Psychopaten met een bomgordel

Tuinkabouters verboden

De islam als excuus voor labiele psychopaten. De wraak van soennieten uit Irak. De boemerang van 1916. De bronnen van het huidige jihadisme zijn onuitputtelijk.

Medium hh 51683574

Proberen vat te krijgen op een probleem met meerdere dimensies, zonder in te zien dat een enkelvoudige benadering tot mislukken gedoemd is: dat is de reden dat de talloze debatten die volgden op de Parijse aanslagen van 13 november 2015 vaak zijn uitgelopen op een dialoog tussen doven. Dit geldt ook voor de overvloed van werken die sinds enige maanden verschijnen en die proberen het onderwerp af te bakenen: ieder daarvan heeft vanzelfsprekend de neiging het accent op een van de dimensies van het probleem te leggen, op het gevaar af de andere dimensies te veronachtzamen.

Onder deze omstandigheden is het ongetwijfeld beter diverse werken te raadplegen als je wilt proberen de keten van oorzaken en gevolgen te doorgronden, van toevallige gebeurtenissen die tot onvoorspelbare gevolgen hebben geleid, en van weloverwogen strategieën en toevalligheden die ons naar de huidige toestand hebben gevoerd: die van een meervoudige, asymmetrische oorlog die plotseling de kop kan opsteken in het centrum van een Europese hoofdstad waarvan je dacht dat daar de vrede heerste.

In de eerste plaats is er het raadsel van de jongeren met Franse namen en voornamen, geboren in Bretagne of in de buurt van Montpellier, die je in Syrië of Irak kunt terugvinden. Ze maken zich daar schuldig aan gruwelijke wreedheden. Ze zijn ‘bekeerd’ tot de islam, zeggen ze, of beter gezegd, tot het jihadisme. Waarom? Het gaat om persoonlijke levensverhalen, ze zijn dus moeilijk te generaliseren en je moet ze geval voor geval behandelen, maar je kunt – om wille van de analyse – toch proberen ze in hun totaliteit te begrijpen. Dat is wat Olivier Roy doet in zijn boekje La peur de l’islam (De angst voor de islam). Het gaat feitelijk om een reeks artikelen die zeer opportuun door een redacteur bijeen zijn gebracht, in verband met de actualiteit, en het bevat dus ook een paar herhalingen, maar de voornaamste stelling wordt helder verwoord en onderbouwd: de radicalisering gaat aan de bekering vooraf. De islam is in wezen niets anders dan een excuus. Er zijn rebellen die op zoek zijn naar een radicale zaak, welke dan ook, en er zijn fragiele onevenwichtigen of makkelijk beïnvloedbaren en psychopaten (je denkt dan aan degenen die niet lijken te worden gedeerd door het onthoofden van een mens).

Je kunt aan deze stelling wel enige conclusies ontlenen. In de eerste plaats heeft het geen zin je op de religieuze kwestie te richten. Het heeft geen zin tegen deze stompzinnigen te zeggen dat er ook een pacifistische en apolitieke islam is, en het heeft evenmin zin te proberen ze in de richting van het soefisme te bewegen, of van de softe religieuze praktijk van de meerderheid der moslims. In laatste instantie is hun zaak een zaak van de psychiatrie, of van politie en justitie, binnen de kaders van de huidige wetgeving.

Aan de kant van de bekeerden bevinden zich vrij veel jongeren die geboren zijn in islamitische families, maar die tegenover de ‘gezapige’ islam van hun ouders een ‘ware” islam willen stellen, een religie van de strijd: het jihadistische salafisme. Dit spoor treffen we aan bij zowel Roy als Gilles Kepel, maar het is laatstgenoemde die er de meest zorgvuldige en best gedocumenteerde studie aan wijdt, in Terreur dans l’hexagone (Terreur in de zeshoek). Alleen al in 2015 hebben zich bijna duizend van deze jongeren bij IS aangesloten. Ruim honderd vonden er de dood.

Deze jihadisten sluiten zich aan bij een strijd die is begonnen om andere redenen dan het salafistische internationalisme, en die in één zin kan worden samengevat: de wraak van de Iraakse – en in mindere mate de Syrische – soennieten. Die wraak komt van heel ver en om die werkelijk te kunnen begrijpen is er het heldere, beknopte boekje van Pierre-Jean Luizard, Le piège Daech.

