De Armeense genocide (3) - De nasleep

‘Turken liegen niet’

De dood van achthonderdduizend Armeniërs in 1915 een volkerenmoord noemen blijft taboe in Turkije. ‘Ze hebben er zelf om gevraagd, zo erg was het nou ook weer niet.’ Het taboe komt voort uit de traumatische teloorgang van het Ottomaanse Rijk.

Medium ag3

Aan de noordelijke uitlopers van de Ararat, pal onder Jerevan, de hoofdstad van de republiek Armenië, ligt Igdır. In Igdır staat een genocidemonument. Ik wil ernaartoe vanuit Kars, waar Sneeuw van Orhan Pamuk zich afspeelt. Naar aanleiding van die roman werd Pamuk door een Zwitserse krant geïnterviewd. Op een vraag over vrijheid van meningsuiting in Turkije sprak hij over ‘een miljoen Armeniërs en dertigduizend Koerden’ die in Turkije waren vermoord. Hij kreeg doodsbedreigingen en werd na een lang slepend proces door een Turkse rechtbank veroordeeld tot een boete van zesduizend Turkse lira (ongeveer drieduizend euro) wegens het ‘belasteren van de Turkse identiteit’.

Het is moeilijk om de taxichauffeur te zeggen dat hij mij naar Igdır moet rijden. Igdır laat zich niet uitspreken door een niet-Turkse tong. De naam bestaat uit twee i’s zonder de puntjes. De ı is een letter in het Turkse alfabet die als een geruisloos windje wordt uitgeblazen. De g is er niet om uit te spreken maar om de voorgaande klinker te verlengen. In dit geval is het dus een langere zucht, gevolgd door een korte zucht en daartussen moet je een echte d en een echte r zien uit te spreken. Ik schrijf het voor de taxichauffeur op en we gaan op weg. De somberte, de koude en de mist van Kars, die ook de hoofdpersoon van Sneeuw omsloten, reizen met mij mee naar de zucht uit de keel die Igdır is.

Niet lang nadat aan Pamuk de Nobelprijs voor de literatuur werd toegekend, liet de toenmalige burgemeester van Kars het Monument van de Menselijkheid neerzetten, een dertig meter hoog kunstwerk van twee op elkaar toe lopende menselijke figuren. Het moest vanuit Armenië te zien zijn en stelde de verbroedering van het Armeense en Turkse volk voor. Een vredessymbool, een uitgestoken hand naar het buurland, waar je vanuit Turkije niet kunt komen omdat de grens al meer dan twintig jaar gesloten is. De reusachtige vredeshanden lagen rond het beeld verspreid.

Tayyip Erdogan zag het beeld tijdens een bezoek aan Kars en vond het ‘een misbaksel’. Het moest worden neergehaald, wat ook onmiddellijk gebeurde. Dat zijn afschuw misschien niet uit esthetische motieven voortkwam maar eerder op religieuze gronden was gestoeld, kon worden afgeleid uit wat hij verder over het kunstwerk zei: ‘Ze hebben dat wanstaltige beeld naast het graf van [de islamgeleerde] Hasan Harakani neergezet. Hoe halen ze het in hun hoofd zo’n prul naast een waarlijk kunstwerk te zetten?’

Vorig jaar maakte president Erdogan wat leek op een sympathieke geste en ‘condoleerde de nazaten van de Armeniërs die het leven lieten in 1915’. Hij sprak de hoop uit dat de doden in vrede zouden rusten. Excuses voor de massamoord op Armeense en andere christenen in de Eerste Wereldoorlog waren het bepaald niet. De condoleances waren namelijk verpakt in een dreigement. Het was ‘ontoelaatbaar’ dat Armenië ‘de gebeurtenissen van 1915 als excuus voor vijandschap tegenover Turkije gebruikt’. Iedereen, zei de Turkse president, had geleden onder de Eerste Wereldoorlog, Turken, Armeniërs en miljoenen anderen. Die oorlog had ‘onmenselijke consequenties’ gehad. Erdogan sprak over massamoorden noch over Turkse schuld.

Anticiperend op de herdenking dit jaar van honderd jaar Armeense genocide nam de islamitische regeringspartij, de akp, gesteund door de twee nationalistische oppositiepartijen de chp en de mhp, een parlementaire motie aan waarin ze beloven ‘alles wat in hun macht is te doen om de Armeense beweringen dat er in Anatolië een Armeense genocide had plaatsgevonden te weerleggen’. De dood van achthonderdduizend Armeniërs een volkerenmoord noemen is en blijft taboe in islamitisch en nationalistisch Turkije.

Waarom staat er dan toch een genocidemonument in het Turkse Igdır? Omdat het niet een gedenkteken is voor de Armeense genocide maar, zoals op het opschrift staat, voor de Turkse genocide, gepleegd door Armeniërs. Volgens de uitleg op borden in het museum onder de terp waarop het monument is neergezet was ‘het land van de Turken het doelwit van internationale, imperialistische mogendheden die het met genocidale middelen in handen trachtten te krijgen’. Het was een samenzwering van ‘tsaristisch Rusland’ en ‘westerse zendelingen die Armeniërs op hun scholen in Anatolië volstopten met dromen over onafhankelijkheid. Armeniërs vormden [daarop] bendes die genocide gingen plegen op de Turken te midden van wie ze altijd vrij en ongehinderd hadden geleefd.’

