Ach Europa (10)

Turken tellen

Tellen vertelt soms meer dan duizend woorden. Want al meer dan veertig jaar wacht Turkije op duidelijkheid. Al in 1963 werd in de Ankara-overeenkomst besloten dat Turkije lid zou mogen worden van de EU (toen nog de EEG). Ik zal de laatste zijn die Turkije vrijpleit van politieke kwalijkheden, maar de uitbreiding met Turkije riekt intussen behoorlijk naar klassenjustitie.

Ter vergelijking: zowel Portugal als Spanje was kort voor toetreding nog een dictatuur. Tal van voormalige communistische landen in Oost-Europa die in 2004 lid werden, waren economisch zwak en politiek weinig stabiel. En Bulgarije en Roemenië mochten toetreden terwijl ze niet aan de criteria voldeden. Bij het eindeloze rekken zijn intussen velerlei argumenten aangevoerd om Turkije de toegang te ontzeggen, zoals de politisering van de Armeense volkerenmoord in het Ottomaanse Rijk in 1915 en de niet-erkenning van Cyprus. Maar de meest genoemde redenen hebben betrekking op de geografie en cultuur van Turkije.
Het geografische argument luidt dat Turkije niet in Europa zou liggen. Voor sommigen is dat overigens de reden om Turkije juist wel erbij te betrekken, vanwege de brugfunctie die het land zou kunnen vervullen met autoritaire regimes in het (olierijke) Midden-Oosten. Maar zowel de tegenstanders als de voorstanders redeneren hier verkeerd. Ten eerste wordt de veel voorkomende fout gemaakt dat de EU, een statelijk samenwerkingsverband, hetzelfde zou zijn als Europa, de naam voor een continent. Die EU heeft intussen velerlei mondiale vertakkingen. Denk aan de steden Ceuta en Melilla op de Noord-Afrikaanse kust, Frans Guyana in Zuid-Amerika of het Franse Mayotte aan de Oost-Afrikaanse kust, alle behorend tot de EU. De EU ligt dus allang niet meer louter op de denkbeeldige kaart van Europa.
Is de EU al steeds mondialer, Europa is nog lastiger geografisch te fixeren. Europa heeft nooit definitieve grenzen gekend. Europa is geen land of staat, maar een naam die opportunistisch voor verschillende doelen territoriaal verschillend werd en wordt gedefinieerd. Schrijver en voetbalfan Orhan Pamuk merkte al eens fijntjes op dat Turkije blijkbaar wel als Europees gezien wordt als het gaat om voetbal, want de Turkse voetbalclubs spelen in de Europese Champions League en Turkije op het Europees kampioenschap. Maar het geografische argument is niet alleen dubbelhartig, het is ook discriminerend. Het gaat namelijk niet uit van de kwaliteiten van een kandidaat, maar van het lot van de geografische ligging van dat land op aarde. In een Nederlandse sollicitatieprocedure voor een baan zou een dergelijk geografisch afkomstargument tegen de kandidaat genoeg reden zijn voor een stevige berisping op basis van artikel 1 van de grondwet.
Het eveneens veelgebruikte culturele argument luidt dat Turken, want veelal moslims, niet democratisch zouden zijn en cultureel niet bij de ‘westerse’ EU zouden horen. Turkije wordt daarmee als een buiten gedefinieerd, maar is dat allang niet meer. Veel Turken zijn al decennia lang Europees burger en daarmee mede culturele en democratische vormgevers van diezelfde EU. Overigens, dat raadselachtige eufemisme ‘westers’ is blijkbaar ook voor de Nederlandse overheid zelf, bij monde van haar telbureau het CBS, een worsteling. Zo rekent het CBS wel Indonesië en ook Japan tot het Westen. De rest van Azië, Afrika, Latijns-Amerika (dus ook Máxima), het Midden-Oosten (geboortegrond van Jezus Christus) en Turkije (dus ook Sint Nicolaas) worden dan als ‘niet-westers allochtoon’ gezien. Maar er wordt wel meer geworsteld met culturele termen als het gaat om Turken. Illustratief zijn de recente termen zwarte scholen en zwarte wijken om de aanwezigheid van onder meer Turken te duiden tegenover witte scholen en witte vlucht. Afgezien van deze ridicule kleurenblindheid, want zwart is doorgaans bruin en witte mensen bestaan niet, tenzij ze lijkbleek of dood zijn, is de gedachte dat je mensen kunt indelen op kleur als synoniem voor cultuur of geboortegrond een onfrisse politiek.
Zowel geografisch als cultureel worden dus argumenten verzonnen die onjuist zijn, opportunistisch en veelal discriminerend. En ze verhullen de werkelijke reden: angst voor aantallen. Men is bang voor de komst van grote aantallen Turkse arbeiders. En de grote landen Frankrijk en Duitsland zijn bang voor verlies aan zetels en macht door de toetreding van een land met zo veel inwoners. Pamuk noemde de Turkse bereidheid tot vrijwillige ‘inlijving’ bij de EU eens ‘een vriendschapsgebaar dat na eeuwen van oorlog en strijd niet licht mag worden opgevat’. Maar ik vrees dat er voorlopig niets verandert: de Turken tellen de jaren van uitstel, de EU telt de Turken.


Henk van Houtum is verbonden aan het Nijmegen Centre for Border Research van de Radboud Universiteit Nijmegen