De ondertitel van het boek van Kepel onthult de ambitie ervan: het beoogt het ontstaan van de Franse jihad te verklaren. Om dit te doen ontrolt de auteur heel nauwgezet de chronologie der gebeurtenissen. Hij aarzelt niet om daarvoor helemaal terug te gaan naar ‘de mars van de Beurs’ die in december 1983 plaatsvond. Aan de toenmalige president van Frankrijk, François Mitterrand, werden destijds door immigrantenjongeren politieke en sociale eisen gepresenteerd. De sluwe Mitterrand wist de beweging in te kapselen en de verwatering van de specifieke eisen van de deelnemers aan de mars te bewerkstelligen, in de vorm van een breder antiracisme, onder auspiciën van de kleine gele hand van ‘SOS Racisme’. Van economische en sociale integratie is helemaal geen sprake meer.

De gevolgen van deze gemiste kans zijn desastreus. Een hele generatie zou opgroeien met een onveranderd gevoel van marginalisering en frustratie. Twintig jaar later, in 2005, doen zich de beruchte rellen in Clichy-sous-Bois voor. Tussen deze ‘vreselijke rellen’ van het najaar van 2005 en de aanslagen van 2015 verstrijkt een cruciaal decennium, waarin binnen de Franse samenleving gevaarlijke zwakke plekken zullen verschijnen, die zullen veranderen in gapende wonden. De inzet hiervan is wat Kepel de jongeren noemt ‘die zijn voortgekomen uit de postkoloniale immigratie’.

Anders dan de voorgaande generatie, die van hun ouders, weigert deze generatie de berusting en de somberheid te aanvaarden die gepaard gaan met de economische, sociale en politieke marginalisering. Integendeel: de marginalisering heeft een opwelling van trots en verzet teweeggebracht, waardoor deze generatie in de ban is gekomen van salafistische predikers, die – in levenden lijve of via het internet – de ‘integrale islam’ verkondigden. Van daar is het maar een kleine stap naar het opgaan in de ‘jihadosfeer’ die het ongelovige Westen wil verwoesten – des te meer als de machtstoename van het Front National de polarisering van de samenleving onderstreept. Het geweld, symbolisch of reëel, is aan de orde van de dag. Je hebt soms de indruk dat er een burgeroorlog op uitbarsten staat – en de theoretici van de burgeroorlog, zoals de Syrisch-Spaanse Aboe Moesab al-Soeri, doen hun best om op het onvermijdelijke en zelfs wenselijke karakter hiervan te wijzen.

Tussen de regels door kun je bij Kepel een vernietigende kritiek lezen op het beleid van François Hollande na 2012. Hij werd in dat jaar deels verkozen dankzij de ‘islamitische stem’. Hoe heeft hij in zo korte tijd een goed deel van die jongeren van zich weten te vervreemden? Zijn pro-Israëlische vooringenomenheid, zijn onverschilligheid jegens de Arabische wereld, zijn gebrek aan historische visie – al die factoren vormen ongetwijfeld een deel van het antwoord.

De analyses van Kepel zijn dikwijls overtuigend, vooral als hij wijst op het belang van een generatiewisseling binnen de Franse islam, of als hij aan de hand van symbolische personages laat zien hoe de ideologie van het jihadisme transformeert binnen de sociale netwerken. Er zijn zeker overeenkomsten met Olivier Roy, ook al is zijn aanpak anders. Ook Kepel merkt bijvoorbeeld op dat de radicalisering vaak vooraf gaat aan de bekering: ‘Het voorbeeld van Artigat (zie hieronder – fl) duidt er in het bijzonder op hoe het salafistische model is samengekomen met de eis voor radicale verandering, die vroeger door alternatief links en de hippies werd uitgedragen.’ En als hij schrijft: ‘De these van de opkomst van een gestructureerde en homogene islamitische stem, op basis van een religieus en communautair gevoel, kan de analyse van de uitslagen niet doorstaan’, denk je Roy te beluisteren, waarschijnlijk tot ongenoegen van beide denkers, die het vaak met elkaar oneens zijn.

Je kunt Kepel verwijten dat hij zijn analyse te veel ‘personaliseert’, dat hij te veel belang hecht aan een paar individuen, zoals de al genoemde Aboe Moesab al-Soeri, maar ook de vreselijke Abdoelilah al-Dandachi, een Syrisch-islamistische prediker, ‘die tot Fransman is genaturaliseerd onder de merkwaardig christelijke naam Olivier Corel’, of de verontrustende, uit Nice afkomstige Senegalees Omar Omsen, ‘cyber-imam’ en overvaller in zijn verloren uurtjes, die in juli 2015 in de strijd bij Aleppo is gesneuveld, enzovoort. Dat zou onterecht zijn, want de beschrijving van deze soms verbazingwekkende levenslopen helpt bij het beter begrijpen van de manier waarop de radicalisering in zijn werk gaat. De rol van de zestienhonderd pagina’s van Appel à la résistance islamique mondiale (Oproep tot mondiaal islamitisch verzet), die in januari 2005 online werden gezet door al-Soeri en nauwgezet worden gefileerd door Kepel, is ongetwijfeld van beslissende betekenis geweest.