Uit de tekst op de borden spreekt tegelijk bittere verlatenheid en veeleisende superioriteit: ‘Wij, Turken, hebben altijd alleen maar vrede, geluk en menselijke waardigheden willen brengen.’ Maar ‘in plaats van dankbaarheid te tonen en zich te gedragen als een beschaafd land voert het [de republiek Armenië] een schreeuwerige bezettingspolitiek’. Met het laatste wordt verwezen naar het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan over Nagorno-Karabach.

Het genocidemonument van Igdır bestaat uit vijf 36 meter lange reuzenzwaarden en is daarmee zes meter hoger dan het afgebroken monument in Kars. De zwaarden symboliseren het Turkse leger dat onschuldige moslims behoedde voor verdere genocide. Dat is de uitleg die erbij staat. ‘Ze stellen tevens de macht voor die de Turkse strijdkrachten ten toon zullen spreiden tegenover de Armeense indringers wier nationale doel het is om de Agrı Dagı [de Berg Ararat] te bezetten. Als ze deze vijf machtige Turkse zwaarden zien die tot hoog in de hemel reiken, zullen ze zich eerst nog eens bedenken.’

Geen van de historici die de deportaties en massaslachtingen van de Armeniërs in Anatolië genocide noemen, ontkent dat Armeniërs Turkse en Koerdische moslims hebben vermoord, vooral in de provincie Van waar Armeniërs (en Russen) wraak namen op eerdere slachtingen en vroeger onrecht. Moslimvrouwen en -kinderen werden niet gespaard. Ook in andere Ottomaanse provincies namen Armeense revolutionairen represailles. Maar dit was op een andere schaal dan de Turken deden en het was geen bewuste uitroeiingspolitiek zoals de Jong Turken die volgden.

Medium ag2

De Eerste Wereldoorlog eindigde voor de Turken met het verlies van bijna al het Ottomaanse grondgebied. Slechts Istanbul – weliswaar bezet door geallieerde troepen – en een deel van Anatolië bleven voor de Turken over. De hoogstverantwoordelijken voor de Armeense massamoorden, de drie Pasja’s, Enver, Talaat en Kemal, en dokter Bahaettin Sakir, waren in het holst van de nacht aan boord van een Duitse kruiser gegaan die hen hielp ontsnappen. Onder de leiding van de Held van Gallipoli, generaal Mustafa Kemal, begon de strijd tegen de Europese bezetters, die in Turkije de ‘Onafhankelijkheidsoorlog’ wordt genoemd en tot 1923 duurde.

‘Wij, Turken, hebben altijd alleen maar vrede, geluk en menselijke waardigheden willen brengen’

In zijn eerste grote toespraak vanuit zijn nieuwe hoofdkwartier in Ankara, in december 1919, gaf Kemal Pasja de toon aan waarop er in Turkije voortaan gesproken zou worden over de Armeense massamoorden: ‘Wat de niet-moslimelementen die in ons land leefden overkwam, was het gevolg van hun meedogenloze politiek van separatisme.’ De uitroeiing was, kortom, hun eigen schuld. De Armeniërs hadden zich laten gebruiken door buitenlandse machten. Vervolgens sprak Kemal Pasja over de ondankbaarheid van de christenen. Christenen woonden al zeker duizend jaar eerder dan moslims in Turkije, maar behoorden erkentelijk te zijn voor de ‘voorrechten’ die de overwinnaars hun hadden gegeven. Ze maakten daarentegen ‘misbruik van hun privileges’, aldus Mustafa Kemal, de latere Atatürk.

‘Er zijn waarschijnlijk vele redenen en excuses voor de ongewenste gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in Turkije’, vervolgde de generaal. ‘En ik wil zeggen dat deze gebeurtenissen absoluut van een heel ander niveau zijn dan de onderdrukkingen door de landen van Europa [en waarvoor zij zich] niet verontschuldigen.’ Deze vergelijking wordt ook nu nog in het Turkse debat over de Armeense kwestie aangehaald: de Fransen hebben genocide gepleegd in Algerije, de Britten hebben vreselijk huisgehouden in India, de Spanjaarden hebben in Zuid-Amerika de Indianen uitgeroeid. Iedereen die met de vinger naar ons wijst heeft boter op zijn hoofd.

Natuurlijk.

De Nederlandse turkoloog Erik-Jan Zürcher noemt in zijn boek The Young Turk Legacy and Nation Building: From the Ottoman Empire to Atatürk’s Turkey dit deel van Kemals toespraak een ‘klassiek’ voorbeeld van de verdediging van ‘gewelddadige agressie’. Alle elementen zijn aanwezig, schrijft Zürcher: ‘Ze hebben er zelf om gevraagd, zo erg was het nou ook weer niet, en anderen hebben hetzelfde gedaan of nog ergere dingen.’

Toen het erop aankwam en terwijl in Istanbul en in andere steden processen werden gevoerd tegen Turkse oorlogsmisdadigers sprak Mustafa Kemal zich nooit uit tegen de uitroeiing van de Armeniërs. Hij liet zich omringen door mensen die berucht waren vanwege het Armeense bloed dat ze aan hun handen hadden, onder wie zijn eigen lijfwacht. In de woorden van Zürcher: ‘Zijn toespraak in Ankara vormde de basis van zijn verdere politiek en legde de schuld keihard bij de slachtoffers.’ Zürcher en andere historici zien als de meest logische verklaring voor het standpunt van Kemal Pasja dat verder praten over de Armeense massamoorden ‘politiek contraproductief en irrelevant’ was. Zijn achterban bestond uit moslims, en zij en hun voormannen wilden zichzelf niet beschuldigen van massamoord of zich ervan laten beschuldigen.

