Tunesië komt weer in opstand

Tunis – ‘Ik weet dat veel Tunesiërs de revolutie vervloeken’, zegt Mabrouka Khedir. ‘Maar ik adem dagelijks de geur van vrijheid.’ De Tunesische televisiejournaliste is net terug uit Sidi Bouzid – het provinciestadje dat zeven jaar geleden het centrum van het wereldnieuws werd. Hier begon eind 2010 de Jasmijnrevolutie, toen een straatverkoper zichzelf in brand stak. Als een van de eerste journalisten was Khedir in Sidi Bouzid om de volksopstand vast te leggen. Met gevaar voor eigen leven – het ministerie had journalisten de toegang verboden, de stad zat vol sluipschutters en demonstranten bekogelden haar auto uit vrees dat ze van de veiligheidsdienst was.

Regelmatig reist ze naar de regio om verslag te doen van de ontwikkelingen sinds de revolutie. Vraag haar om een terugblik, en je krijgt twee verhalen. Het eerste is dat van euforie. Van hoe ze die 14de januari 2011, als dictator Ben Ali het land uit is gevlucht, voor het eerst een collega belt zonder bang te zijn: ‘Sinds de revolutie kan ik mijn camera opstellen waar ik wil. Ik word niet meer door de politie gevolgd als ik bij een mensenrechtenactivist vandaan kom. Geheugenkaartjes hoef ik niet langer in mijn ondergoed naar kantoor te smokkelen.’

Maar in Sidi Bouzid verlangen inmiddels veel mensen terug naar het regime van Ben Ali, weet Khedir: ‘Voor hen is er weinig veranderd.’ De werkloosheid is gigantisch – landelijk schommelt die rond vijftien procent, in Sidi Bouzid ontstijgt die de dertig procent. De corruptie is endemisch, de criminaliteit hoog. De protestslogans bij de demonstraties die deze week weer opvlamden – voor werk en waardigheid – zijn na zeven jaar nog steeds dezelfde.

Kedhir snapt de jongeren die nu in opstand komen: ‘Ze hebben gelijk. Hier zijn geen kansen, en de overheid doet er niets aan om die te creëren.’ Maar ook in de hoofden van de demonstranten moet er wat veranderen, vindt ze: ‘Je kunt niet in een koffiehuis blijven zitten klagen dat er niets voor je wordt gedaan. Vroeger kon men thuis wachten tot de overheid per brief een baan kwam aanbieden. Dat is veranderd, maar de mentaliteit is hetzelfde gebleven. Het is tijd voor een revolutie in onze hoofden.’ De jongeren moeten zelf aan de slag: ‘In een democratie moet je initiatief nemen en hard werken om zelf het land vooruit te brengen. De revolutie heeft ons vrijheid gegeven, nu moeten we verantwoordelijkheid nemen.’