En dit boek, rijk aan biografische terzijdes, kan gelezen worden als een politieroman, ja zelfs een streekroman als het gaat over Dandachi-Corel en zijn koddige woon-werkgemeenschap van Artigat in de Ariège, waar het verboden is tuinkabouters te maken ‘die voor afgodsbeelden kunnen worden aangezien’. Je moet er bijna om lachen, maar dat lachen vergaat je al snel als je denkt aan wat dit alles aan gruwelijkheden heeft voortgebracht, van Raqqa tot in Parijs.

Ten slotte is er het derde spoor, van de historische achtergrond, die de twintigste eeuw en een groot geografisch gebied omvat. Luizard neemt ons mee op een magistrale historische expeditie in zijn Le piège Daech (De valstrik Daesh), waarvan de ondertitel, L’État Islamique ou le retour de l’Histoire (Islamitische Staat of de terugkeer van de Geschiedenis) zijn these openbaart.

In plaats van een dwaasheid uit een ander tijdperk, een aberratie of een onverklaarbaar anachronisme, is het uitroepen van Islamitische Staat het resultaat van het verval van de staten in deze regio, met name Irak en Syrië. Maar wat zijn dan de oorzaken van dit verval? Je bent geneigd te denken aan de verwoesting van Irak door George Bush in 2003 en de Arabische lente van 2011. Maar Luizard, een groot specialist als het om deze regio gaat, wijst erop dat er andere mechanismen aan het werk zijn geweest, al minstens een eeuw. Er zijn regionale en mondiale factoren in het spel, evenals sociale, politieke en religieuze feiten, die ieder abrupt oordeel onmogelijk maken: ‘De strijders van Islamitische Staat, in januari in Fallujah en in juni in Tikrit, Mosul en elders, worden door een groot deel van de plaatselijke bevolking als een bevrijdingsleger gezien.’

Hebben we nu te maken met een terroristische organisatie of met het embryonale stadium van een echte staat? Luizard wijst vooral op de verantwoordelijkheid van Europa voor de loop der gebeurtenissen, vooral op Frankrijk en Engeland, met de stilzwijgende steun van andere machten als Italië en Rusland. In het in 1916 gesloten akkoord van Sykes-Picot werden de grenzen in het Midden-Oosten opnieuw getrokken, waarbij de beloften die tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Britten aan de Arabieren waren gedaan met voeten werden getreden. Dit hoofdstuk heet logischerwijs ‘Van Sykes-Picot tot Yaaroubia: De terugkeer van de geschiedenis’ en zou verplichte lectuur moeten zijn voor iedere deelnemer aan dit ingewikkelde debat.

Ouderwetsigheden? Anachronismen? Het volstaat deze zin te lezen als je wijzer wilt worden: ‘Het Britse India Office [in Londen] ziet met lede ogen aan hoe McMahon niet alleen de pan-Arabische, maar ook de islamitische ambities van de Sjarief van Mekka aanwakkert, en wil absoluut niets weten van een kalifaat.’ Zei u kalifaat?

Wij zijn vandaag in de ‘val van IS’ gelopen, volgens deze auteur. Het is ongetwijfeld fout als je de geschiedenis niet kent, en vooral als je die van de overwinnaars niet kent. Islamitische Staat is de wraak van de overwonnenen, die ‘hun droom geofferd hebben zien worden op het cynische altaar van de geallieerde machten’, evenals de hoop van de soennieten om weer mee te mogen tellen en de grenzen die in het zand zijn getrokken door ambtenaren en politici uit verre landen, uit Parijs en Londen, uit te kunnen wissen. Dan ben je een aardig eind verwijderd van Britse of Vlaamse psychopaten die andere mensen gaan onthoofden of levend verbranden, in het verre land van Cham, onder het voorwendsel van ‘bekering tot de islam’.


Fouad Laroui is schrijver en docent Franse letterkunde aan de UvA. Hij publiceerde onder meer Over het jihadisme (2014)

Vertaling: Menno Grootveld

- Terreur dans l’hexagone: Genèse du djihad français - Gilles Kepel

Gallimard, 352 blz., € 21,-

- Le piège Daech: L’État Islamique ou le retour d’Histoire - Pierre-Jean Luizard

La Découverte, 100 blz., € 12,99

- La peur de l’islam - Olivier Roy

Éditions de l’Aube, 94 blz., € 11,-

‘De strijders van IS worden door een groot deel van de plaatselijke bevolking als een bevrijdingsleger gezien’

Beeld: Parijs, 15 november 2015. Mensen verzamelen zich twee dagen na de aanslagen in Parijs bij restaurant Le Carillon. (Peter de Jong / HH)