Dezelfde verklaring kan worden doorgetrokken naar de dag van vandaag. De Turkse bevolking bestaat voor 98 procent uit moslims en president Erdogan voert een herislamiseringsbeleid. Daarin past niet het zoeken naar een eigen schuld in deportatie en verbanning van en moord op Ottomaanse christenen. Het moderne Turkije is tenslotte gebouwd op het op grote schaal etnisch zuiveren van christenen waardoor er een homogene Turkse (en Turks-Koerdische) bevolking ontstond van louter moslims. Erdogan beschouwt zichzelf als de verdediger van moslims en van onderdrukte moslims in westerse landen. In dat zelfbeeld past geen beschuldiging, of zelfbeschuldiging, van het vermoorden van een hele bevolkingsgroep en het met geweld bekeren van Armeense kinderen en vrouwen tot de islam.

Taner Akçam, een Turkse socioloog die sinds 1977 de meeste tijd buiten Turkije verblijft, geldt als de meest vooraanstaande onderzoeker naar de schuldvraag in de Armeense genocide. Akçam heeft uit de archieven documenten naar boven gehaald die de Jong Turken als de schuldigen aan de uitroeiing aanwijzen. Hij bewijst ook dat er een vooropgezet plan was tot uitroeien.

Turkije zal niet toegeven genocide te hebben gepleegd, schrijft Akçam. Dat wél doen zou het land veroordelen tot enorme schadevergoedingen. Erger nog: het houdt tevens in dat de grondleggers van de republiek Turkije als oorlogsmisdadigers worden bestempeld. De drijvende kracht achter de stichting van de republiek was de Turkse Nationale Beweging en de leidende figuren daarin waren leden van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, oftewel de Jong Turken, de partij die de genocide organiseerde en die door de naoorlogse krijgsraden aangewezen werd als de voornaamste schuldige aan de Armeense massamoorden. Voormalige Jong Turken kregen centrale posities in de republikeinse regering en zeiden openlijk dat de republiek alleen tot stand had kunnen komen door de verdrijving van de Armeniërs. Armeniërs zouden, naar zij meenden, nooit ophouden zelfbestuur en daarna onafhankelijkheid te eisen. En dat zou het einde van Turkije betekenen.

Het eerste parlement van de republiek riep per decreet de grondleggers van hun staat uit tot nationale helden, dezelfde mannen die kort daarvoor door de krijgsraad veroordeeld waren wegens oorlogsmisdaden tegen Armeniërs. Uit die groep grondleggers werkte Mustafa Kemal zich op als alleenheerser. Zelf heeft hij niet de hand gehad in deportaties van en moorden op Armeniërs. Wel hield hij als commandant van het zestiende legerkorps in de provincie Diyarbakir de opmars tegen van Russische troepen en Armeense partizanen, maar toen woonden er nauwelijks nog Armeniërs in dit Ottomaanse gebied.

Eén keer nog is Mustafa Kemal in het parlement teruggekomen op de moord op de Armeniërs, dat was in april 1920 en toen noemde hij het ‘een schandelijke daad’. De enige keer dat hij een aantal Armeense slachtoffers noemde was in een gesprek met een Amerikaanse generaal: achthonderdduizend Armeniërs waren volgens hem omgekomen. Dat is ook het aantal slachtoffers dat historici van de genocide aanhouden. Het aantal van anderhalf miljoen slachtoffers, dat vooral de Armeniërs zelf noemen, wordt als te hoog gezien. De huidige Turkse staat noemt cijfers van drie- tot zeshonderdduizend Armeense slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog, maar als oorlogsslachtoffers, niet als genocideslachtoffers.

Het ontkennen van schuld aan het verdrijven en vermoorden van christenen heeft volgens historici als Akçam onder meer te maken met het psychologische trauma dat de desintegratie van het Ottomaanse Rijk gedurende de laatste honderd jaar van zijn bestaan veroorzaakte onder moslim-Turken. Aan het eind van de Eerste Wereldoorlog was nauwelijks nog iets over van het rijk dat zich ooit over drie continenten had uitgespreid. Tussen 1878 en 1918 verloor het Ottomaanse Rijk 85 procent van zijn grondgebied en 75 procent van zijn bevolking. Vanaf die tijd tot op de dag van vandaag heeft angst voor opdeling en voor het totaal van de kaart vegen van Turkije Turken in de greep gehouden.

Akçam schrijft: ‘De republiek Turkije ziet zichzelf als de feniks die uit de as van het Ottomaanse Rijk is opgestegen, een desintegrerend rijk waar het niets mee van doen wil hebben.’ Liever vereenzelvigen islamisten als president Erdogan zich met de glorietijd van de sultans, van voor de tweede nederlaag bij Wenen van 1683. Elke keer wanneer gesproken wordt over de Armeense massamoorden herinneren de Turken zich dat de Armeniërs gesteund werden door Europese grootmachten die niets liever wilden dan de Zieke Man van Europa ten grave dragen.

