Tung chee-hwa

Als Hongkong komende week overgaat in Chinese handen, komt het stadsbestuur onder leiding te staan van Tung Chee-hwa. Zullen de burgers van Hongkong volgend jaar even massaal het drama van het Tiananmenplein herdenken als dit jaar?
Carl M. Davies is freelance journalist te Taiwan
Aanstaande maandagavond, luttele minuten voor middernacht, wordt de Union Jack in Hongkong voor het laatst gestreken. Hij wordt vervangen door de hongchi, de rode vlag van de Chinese Volksrepubliek. Terwijl Christopher Patten, de laatste ‘onderkoning’ van het Britse rijk, in gezelschap van koningin Elisabeth aan boord van de Brittannia koers zet naar Londen, valt het stadsbestuur toe aan de uitverkorene van Peking, de scheepsmagnaat Tung Chee-hwa.

De zestigjarige Tung is niet voorbereid op een leven in de schijnwerpers. Hij groeide op in de beslotenheid van de familierederij; eerst mocht hij zijn vader niet tegenspreken en nu hij zelf aan het hoofd staat, is er niemand die hem tegenspreekt. Hij zal moeilijk kunnen wennen aan de vrijgevochten sfeer in het ambtenarenkorps van Hongkong. Toch is hij geen onaangenaam mens. Hij heeft iets van een lachende boeddha of van een joviale oom die je net op tijd behoedt voor een vaderlijk pak rammel. Het is nauwelijks voorstelbaar dat deze beminnelijke man de belangen van één van ’s werelds meest repressieve regeringen behartigt.
Maar Tung wordt niet op zijn stralende glimlach beoordeeld. Heel Hongkong weet dat de Chinese regering zijn rederij in de jaren tachtig met een forse lening van de ondergang redde. Sedert zijn benoeming in december vorig jaar is elk woord uit zijn mond op een goudschaaltje gewogen. Zelfs aan zijn voornaam - Chee-hwa betekent ‘China opbouwen’ - werd een bijzondere betekenis toegekend. Is hij ondanks zijn vaderlijke imago niet meer dan een zetbaas van Peking?
DE EERSTE twijfels rezen in februari, toen Tung een frontale aanval deed op de kleine maar luidruchtige democratische beweging in Hongkong. Hij verweet Martin Lee, de belangrijkste voorvechter van de democraten, dat hij Hongkong op zijn spreekbeurten in het Westen 'zwart maakte’. Hij sprak daarentegen zijn bewondering uit voor de paternalistische stijl van Lee Kuan Yew, de sterke man van Singapore, en verklaarde dat hij als gouverneur in de eerste plaats de 'Aziatische waarden’ zou verdedigen. Daarmee worden doorgaans de vuistregels van het confucianisme bedoeld: gehoorzaamheid aan de ouders, respect voor de consensus en het plaatsen van het gemeenschappelijk belang boven dat van het individu. 'Kletskoek’, schreef Patten met de van hem bekende openhartigheid in zijn vaste krantencolumn: 'Er bestaan in Azië zoveel regionale verschillen dat van een gemeenschappelijk waardensysteem geen sprake kan zijn.’
Maar de toon was gezet. Door een beroep te doen op 'Aziatische waarden’ liet Tung doorschemeren dat hij Lee beschouwt als een verrader van zijn ras. De boodschap is duidelijk: Hongkong is een 'Chinese aangelegenheid’ en Tung eist, net als Peking, dat alle Chinezen loyaal zijn aan hun cosa nostra. Lee verkondigde daarop dat hij alvast ging oefenen in het overleven op water en brood, omdat hij vreesde na de overdracht bij de eerste de beste gelegenheid te worden gearresteerd. Een getergde Tung repliceerde dat er na 1 juli geen 'martelaren van de democratie’ zullen zijn; zolang hij de scepter zwaait, zal er geen nieuw 'Tiananmen’ plaatsvinden. Die belofte heeft menigeen gerustgesteld. Een beschaafd man als Tung zal zich niet verlagen tot dezelfde schurkenstreken als Peking, zo redeneren de meeste inwoners. Het neemt niet weg dat Patten volgens de opiniepeilingen een stuk populairder blijft dan Tung.
De Chinezen zijn echter niet uit op de populariteitsprijs, maar op de rijkdommen en handelscontacten van de stad. Zij hebben toegezegd dat Hongkong een hoge mate van autonomie behoudt en dat het de komende vijftig jaar kapitalistisch mag blijven. Tung heeft in dit kader een duidelijke opdracht: het voorkomen van luan, de Chinese term voor 'wanorde’. Menige Chinese keizer heeft door luan zijn Hemelse Mandaat verloren en het voorkomen van bestuurlijke chaos is een van de oudste beginselen van de Chinese staatkunde. Waartoe de angst voor chaos kan leiden, bleek uit de bloedige afloop van de demonstraties op het Tiananmenplein in 1989.
