Tunesië begraaft de onbekende vluchteling

Zarzis – Aan niets is te zien dat op dit braakliggende terrein in het zuiden van Tunesië honderden mensen begraven liggen. Allen zijn verdronken toen ze probeerden de Middellandse Zee over te steken. De graven worden niet gemarkeerd en niemand weet hoeveel mensen hier liggen. Chemseddine Marzoug schat dat hij in de afgelopen zes jaar bij de begrafenis van ruim tweehonderd mensen is geweest. Wanneer een lichaam aanspoelt – vaak is alleen nog een skelet over – krijgt hij direct een telefoontje.

De 51-jarige visser en taxichauffeur is vrijwilliger voor de Rode Halvemaan. Hij wijst op een zandheuveltje tussen de struiken en afval. ‘Een Afrikaanse vrouw van in de dertig.’ En een paar passen verder: ‘Een man zonder hoofd.’ Identificatiepapieren worden zelden gevonden.

Afgelopen jaar zijn tussen Libië en Italië, het gevaarlijkste oversteekpunt wereldwijd, 4410 mensen verdronken, volgens de International Organization for Migration. De meeste lichamen worden nooit gevonden. Ook Tunesiërs wagen zich regelmatig aan de oversteek. Vooral in de jaren na de revolutie in 2011 vertrokken duizenden jongeren, waaronder Anis Amri die de aanslag op de kerstmarkt in Berlijn pleegde.

Eerst werden lichamen die hier aanspoelen op de algemene begraafplaats in de stad Zarzis begraven, maar toen hun aantal steeg, begonnen de lokale bewoners te protesteren en werd een apart terrein buiten de stad aangewezen. Marzoug: ‘Ze zouden geen moslims of gelovigen zijn, maar zijn we niet allemaal mensen?’

Al jaren probeert hij fondsen te krijgen om een archief met dna -bank aan te leggen, om ‘eervollere’ begrafenissen te kunnen organiseren en de begraafplaats toonbaarder te maken. ‘Ziet het er niet verschrikkelijk uit?’ Hij hoopt op hulp uit het buitenland. ‘Het is moeilijk om geld van Tunesiërs te krijgen in de huidige crisis.’

Voor familieleden die naar Zarzis komen op zoek naar geliefden kan nu weinig gedaan worden, vertelt dokter Mongi Slim. Een Syriër die gered was in Italië stuurde hem vorige maand een mailtje met foto’s van zijn vrouw en dochter. ‘Natuurlijk herkende ik ze niet.’

‘Je moet een sterk hart voor dit werk hebben’, merkt Marzoug op. ‘Sommige dingen kan ik niet vergeten, zoals de vrouw met kind van twee jaar aan haar lichaam vastgebonden.’ Hij zucht. ‘Deze mensen hadden dromen zoals jij en ik. Ze hadden de pech dat ze moesten vluchten voor armoede of oorlog. Hun families wachten misschien nog steeds op een kaartje of geld.’