‘Ik weet dat de Turken nooit zullen zeggen dat hun voorvaderen moordenaars waren’

Alle gruwelijke nachtmerries die sultan Abdülhamid hadden geplaagd, en Enver en Talaat en alle Jong Turken, waren met het Verdrag van Sèvres (augustus 1920) werkelijkheid geworden: een Armeense staat in Oost-Anatolië, Griekse bezetting van West-Anatolië, Italiaans toezicht op Zuidwest-Anatolië, grote gebieden van het voormalige rijk onder Frans en Brits bestuur of toezicht, beloftes van de Entente-mogendheden aan de Koerden van een eigen onafhankelijke staat, die onder meer op een deel van Zuidoost-Anatolië zou liggen. Voor de Turken bleef alleen Noordwest-Anatolië over. Het verscheuren van het hart van wat de Jong Turken waren gaan zien als het laatste bastion van het Turkendom, Anatolië, ook wel Klein Azië genoemd, heeft een naam gekregen: het Sèvres Syndroom. Dat complex lijkt de weldenkendheid van onder anderen de huidige sterke man van Turkije behoorlijk aan te tasten.

Het aantal Turkse Turken neemt af, het aantal Koerdische Turken stijgt en ‘geboortebeperking’ noemt president Erdogan ‘verraad’. Het Sèvres Syndroom klonk door in de retorische vraag die Erdogan de Turkse journaliste van de bbc voorlegde: ‘Voor welk land werk jij?’ Dit was naar aanleiding van haar verslaggeving van de Gezi-protesten. De demonstraties waren, zo zeiden de president en zijn aanhangers, het werk van duistere machten die Turkije zijn economische successen niet gunnen. Zelfs bij de mijnramp van vorig jaar in West-Anatolië, waarbij meer dan driehonderd mijnwerkers om het leven waren gekomen, stak het Sèvres Syndroom de kop op. De president zag in de kritiek op de slechte arbeidsomstandigheden in Turkije een buitenlandse samenzwering: opnieuw duistere machten die het voorzien hadden op de eenheid van Turkije. De vooraanstaande Turkse schrijvers Orhan Pamuk en Elif Safak zijn volgens Erdogan lid van een ‘internationale literatuurlobby’ en ‘aangeworven door westerse machten’.

Uit een onderzoek van het Duitse Marshall Fonds (2014) blijkt dat zestig procent van de Turken van mening is dat de eisen die de EU stelt aan Turkse toetreding dezelfde zijn als de bepalingen van het Verdrag van Sèvres. Een even groot aantal denkt dat ‘westerse machten’, net zoals ze dat in het verleden deden, niets liever willen dan Turkije uiteen rukken. Hetzelfde percentage Turken ziet in de houding van Europeanen tegenover Turkije een ‘kruisvaardersmentaliteit’. De Turkse politicoloog die de analyse van het onderzoek maakte schreef: ‘Dit [Sèvres] Syndroom zit in het dna van de Turkse politieke cultuur gebakken.’

Medium ag

Onder aanvoering van Mustafa Kemal bevrijdden de Turkse nationalisten Anatolië en Oost-Thracië (Trakya). Er volgde een nieuwe, per verdrag verplichte volksdeportatie, van Grieks-orthodoxen naar Griekenland, en van moslims uit Griekenland naar Turkije. Turkije was bijna een homogeen land: in elk geval bestond de allergrootste meerderheid uit moslims. Het Verdrag van Sèvres werd ongedaan gemaakt, maar de paranoia ging niet over. De republiek bleef zitten met het probleem van de Koerden die, net als Bulgaren, Serviërs, Grieken en Armeniërs eerder, op z’n minst zelfbestuur eisten en lange tijd ‘onafhankelijkheid’ in hun programma hadden. Turkije beleefde, en beleeft nog steeds, het Koerdisch ‘separatisme’ als een aanval op de integriteit van de staat. De eenheid van de staat moet ten koste van al het andere bewaard blijven; een angstpsychose die het bewind van Erdogan heeft geërfd van de voorgaande Ottomaanse en kemalistische regimes.

De uitspraak over genocide van een Turkse rechtbank nog maar acht jaar geleden laat zien hoe diep de fobie voor het totale verdwijnen van Turkije zit. Het gebeurde in een proces tegen twee Turkse journalisten, van wie één de zoon was van de bekende Turks-Armeense journalist Hrant Dink die eerder dat jaar op straat in Istanbul was doodgeschoten door een jonge Turkse nationalist. Het proces in die moordzaak is nog altijd niet tot een bevredigend einde gebracht. Dink senior gebruikte de term ‘genocide’ voor de gebeurtenissen van 1915. Zijn zoon deed hetzelfde en werd na de moord op zijn vader voorwaardelijk tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld.

In zijn vonnis stelde de rechter: ‘De bewering van genocide (…) is deel geworden en middel van bijzondere plannen die ten doel hebben de geografische politieke grenzen van Turkije te veranderen en van een campagne om zijn fysieke en juridische structuur te vernietigen.’ De republiek Turkije wordt, aldus de rechter, ‘belegerd door een vijandige diplomatie die bestaat uit [het aannemen] van genocide-resoluties’. En, waarschuwt de uitspraak: ‘Aanvaarding van deze bewering kan in toekomstige eeuwen leiden tot het in twijfel trekken van de soevereine rechten van de republiek Turkije op de gebieden waarvan beweerd wordt dat de gebeurtenissen er hebben plaatsgevonden.’