Peking koestert weinig illusies omtrent de volgzaamheid van Hongkong. Het enthousiasme waarmee de nieuwe burgerrechten en de recent door de Britten toegestane democratisering werden begroet, zegt genoeg. Volgens Peking zijn deze hervormingen in strijd met de Gezamenlijke Verklaring van 1984, waarin de overdracht werd geregeld. Ze zijn echter moeilijk zomaar van tafel te vegen. Het was Hongkong dat in 1989 het geld bijeenbracht waardoor de studenten op het Tiananmenplein hun demonstratie konden volhouden. En als historische voorloper mag Soen Yat-sen, de stichter van de Republiek, niet onvermeld blijven: ook hij vergaarde in Hongkong de fondsen waarmee hij in 1911 de Mandsjoe-dynastie omverwierp. In Chinese ogen is Hongkong altijd een broeinest van subversieve activiteiten geweest.
Aan Tung de opgave om een politieke tolerantiedrempel te vinden die voor Peking aanvaardbaar en voor de plaatselijke bevolking leefbaar is. Met dat doel heeft hij al 26 wetten geamendeerd, waaronder de Wet op het Verenigingsrecht en de Wet op de Openbare Orde, die beide uit de vorige eeuw stammen maar sinds 1989 waren versoepeld. Zo wordt de stad geleidelijk in het Chinese keurslijf geregen. Na 1 juli is het politieke partijen verboden om schenkingen van buiten de stad aan te nemen, uitgezonderd die uit China zelf. Alle partijen worden onderworpen aan een vergaande controle, waarbij Peking als inspecteur optreedt. Het is de vraag of de voor 1998 aangekondigde verkiezing van een stadsparlement onder die omstandigheden door kan gaan.
Tungs tweede opgave is het behoud van de economische macht van Hongkong. Als topindustrieel met levenslange ervaring in de Aziatische zakenwereld moet hij daartoe in staat worden geacht, mits Peking hem niet dwarsboomt. Hij wil in elk geval vasthouden aan het fameuze level playing field voor Chinese en buitenlandse bedrijven, waardoor de corruptie in de kroonkolonie drastisch is teruggedrongen. Hij heeft alvast het vertrouwen van buitenlandse investeerders gewonnen door aan te kondigen dat mevrouw Anson Chan, de 'ijzeren dame’ onder de bestuursambtenaren, na 1 juli in functie blijft. Toch zal ook Tung geen eind kunnen maken aan het nepotisme en de ondoorzichtige banden tussen politiek en bedrijfsleven die de stad altijd hebben gekenmerkt.
IN HONGKONG draait alles om guanxi oftewel 'connecties’. Niet alleen op het vasteland, maar in de hele Chinese diaspora gelden strenge regels voor het uitwisselen van gunsten en het nakomen van verplichtingen. Wie een invloedrijke positie bezet, maakt onvermijdelijk deel uit van een fijnvertakt en voor de buitenwereld ontoegankelijk netwerk van contacten. Tung beschikt over veel guanxi, al kan hij ze waarschijnlijk niet gebruiken om er zelf beter van te worden. Het ligt meer voor de hand dat anderen zullen proberen om hem te verstrikken in hun deals en om misbruik te maken van zijn positie. Tung is nu al, zoals een commentator vaststelde, 'omgeven door een haag van adviseurs, zodat zijn eigen wetgeving straks wellicht plaatsmaakt voor de wetgeving van zijn entourage’. En waar Tung, zoals gezegd, financieel schatplichtig is aan Peking, kan hij op zijn beurt worden gepasseerd door zakenlieden en politici met eigen contacten op het vasteland. De media zullen daar in elk geval geen stokje voor steken, want die hebben zich al ruim voor 1 juli door zelfcensuur monddood gemaakt.
OVER DE TOEKOMST van Hongkong onder Tung kan maar één ding met zekerheid worden gezegd: hij zal de burgerrechten zo min mogelijk inperken. Hij weet dat Peking het economische potentieel van de stad nodig heeft en dat de welvaart van de inwoners, althans in westerse ogen, onlosmakelijk verbonden is met hun vrijheid. In het uiterste geval zal hij de eer aan zichzelf houden en aftreden. En misschien hoeft hij er alleen maar mee te dreigen, want zo'n stap zou een enorm gezichtsverlies voor Peking betekenen.