Hugo Claus

Tsjip, tsjip, tsjip

In ‘Een slaapwandeling’ is Hugo Claus onvermoeibaarder en levendiger dan ooit. Elke zin van de meester fonkelt.Hugo Claus, Een slaapwandeling. Uitg. Magazijn de Bijenkorf tgv De Literaire Boekenmaand, 73 blz.


De oude bard is niet dood, hij leeft. And yet the beauties that I loved/ Are in my memory, citeert hij Yeats als motto voor zijn sappige novelle Een slaapwandeling. Hugo Claus begint zijn verhaal zeer huiselijk in de keuken, waar de vrouw des huizes een maaltijd bereidt voor haar ouders die die avond te gast zullen zijn. Man komt thuis en verhaalt van twee hoogtepunten op zijn dag: een botsing met een demente fietser en het weerzien met een oude vriend. Vooral dat laatste is aanleiding voor hem ‘even te gaan liggen’, met een valiumtabletje achter de kiezen. Een hallucinerende halfslaap begint, waarin én voorvallen uit het verleden met die vriend worden opgehaald én opnieuw de reünie van vandaag wordt herkauwd. Waarop hij zich met een schok, klaarwakker, realiseert dat de vrouw die die middag aan hem werd voorgesteld door zijn vriend, de vrouw die hij aanvankelijk 38 jaar schatte maar toen ze begon te praten toch eerder veertig, de vrouw met het strak achterovergekamde haar, hautaine neus, smalle onderlip, holle wangen, jongensheupen, platte billen, de vrouw met de elegante loop, rechtop maar niet stram, met de bekende geur ook, die vrouw dus, dat zij twee jaar lang zijn grote liefde is geweest. ‘Laura. Voor wie ik mijn eerste vrouw heb verlaten, die ik achterna gereisd ben in Hongarije, in Noord-Afrika, voor wie ik zo vaak geknield heb, mijn gretige handen rond haar magere, blanke, aandoenlijke billen.’


Er was al iets raars gebeurd toen hij haar de hand had gedrukt. Zij praatte tegen hem, ‘dwingend met een mengsel van treurnis en verwondering’, en hij kon er geen woord van verstaan. Erger nog, hij werd doodsbang en kon zelf de woorden niet meer goed krijgen. ‘Nee, opa wil niet witten. Ik bedoel zitten.’ Alleen het laatste wat ze hem toevoegde, verstond hij: ‘Je bent altijd een klootzak geweest.’ Vlak ervoor, toen zij maar bleef kijken alsof hij haar pijn deed of had gedaan, had hij nog gestameld: ‘Het spreidt mij.’


Volgt een sprong uit bed, regenjas over pyjama, blote voeten in schoenen. Waar is Laura gebleven? De koortsachtige zoektocht brengt hem aanvankelijk op een verkeerd adres, en later in de bioscoop. De film die hij ziet wordt niet met name genoemd, maar uit de beschrijving wordt duidelijk dat het Kubricks laatste film moet zijn geweest, Eyes Wide Shut. Bij nader inzien heeft de belachelijke en wanhopige queeste van Claus’ personage Luc wel iets weg van de wezenloze droomachtige toestand waarin Tom Cruise in die film raakt verzeild. Zelfs komt hij, mét Laura en jeugdvriend, op een schimmige orgie terecht, die het schaamteloze hoogtepunt moest verbeelden bij Kubrick, en die bij Claus pas echt schunnig suggestieve proporties krijgt. Waar het uiteindelijk allemaal op uitdraait? Op een kotspartij van een kat en een hoop versprekingen. Op grote inzichten. Namelijk ‘dat wij overgeleverd zijn aan taal en toeval en dat dit herkennen het enige is dat ons rest’. En ‘dat de bewegingen van het lichaam zichtbaar zijn en die van de geest verborgen’. En ‘dat alleen willen weinig is, dat je om iets te bereiken moet begeren’.


Het is bijna vervreemdend, zo’n mooie novelle waarin elke zin fonkelt, zo achteloos uitgegeven met het keurmerk van een magazijn erop. Maar het komt wel erg mooi samen, het reguliere boekenweekgeschenk van Harry Mulisch, Het theater, de brief en de waarheid, en dit commerciële geschenk. Een van de gedachten die Mulisch vormgeeft in zijn novelle is dat het feit dat een droom niet na te vertellen is, duidt op een soort raadselachtig tussengebied. Alleen begenadigde schrijvers kunnen daarvan berichten, oftewel een eigen werkelijkheid scheppen waarin een andere logica geldt en de dingen misschien wel meer kloppen dan in het echte leven. In Claus’ novelle is het niet duidelijk wat nu droom is en ‘echt’, maar het doet er niet toe. De klepperende Mix-master, de heilige Rochus en de cigarillo met menthol gaan een zinderend organisch verband met elkaar aan, evenals de kordate Agnes met het schort voor en de ongrijpbare Laura in haar ‘frullerige’ ondergoed.


Claus en Mulisch creëren beiden op hun eigen wijze een nieuw universum, en blijken daarin onvermoeibaarder en levendiger dan ooit. Claus lyrisch, Mulisch zakelijk. Claus schrijvend, Mulisch denkend. Claus geestig, Mulisch ernstig. Claus boertig, Mulisch diepzinnig. Maar niemand anders dan Hugo Claus, behalve misschien Remco Campert, zou zo vitaal en dement tegelijkertijd een verhaal durven eindigen: ‘Mijn ziel stottert, mijn woorden niet meer. “Tsjip, tsjip, tsjip,” zeg ik. “Ik ben de kanarie die nieuwe neuronen gekregen heeft en veel nieuwe lieve liedjes zal kennen.”’ Graag nog veel nieuwe lieve liedjes, ja.