Of zoals de in Turkije gevierde Amerikaanse hoogleraar en genocideontkenner Justin McCarthy waarschuwde in een voordracht voor het Turkse parlement: ‘Het plan van de Armeense nationalisten is duidelijk. In de eerste plaats moet de Turkse republiek toegeven dat er een “Armeense genocide” is geweest en er excuses voor aanbieden. In de tweede plaats moeten de Turken herstelbetalingen doen. Vervolgens zal er een Armeense staat gevestigd worden.’ McCarthy noemde de provincies Erzurum, Van, Elazıg, Sivas, Bitlis en Trabzon in Oost-Anatolië die ingepikt zullen worden door de nieuwe staat Armenië als logisch gevolg van de Turkse erkenning dat de Jong Turken genocide hebben gepleegd.

‘Ik geloof in de eer van de Turken’, zei de hoogleraar uit Kentucky. ‘Wat ik van hen weet, zegt me dat ze nooit zullen liegen en nooit valselijk zullen zeggen dat er een Armeense genocide was. Ik weet dat de Turken zich zullen verzetten tegen de eis om een misdaad te erkennen die ze niet hebben begaan, ongeacht de prijs die ze voor hun eerlijkheid moeten betalen. Ik weet dat de Turken niet zullen liegen over hun geschiedenis. Ik weet dat de Turken nooit zullen zeggen dat hun voorvaderen moordenaars waren.’ Professor McCarthy kreeg uit handen van de voorzitter van het parlement Bülent Arınç een hoge Turkse onderscheiding vanwege zijn verdiensten voor Turkije.

Een andere bekende genocideontkenner is Guenter Lewy. Zijn boek The Armenian Massacres in Ottoman Turkey: A Disputed Genocide wordt door het Turkse ministerie van Buitenlandse Zaken gratis verspreid. Lewy, emeritus hoogleraar van de Universiteit van Massachusetts en inmiddels 92 jaar oud, heeft zijn beroep gemaakt van het ontkennen van genocides en massamoorden. Verhalen van wreedheden die Amerikanen in Vietnam begingen zijn schromelijk overdreven, schreef Lewy. Wat de Amerikanen daar deden was niet onrechtmatig en ook niet immoreel. Amerikaanse veteranen die tijdens hoorzittingen voor het Congres vertelden over Amerikaanse wreedheden klonken, volgens Lewy, alsof ze de Vietnamese propaganda uit hun hoofd hadden geleerd.

En over het vergassen van Sinti en Roma door de nazi’s schreef Lewy: dat was geen genocide omdat er geen van bovenaf opgelegde en door de staat georganiseerde uitroeiingspolitiek voor de zigeuners was. Vervolgens pakte hij de uitroeiing van de Amerikaanse indianen aan: evenmin genocide. ‘Hoe zwaar de omstandigheden ook waren waaronder de indianen zich moesten afbeulen, hun ervaringen kunnen niet vergeleken worden met het lot van de joden in de getto’s’, aldus Lewy.

Voor de Turkse vuurvogel uit het Ottomaanse puin kon oprijzen, werden, onder druk van de Britten, de mannen die leiding hadden gegeven aan de Armeense massamoorden voor de Ottomaanse krijgsraad gehaald. De geallieerden hadden de Turken immers al in 1915 gewaarschuwd dat ze ter verantwoording zouden worden geroepen wegens misdaden tegen de menselijkheid. De nieuwe sultan en, naar in 1922 zou blijken, tevens de laatste padisjah, die eind 1918 was aangetreden, gaf zijn goedkeuring aan de tribunalen in de hoop op enigszins gunstige voorwaarden tijdens de vredesonderhandelingen. Toen bleek dat in het Verdrag van Sèvres de bepalingen nog erger waren dan gedacht, werd er nauwelijks nog meegewerkt aan de processen tegen Ottomaanse oorlogsmisdadigers, die dan ook werden gestopt.

Erdogan zei: ‘Het Ottomaans moet geleerd worden om de verbroken banden met onze wortels te herstellen’

Hoe kort de processen ook geduurd mogen hebben, de processtukken zijn van onschatbare waarde voor het vaststellen van de schuldvraag. Taner Akçam heeft de stukken gelezen en de conclusie getrokken dat de Jong Turken plannen hadden gemaakt om de Armeense gemeenschappen in Oost-Anatolië met wortel en tak uit te roeien. Het boek dat hij samen met de van oorsprong Turks-Armeense historicus Vahakn Dadrian over de tribunalen schreef, Judgment at Istanbul: The Armenian Genocide Trials, heb ik in Istanbul gekocht, net als zijn andere boeken over de Armeense zuiveringen die ook het woord ‘genocide’ in de titel dragen.

Ik kocht ze bij mijn vaste boekhandelaar, Homer Kitabevi, naast het Galatasaray Lyceum, in een zijstraat van de bekende Istiklal Caddesi. Je kunt er alles krijgen over de Armeense kwestie, ook boeken geschreven door Armeniërs. Alle boeken van Akçam zijn in het Turks in Turkije verschenen, maar door weinig Turken gelezen. De meeste mensen hebben er niet gehoord van de speciale tribunalen in verband met de massamoorden op de Armeniërs. En als ze er wel van hebben gehoord, hechten ze er geen belang aan: ze waren opgelegd door de overwinnaars die niet onpartijdig waren, is de redenering, en die hadden altijd al aan de kant van de Armeense zaak gestaan.

