Tunnels en wolkenkrabbers

EEN PROBATE manier voor een schrijver om een totaal mislukt boek te schrijven is door vastberaden een veel te grote stap te zetten. Bij de eerste woorden die hij op papier zet, is de verleiding namelijk groot om te beginnen aan een boek over alles en de hele wereld. Over liefde en haat dus, en over mannen en vrouwen en rijkdom en armoe, over blank en zwart, over tunnels en wolkenkrabbers, en schuld en boete niet te vergeten.

Anderzijds moet een schrijver die de stap van een nieuw boek wil wagen iemand zijn die weet dat ‘alleen dingen waaraan je kapot kan gaan, het proberen waard zijn’. Iemand als de ondernemer Alfred Ely Beach bijvoorbeeld, de eerste die bedacht, rond 1860, dat het slimmer was om treinen ondergronds te laten rijden dan bovengronds. Het toenmalig stadsbestuur van New York weigerde hem een vergunning te geven om een tunnel onder Broadway te graven. Daarom huurde hij een stel arbeiders die in het geheim begonnen te graven. Het verhaal gaat: 'Ze maakten er fresco’s en wandtegels en allerlei mooie schilderijen in en bouwden de mooiste tunnel die je ooit gezien hebt. (…) En die ouwe Alfred Ely Beach besloot dat er een vleugel moest komen om de klanten welkom te heten.’
Degene die het verhaal over ouwe Alfred Ely Beach vertelt, is Nathan Walker, de zwarte hoofdpersoon uit Colum McCanns nieuwste roman Het verre licht. Walker is een tunnelgraver, een van de mannen die in 1916 onder het water van de East River door kropen en een tunnel uit de modder groeven waar nu nog steeds metrotreinen doorheen rijden. Elke ochtend laten ze zich opsluiten in de drukkamer waar de lucht rond hun lichaam wordt samengeperst tot vierenhalve pond per vierkante centimeter en waar de temperatuur oploopt tot ondraaglijke hoogte. Daarna begeven ze zich naar een 'kamertje aan het eind van de wereld’ een kleine ruimte buiten de bescherming van het Greathead-schild, de laatste veiligheidsvoorziening, en beginnen te graven. Tussen hen en de riviergrond is verder niets. Ze realiseren zich dat ze elk moment bedolven kunnen worden door een lawine van modder en water, dat ze kunnen verdrinken met 'onbekende vissen en vreemde stenen in hun buik’.
Als de wereld vergaat, is het altijd op een onverwachte manier, zo ook nu: niet door een instorting of een lawine, maar door een blow-out, een gat in de tunnel waardoor de lucht ontsnapt. Vier man worden meegesleurd, dwars door de rivierbodem, langs 'gezonken Hollandse schepen, pijlpunten en mannen met cementblokken aan hun voeten’, en nog verder, omhoog door de rivier, beschermd door de luchtbel om hen heen. Drie man worden in de rivier gespuugd door een enorme bruine geiser, één man blijft achter in de modder, Nathans grote Ierse vriend, Con O'Leary. Zijn lichaam wordt nooit gevonden, maar de rest van zijn leven rijdt Nathan regelmatig langs in de voltooide metro om hem te groeten. Soms koopt hij de chauffeur om en laat hij de trein in de tunnel stoppen, zodat hij de man die ergens boven hen in de modder vastzit de honkbaluitslagen kan voorlezen.
Zeventien jaar later trouwt hij Eleanor, de dochter van zijn dode Ierse vriend. Zij is blank. Ze gaan in Harlem wonen en worden onthaald op bakstenen door het slaapkamerraam. Walker betaalt de schade en huurt een hoger gelegen woning.
Hier al is duidelijk dat Colum McCann, de jongste van een groep succesvolle Ierse schrijvers van het moment (naast bijvoorbeeld Roddy Doyle, Dermot Bolger, Colm Toibin en Joseph O'Connor) de grote stap moeiteloos heeft genomen. We zijn pas op een derde van het boek en de wereld die hij heeft geschapen is al compleet, met liefde en haat, mannen en vrouwen, blank en zwart en veel meer, zoals de zelfbeheersing die je moet hebben als je zwart bent en een blanke vrouw hebt en je over straat loopt en 'hun ogen door je heen snijden’, 'het gevoel dat ze je aan mootjes hebben gehakt’. En tegenover die zelfbeheersing staat de razernij waarmee Maura O'Leary sterft, de moeder van zijn vrouw en de oma van zijn kind, razernij omdat de zusters hem niet willen toelaten aan haar ziekenhuisbed, want 'een neger aan het sterfbed van een blanke vrouw is voor hen ondenkbaar’, en daarom sterft Maura O'Leary 'met een gefluisterde vervloeking van de zusters op haar lippen’.
DAN DOET McCann iets onbegrijpelijk gewaagds. Hij is midden in zijn verhaal, hij heeft een aantal prachtige karakters geschapen en de lezer wil niets liever dan dat hij doorgaat met dit verhaal, maar McCann neemt voor de tweede keer een enorme stap.
Hij begint te vertellen over een tweede wereld, die van vijfenzeventig jaar later, als er mensen in de tunnels wonen. Mensen is een te groot woord: het is menselijk wrakhout, aangespoeld uit de goten en stegen van de grote stad. Een van hen, de tweede hoofdpersoon in Het verre licht, heet Boomkikker. Die bijnaam heeft hij gekregen in de tijd dat hij nog aan wolkenkrabbers werkte en zonder vrees over de hoogste balken liep. Nu schuilt hij in een hol in de duisternis, overdekt met zelf ingebrande littekens, kaarten tekenend van zijn omgeving zodat God hem kan vinden. Hij slaapt tussen de maden en de rattekeutels. Het is soms zo koud dat de pis in de flessen bij zijn bed is bevroren als hij wakker wordt.
Hoewel je je nog steeds afvraagt hoe het verder zal gaan met Nathan Walker, zijn vrouw en zijn zoon, raak je ook verstrikt in de geschiedenis van Boomkikker, alleen al omdat dat een wereld is waar je niets van wist, waar voor het eerst over geschreven wordt. De vraag waarom een schrijver niet één maar twéé werelden schept in zijn boek, en of dat wel goed gaat, verdwijnt naar de achtergrond als je leert over de stommiteit van bovengrondse zwervers, die hun geld onder de binnenzolen van hun schoenen bewaren, en over de angst in de ogen van de metroforenzen als Boomkikker langsloopt en ze hem ruiken.
Dan beginnen de verhalen van Nathan Walker en Boomkikker in elkaar over te vloeien. Ik zal niet vertellen hoe, maar ze raken met elkaar verstrikt als de rails op een spoorwegemplacement, en dan begrijp je dat de wereld niet zo overzichtelijk in elkaar zit als je verkoos te denken, dat er niet een of twee maar miljoenen werelden zijn, losjes bijeengehouden door de lijnen van de tijd. Het is het verhaal van onze wereld, hoe de ene mens overgaat in de andere en hoe wij zijn voortgekomen uit de werelden achter ons.
Zelden lees je boeken waar dat zo overdonderend in wordt beschreven, maar er zijn dan ook maar weinig schrijvers die zulke enorme stappen kunnen nemen als Colum McCann.