolle portretten van plattelandslui die dag-in-dag-uit naar een brede horizon kijken, maar zichzelf er niet overheen kunnen denken. Zelfs boos worden over gemiste kansen hoort niet tot hun repertoire. De dagsluiting is een berustend ‘ach ja’.
Daarna: een stevige borrel.
De verhalen van de hier volledig onbekende en in Rusland herontdekte schrijver Vasily Shukshin (1929-1974), die zijn hoogtijdagen beleefde in het taaie Brezjnev-tijdvak, laten zich lastig met een Russische klassieker vergelijken. Ze zijn minder stads dan Gogol, minder loom dan Toergenjev, Tolstoi met een vleugje Charms, bevolkt door excentriekelingen zonder zweetband in hun hoed maar met ijs in hun laarzen, Tsjechov on the rocks. Ze zijn aandoenlijk maar als je te hard om ze lacht, bijten ze en slaan vervolgens op de vlucht. Andrei, die een microscoop mee naar huis neemt (die hij zegt gewonnen te hebben) om te imponeren met de bestudering van druppels leidingwater en zijn eigen bloed. Of Ignati die bij zijn vader en broer op bezoek gaat en ze maar niet enthousiast krijgt voor wat dan ook. Of het treurige verhaal van Kolya die overal een vrolijke voorstelling in zag, een lach en een dansje, maar die eindigde aan het gas. Of de blindgeboren Ganya naar wiens liedjes van weleer geen vraag meer is. Het speelvlak van de Letse regisseur Alvis Hermanis en zijn ontwerper Monica Pormale is een eenvoudige houten vloer en een lange zitbank vlak voor de achterwand. Die achterwand bestaat uit per scène wisselende, reusachtige portretten van inwoners van hét Shukshin-dorp bij uitstek, Srotski, waar de regisseur en zijn (overwegend vrij jonge) toneelspelers naartoe zijn gegaan. Het is alsof ze de hartelijkheid en de open blik van de mensen daar (regisseur Hermanis: 'Warm, met een hart maat XXXL’) naar hun repetitielokaal mee hebben genomen en al twee jaar (zo lang staat de voorstelling op hun repertoire) naar het publiek verslepen.
En er is nóg iets opmerkelijks: zo eenvoudig als deze voorstelling lijkt ontworpen, zo ingenieus is het acteren. Er komt geen inleving aan te pas, het is in alles vormgeving, technisch beheerst en gecontroleerd, zonder één moment steriel te worden, ver weg van iedere neiging tot imponeren of routine. Het feestje wordt ter plekke voor je in elkaar geknutseld (ik zat op de eerste rij, heerlijk!), je ziet als het ware de lakrandjes en de schroeven en moeren nog zitten, mimiek en gestiek zijn volkomen authentiek en toch ben je je er ieder moment van bewust dat je naar 'kunstmensen’ zit te kijken. De 'ziel’ van het Russische acteren is nog altijd een raadsel voor me, maar ik snap weer een beetje beter waarom die grote pioniers, de eerste 'modernen’ in de geschiedenis van het (westerse) toneelspelen, juist Russen zijn geweest: ze konden (en kunnen) verbijsterend goed, geduldig en open kijken.