Vonnissen opgelegd door de bezetter, dat is het idee dat in Turkije leeft over de tribunalen. De drie mannen die wel waren opgehangen werden later door het kemalistische bewind tot martelaren uitgeroepen. Ook de Jong Turken, die de leiders waren geweest van de Armeense genocide en in hun oorden van ballingschap vermoord werden door Armeense revolutionairen, werden in ere hersteld.

De Turkse kranten besteedden tussen 1919 en 1922 volop aandacht aan de processen. Dagelijks deed de officiële staatskrant verslag van de zittingen. Maar om die kranten te kunnen lezen moet je eerst een dode taal leren: het Ottomaans Turks. Dat werd geschreven in het Arabisch schrift en bevatte veel Arabische en Perzische woorden. Op 1 januari 1929 introduceerde Atatürk het Latijnse alfabet, in Turkije het Turkse alfabet genoemd, en werd iedereen verplicht dat te leren. Het Ottomaanse schrift werd verboden. Turkije, verklaarde Atatürk, zal met zijn schrift en mentaliteit laten zien dat het aan de kant van de wereldbeschaving staat. Met één streek van Kemals pen werd het Ottomaanse verleden ontoegankelijk. Op de scholen mocht het niet meer onderwezen worden. Alleen op de universiteit kon het Ottomaans nog geleerd worden.

Dit jaar wordt de klok teruggedraaid. Het is binnenkort namelijk verplicht op school Ottomaans te leren. President Erdogan heeft dat de Turken opgelegd. Het is ongetwijfeld niet zijn bedoeling dat zijn volk de kranten en archiefstukken betreffende de Armeense genocide zal kunnen lezen. ‘Het Ottomaans moet geleerd worden’, zei hij op zijn gebruikelijke wijze die geen tegenspraak duldt, ‘om de verbroken banden met onze wortels te herstellen.’ De introductie door Mustafa Kemal van het Latijnse alfabet stond gelijk, zei Erdogan, ‘aan het doorsnijden van onze slagaderen’.

Het is waar dat degene die de oorlog wint zijn wil aan de verliezer oplegt, zoals de geallieerden ook deden met Duitsland in het Verdrag van Versailles. Maar volgens Taner Akçam doet die constatering niets af aan het feit dat het materiaal dat is aangedragen tijdens de processen nog altijd een belangrijk deel van het bewijsmateriaal vormt in de kwestie van ‘wel genocide’ of ‘geen genocide’. Ander bewijsmateriaal is te vinden in Ottomaanse archieven, of wat daarvan over is, en in de staatsarchieven van de landen die diplomatieke vertegenwoordigingen hadden in het Ottomaanse Rijk. Maar ook persoonlijke memoires van de Armeniërs die de deportaties en vernietiging hebben overleefd zijn deel van het bewijsmateriaal.

‘Het militaire tribunaal verzamelde en classificeerde een massa bewijsstukken waarmee de feiten van een centraal georganiseerde massamoord op de Armeense bevolking van het Ottomaanse Rijk kunnen worden vastgesteld’, schrijft Akçam. ‘De documenten waren onweerlegbaar en verifieerbaar dankzij een duidelijke juridische procedure. Elke beklaagde werd verzocht de authenticiteit te bevestigen van de vele geheime en gemarkeerde telegrammen waarop hun eigen handtekening stond.’

Akçam citeert uit honderden, uit duizenden telegrammen. Een paar die eruit springen en die de genocidale intenties tonen van de Ottomaanse bestuurders: een telegram van 10 januari 1916 van het hoofd van het Bureau van Hervestiging over de Armeniërs die ondanks de gruwelen onderweg toch Deir ez Zor, de officiële bestemming van de deportaties, hadden gehaald. Ze mochten nergens meer dan vijf procent van de bevolking vormen. Als het percentage hoger was, betekende dat een doodvonnis voor een ieder die boventallig was. ‘We hebben inlichtingen ingewonnen’, schreef het hoofd, ‘en we hebben begrepen dat nauwelijks tien procent van de gedeporteerde Armeniërs hun plaats van bestemming heeft bereikt. De rest is omgekomen als gevolg van natuurlijke oorzaken als honger en ziekte. Wij delen u mee dat we eraan werken en met harde maatregelen hetzelfde resultaat denken te bereiken met hen die nog in leven zijn.’

Akçam haalt aan de hand van de Ottomaanse tribunalen de Turkse verklaring voor het verdwijnen van honderdduizenden Armeniërs onderuit. Volgens Turkije was het een gevolg van de oorlogshandelingen en van een burgeroorlog binnen een grote oorlog. De ‘relocaties’ van Armeniërs, weg van het Russische front naar de Syrische woestijn, vielen volgens de Turkse staat binnen de grenzen van wat normale en legale maatregelen zijn die een staat in oorlogstijd mag nemen. En verder moeten de christelijke Armeniërs niet piepen, want er zijn toen meer moslims omgekomen dan christenen.

‘Meerdere getuigen’, schrijft Akçam in The Young Turks’ Crimes against Humanity: The Armenian Genocide, ‘verklaarden [tijdens de processen] dat met name Talaat Pasja leiding gaf aan de deportaties. Hij deed dat buiten de officiële kanalen om en stuurde vanaf de telegraaf in zijn eigen huis persoonlijk bevelen naar de provincies.’ Via de officiële kanalen ‘beval hij het één, om het via een andere, onderhandse manier te herroepen’. In die tijd ‘luisterden’ vriend en vijand al mee met het telegraafverkeer. Het is bekend dat Talaat na demarches van de Duitse ambassadeurs, zijn bondgenoot in de Eerste Wereldoorlog, bevelen deed uitgaan om Armeniërs en andere christenen humaan te behandelen. Daarmee kon hij de Duitsers laten zien dat hij op ‘behoorlijke wijze’ met de Armeniërs omging. Deze bevelen werden via andere kanalen herroepen en bovendien wisten de Jong Turken ter plekke dat ze dergelijke opdrachten tot zachtzinnigheid naast zich neer konden leggen.

