Joost Spijkers in hotel Spijkers © Jaap Reedijk

Een reiziger loopt een hotel binnen, kletsnat van de regen. Zijn kleren druipen en zelfs uit zijn schoenen komt water. De muzikanten zijn al binnen. In Hotel Spijkers maken we nader kennis met deze reiziger, een bohémien die het leven, de liefde en de dood bezingt.

Met een combinatie van chanson en balkanmuziek hebben Spijkers en zijn muzikanten in de afgelopen jaren een geheel eigen sound ontwikkeld. Deze eigenzinnige stijl is mede te danken aan de ijzersterke teksten van Peer Wittenbols, die ook nu weer tekent voor alle liedteksten. Voor zijn vorige voorstelling Spijkers II won Spijkers in 2018 – terecht – de Poelifinario in de categorie Kleinkunst, de prijs voor de meest indrukwekkende cabaretvoorstelling van het seizoen.

Hotel Spijkers is zoveel meer dan een theaterconcert omdat Spijkers zoveel meer is dan een zanger. Hij is een geweldige acteur en liedperformer: soms zacht en teder, soms bitter en hard, soms ronduit clownesk. Zoals in de Brel-klassieker Vesoul, door Wittenbols vertaald als Leerdam. Deze tirade van een man die wanhopig achter zijn rusteloze partner aan reist wordt hier theatraal versterkt doordat Spijkers (ook lid van de Ashton Brothers) zich tijdens het zingen probeert om te kleden en verstrikt raakt in de pijpen van zijn broek.

De geweldige muzikanten (Arno Bakker, Stanislav Mitrović, Arend Niks en Andreas Suntrop) bespelen een groot palet van instrumenten en dragen bij aan het theatrale karakter van deze bijna volledig doorgecomponeerde voorstelling. De muzikanten blijven niet op de achtergrond, maar staan om, naast, voor en achter de zanger en veranderen daarmee zelf in personages. Soms gaat Spijkers de interactie aan, bijvoorbeeld als hij pesterig een natte sok aan de trombone van Bakker hangt.

De voorstelling kent niet één rode draad, maar de liedjes creëren wel een associatieve lijn en kleuren het personage van Spijkers. Het gaat veel over rouw, zoals in het mooie Alle seizoenen: ‘Alles slijt, alles komt glad/ Als je alle seizoenen maar een keer hebt gehad.’ Spijkers heeft dit lied al langer op zijn repertoire en werd er in 2015 mee genomineerd voor de Annie M.G. Schmidtprijs. Hij vertolkt het prachtig, zittend op het (lege) hotelbed, waarna hij de dekens over zijn hoofd trekt.

De Balkan, waar Spijkers als kind vaak kwam, heeft zijn werk blijvend gevormd. Dat persoonlijke vóel je, maar toch blijft het gissen naar de persoon achter de zanger. Dat is een verdedigbare stijlkeuze, maar Spijkers blijft er wel mee op afstand. Ook in zijn geestige gesprekjes met het publiek blijft hij altijd in zijn rol.

Veel tijd om daarbij stil te staan is er gelukkig niet, want de liedjes volgen elkaar in hoog tempo op, tot aan het prachtige bijna-slotlied, het intieme In de tuin. Deze bitter-nostalgische jeugdherinnering aan een tuinfeest verklankt meest treffend het gevoel dat Spijkers in al zijn liedjes over het voetlicht brengt: een grote levensvreugde die altijd tegengekleurd wordt door het besef van een naderend einde, waarbij het feest een metafoor is voor het leven.

Joost Spijkers, Hotel Spijkers, 28 en 29 oktober, vervolg tournee vanaf januari. Gezien: 2 oktober, Zaantheater, Zaandam