In de aanklacht van de krijgsraad tegen de leiders van de Jong Turken stond dat binnen de Ittihat een ‘geheim netwerk’ was geformeerd om de acties tegen de Armeniërs uit te voeren. Het Comité voor Eenheid en Vooruitgang had, volgens de tenlastelegging, ‘twee tegenovergestelde naturen. De ene is zichtbaar en waarneembaar (…) en stoelt op een intern reglement en de andere is gebaseerd op geheimhouding en werkt met ongeschreven mondelinge instructies.’ Het tweede soort telegram moest altijd vernietigd worden. Volgens de aanklacht van het tribunaal van 1919 hadden de leiders van de Ittihat ‘langdurig en nauwkeurig het doden en uitroeien van de Armeniërs besproken’, en vielen de massamoorden ‘geheel en al binnen de verantwoordelijkheid van het Centrale Comité van de Ittihat’.

Nog voor de Eerste Wereldoorlog was afgelopen lieten dokter Bahaettin Sakir en dokter Mehmed Nazım, Jong Turken die beiden actief hadden deelgenomen aan de uitroeiing van de Armeniërs, geheime documenten uit het hoofdkantoor van de Ittihat weghalen en verbranden.

Talaat Pasja en dokter Bahaettin Sakir werden op straat in Berlijn door Armeniërs doodgeschoten

Een groot probleem voor historici is de ontoegankelijkheid en in veel gevallen de vernietiging van hele Turkse archieven. Vooral die uit de laat-Ottomaanse en vroeg-republikeinse periode zijn verdwenen. In het archief van de laatste sultan is niet één waardevol document te vinden. Het enige wat bewaard is zijn verslagen van de uitdeling van onderscheidingen en oorkondes. Helemaal droevig is het gesteld met de archieven van Trabzon en Konya, belangrijke provinciehoofdsteden. In 1982 werd het archief van Trabzon, waarin vijfhonderd jaar Ottomaanse en republikeinse geschiedenis was bewaard, in de Zwarte Zee gekieperd. Vijf jaar later werden uit het archief van Konya in Centraal-Anatolië 76 truckladingen materiaal weggehaald, naar de staatsfabriek gebracht en bewerkt tot cellulose en schrijfpapier. Een halve eeuw daarvoor verkocht de burgerlijke stand van Istanbul vijftig ton aan Ottomaanse aktes voor weinig geld aan oudpapierhandelaren.

In 2000 vonden Turkse burgers bij het afval van die papierfabriek duizenden Ottomaanse documenten uit de tijd rond 1500. Niemand weet wie opdracht heeft gegeven tot het dumpen van deze historisch waardevolle papieren. In 1934, in de tijd van Atatürk, werd een verordening van kracht ‘betreffende de vernietiging van papieren en documenten waarvan behoud niet noodzakelijk is’. Dat hield in dat steeds documenten van tien jaar oud vernietigd moesten worden. 25 jaar later werd de bepaling herroepen, maar alleen omdat er niet genoeg geld voorhanden was om de papierwinkel te vernietigen.

Dan zijn er nog de talloze archieven die na de diverse militaire coups ‘gezuiverd’ werden. Ondanks die gigantische schoonmaakoperaties, schrijft Taner Akçam (en historici als Erik-Jan Zürcher, Ugur Üngör en Donald Bloxham zijn het met hem eens), ‘bevatten de Ottomaanse archieven nog zoveel materiaal dat de officiële Turkse versie van de gebeurtenissen in 1915/1916 weerlegd kan worden’.

De naoorlogse tribunalen veroordeelden de meeste kopstukken van de Armeense genocide ter dood. Slechts drie lagere ambtenaren werden daadwerkelijk geëxecuteerd. Velen werden bij verstek veroordeeld en door Armeense revolutionairen op straat in hun plaats van ballingschap vermoord. Talaat Pasja en dokter Bahaettin Sakir werden op straat in Berlijn, waarheen ze gevlucht waren, door Armeniërs doodgeschoten. Dezelfde jongeman die de arts in de Duitse hoofdstad vermoordde schoot in Rome de voormalige grootvizier dood. Een andere jonge Armeniër vermoordde Kemal Pasja in Tbilisi. Enver Pasja werd gedood in de bergen van Tadzjikistan, waar hij nog steeds zijn droom van een pan-Turkse staat najoeg.

In 1996 zijn de stoffelijke resten van Enver bijgezet in het Turkse Pantheon, boven op de Vrijheidsheuvel in de wijk Sisli in Istanbul, tegenover het Paleis van Justitie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Talaat Pasja daar al bijgezet. Onlangs ging ik er een kijkje nemen, maar het park waar het monument staat was om onbekende redenen afgesloten. Aan het mos op het monument en het gras tussen de stenen was te zien dat er jaren geen mens meer had gelopen.

Aanvankelijk leek dokter Mehmed Nazım, het bureaucratische brein achter de genocide, zijn straf te ontlopen. Maar in 1926 liet Atatürk de arts ophangen, niet voor zijn aandeel in de massamoorden – die kwamen in het showproces helemaal niet ter sprake – maar voor een misdaad die hij niet had gepleegd. Mustafa Kemal gebruikte een, al dan niet echte, aanslag op zijn leven om zich te ontdoen van politieke concurrenten. Nazım was er één van. Dokter Mehmed Resid, de fanatieke antichristelijke gouverneur van Diyarbakir, pleegde zelfmoord en ontsnapte aan zijn proces.

De dag waarop ik naar de oude Armeense hoofdstad Anı ga, gelegen tussen Kars en de Turks-Armeense grens, is het bibberachtig koud. De lucht is grauw, de sneeuw is grauw; het is alsof rondom mij, tussen hemel en veld, gordijnen zijn dichtgetrokken. Net als in Igdır kruipt de kou door de zolen van mijn wandelschoenen omhoog, onder mijn gewatteerde broek en jas door naar boven naar mijn schouders.

De dikke muur die in vroeger eeuwen om de stad heen liep is vergaan; de stenen zijn weggesleept om er verderop landweggetjes mee te verharden en schuren en huizen van te bouwen. Bij een smalle doorgang in de muur zit een man van het ministerie van Toerisme en Cultuur kaartjes te verkopen. In de kou. Het innemen van geld – ‘geen wisselgeld’, zegt hij, – het afscheuren van mijn kaartje, het kassabonnetje aanreiken: dat is al het werk dat hij vandaag verricht. Andere bezoekers komen er niet.

In zijn buurt staan grote geëmailleerde borden waarop te lezen is wat Anı is en wat er te zien valt. Wat er niet op de borden staat is veel interessanter. Hier ter plekke van wat ooit de hoofdstad was van een Armeens koninkrijk durven de Turkse toeristische en historische autoriteiten dat vreesaanjagende woord ‘Armeens’ nauwelijks op het bord te schrijven. Er staat dat er vijfduizend jaar geleden al mensen woonden. Een beetje benepen wordt vermeld dat ‘in dit deel van Turkije sinds mensenheugenis Armeniërs hebben gewoond, maar na 1915 niet meer’. Er worden koningen genoemd, maar niet dat zij Armeense koningen waren van een uitgestrekt Armeens koninkrijk. Er staat wel dat enkele generaties lang Georgische koningen over de stad Anı hebben geheerst.

Er staat dat de bloeitijd van Anı lag tussen het jaar 961 en 1050; niet dat het toen het culturele en religieuze centrum van Armenië was. Er staat wel dat de christelijke Byzantijnen heel gemeen waren tegen hun Armeense medemensen. En een paar regels verder kun je lezen dat de Seltsjoeken (Turken uit Centraal-Azië waaruit de Zonen van Osman – de Ottomanen – later als sultans naar voren kwamen) ‘de Armeniërs veel meer religieuze vrijheden gaven dan ze ooit van de Byzantijnen hadden gekregen’. Nooit zijn ze daar dankbaar voor geweest.

Nee, ze waren zelfs zo perfide dat ze de Europese kruisvaarders een handje hielpen om het islamitische rijk van de Turken kapot te maken. Een echo die ook doorklonk in de woorden over de ondankbare Armeniërs van sultan Abdülhamid II, van de Jong Turken, van Mustafa Kemal tijdens zijn eerste toespraak in Ankara in december 1923, en in de woorden van Ismet Inönü, de rechterhand van Atatürk. Tijdens de heronderhandelingen van het Verdrag van Sèvres, dat zou uitmonden in het voor Turkije veel gunstiger Verdrag van Lausanne, zei Inönü met paternalistische branie dat ‘de Turken de christelijke elementen hun rechten nooit hebben ontzegd zolang zij geen misbruik maakten van de generositeit van het land waar ze eeuwenlang in welstand en overvloed hebben geleefd’. Wat de Turken gedaan hadden in de Eerste Wereldoorlog waren ‘slechts strafmaatregelen vanwege het Armeense verlangen naar onafhankelijkheid en omdat zij zich onder het mom van bescherming van minderheden hadden laten gebruiken door andere staten’.

Ten slotte vermelden de borden aan de muren van de oude Armeense koningsstad dat Anı en de wijde omgeving in de veertig jaren voor 1921 door de Russen bezet waren geweest. Er staat niet dat in die allerlaatste jaren hier dankzij de Russen, en dankzij Armeense partizanen en het Verdrag van Sèvres, een republiek Armenië had bestaan waarin de Turkse nachtmerrie van het totale verlies van het Ottomaanse Rijk werkelijkheid was geworden.

Maar gelukkig, staat er, ‘is Anı in 1921 teruggekeerd naar het moederland’.


Dit is het laatste deel van Betsy Udinks drieluik over de Armeense genocide. Deel 1 en 2 verschenen in De Groene van 8januari en 12 februari


Beeld: (1) Anı, de oude Armeense hoofdstad, gelegen tussen Kars en de Turks-Armeense grens. Kerk van de verlosser (Corbis); (2) Kemal Atatürk komt aan met zijn vrouw Latifeh (links) in Dumlupinar voor de herdenking van de onbekende Turkse soldaat, 1924 (Ullstein / Getty); (3) Kars, het ‘Monument van de Menselijkheid’. In april 2011 werd het afgebroken nadat president Erdogan had verklaard dat hij het wanstaltig vond (Mehmet Aksoy / AP)