Turkengericht

Tegen Van Traa vertelde hij dat ‘enkele tientallen procenten’ van de Turkse mannen in Nederland gemoeid is met heroïnehandel. Sindsdien staat ‘discriminatie-professor’ Frank Bovenkerk in een kwade reuk. Bij de Turkse arbeidersvereniging HTIB probeerde hij dat te herstellen. Zonder succes.
De carrière van prof. dr. Frank Bovenkerk, hoogleraar criminologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, mag gerust als een permanente ode aan de almaar transformerende tijdgeest worden omschreven. In de jaren zeventig maakte de aan de PSP gelieerde cultureel antropoloog snel naam als grootinquisiteur van alles dat rook naar racistische praktijken. In zijn in 1978 verschenen studie Omdat zij anders zijn: Patronen van rassendiscriminatie in Nederland kwam Bovenkerk met een doomsday-achtig scenario voor de interetnische verhoudingen in Nederland.

Hij voorspelde grote rassenonlusten in Nederland indien er op korte termijn geen einde werd gemaakt aan ingebakken vooroordelen tegenover buitenlanders. De Amsterdamse politie verweet hij een ‘wijdverbreid rasvooroordeel. Het voorkomen van een racistische maatschappij, dat is de noemer waaronder ik alles heb gedaan’, zo omschreef hij zijn missie eens. 'Ik gebruik de angst als middel om dit te voorkomen’.
Bovenkerk, 'de ontdekkingsreiziger in eigen land’, maakte gebruik van zeer directe methoden in zijn onvermoeibare zoektocht naar discriminatiepraktijken. Zo zond hij beurtelings Turkse en Nederlandse assistenten naar randstedelijke discotheken, om op die manier de racistische vooroordelen binnen het portierswezen aan de kaak te kunnen stellen. Die proof of the pudding-methode bleef Bovenkerks favoriete strijdmiddel. Hij liet zijn assistenten - de een Nederlands, de ander van buitenlandse herkomst - in grote auto’s door de stad rijden om te controleren wie eerder door de politie zou worden aangehouden. In de trein naar Roosendaal liet hij turven in hoeverre de douaniers gekleurde mensen meer controleerden dan blanke. Telkenmale was het resultaat onstellend.
Maar ook verholen discriminerende uitingen in ambtelijke rapporten werden keer op keer opgespoord door de 'discriminatie-professor’. Bovenkerk maakte korte metten met een notitie van het ministerie van Justitie waarin gewag werd gemaakt van een verhoogde criminele activititeit onder etnische minderheden. 'Zou men van de Nederlandse groentehandelaren mogen beweren dat daar rotte waar wordt verkocht, nadat bij enkelen hunner wormstekige goudrenetten zijn aangetroffen?’ zo luidde zijn oordeel.
In opdracht van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties onderzocht Bovenkerk de discriminatie bij de werkgevers. Ook daar bleek het allemaal veel erger gesteld dan wij allen dachten. In 1992 kraakte Bovenkerk in HP/De Tijd een rapport over allochtonenbeleid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, waarin de minderheden criminele tendensen kregen toebedeeld. 'De criminaliteit van enkelingen wordt uitgebreid tot de uitspraak “de minderheden zijn crimineel”’, zo oordeelde Bovenkerk toen nog.
Verleden jaar maakte Bovenkerk ineens een opvallende draai. Vriend en vijand verbaasden zich over de speech die hij 11 april 1995 hield bij het vertrek van J. E. Ellemers als hoogleraar sociologie aan de universiteit van Groningen. Vetrouwd was de schets van de Verelendung onder de migranten in Nederland, nieuw echter was het totale gebrek aan gêne waarmee Bovenkerk de drugshandel beschreef als de economische reddingsboei van de Turken, Marokkanen en Surinamers in dit land. Volgens de gegevens van Bovenkerk zat 'aanzienlijk meer dan tien procent’ van deze groepen in drugszaken, waarbij handel in heroïne vooral een Turkse aangelegenheid was, hasjtransacties een Marokkaanse aangelegenheid en het cocaïnewezen een overwegend Surinaamse zaak. Socioloog J. A. A. van Doorn, de verlichte conservatief, zette met zichtbaar plezier het hakmes in de Groningse rede van Bovenkerk. In zijn column in HP/De Tijd noemde hij het een 'racistisch betoog’, alsook een 'gedachtenconstructie die zonder enige verwijzing naar feiten en cijfers de grootste drie minderheden in ons land verdacht maakt’.
Inmiddels was Bovenkerk toegetreden tot een onderzoeksteam van de parlementaire-enquêtecommissie van Maarten van Traa. Die commissie controleerde zoals bekend de omstreden opsporingsmethoden van de politie inzake drugshandel. Bovenkerk had de taak toebedeeld gekregen om aard en wezen van de drugshandel in Nederland te doorgronden. Vanzelfsprekend klom hij bij die gelegenheid wederom op zijn etnische stokpaardje, zij het dat hij nu een geheel andere richting insloeg dan het publiek tot voor kort van hem gewend was. Bovenkerk was de onbetwiste attractie toen Van Traa’s bloedraad op 6 september 1995 haar eerste zittingsdag beleefde. 'De enige conclusie die ik trek, is dat er enkele tientallen procenten van de volwassen Turkse mannen in Amsterdam in enigerlei functie bij de georganiseerde misdaad betrokken zijn’, vertelde Bovenkerk op grond van een studie van dossiers van de Amsterdamse politie.
Deze soundbite zong de volgende dagen onder grote koppen rond in alle kranten, ook die van Turkije, alwaar Bovenkerks uitlatingen leidden tot een regelrechte diplomatieke rel. Die week was Bovenkerk even de bekendste Nederlander in Turkije. In Nederland mocht Bovenkerk ironisch genoeg op bijval rekenen van de BVD, de politie en De Telegraaf, maar ook werd een forse dosis hoon zijn deel. De Landelijke Adviesraad voor Turken, raadgevend orgaan voor het beleid van de Nederlandse regering, dreigde bij monde van voorzitter Naci Demirbas met een strafklacht tegen Bovenkerk wegens discriminatie. Volgens Demirbas had Bovenkerk zijn kwakkelende carrière als racisme-onderzoeker van nieuwe profijtelijkheid willen voorzien door opeens dingen te roepen die hij zelf jarenlang te vuur en te zwaard had bestreden.
Eind september keerde Bovenkerk op verzoek van Van Traa terug in het getuigenbankje van de commissie. Hij gaf toe dat hij 'onzorgvuldig’ was geweest door van tientallen procenten te spreken. Liever sprak hij nu van 'een aanzienlijk gedeelte’ van de Turkse gemeenschap dat zich in de heroïnehandel had gestort.
EEN BEETJE WATER bij de wijn dus, maar het vermocht de aversie tegen Bovenkerk onder de Turken in Nederland niet weg te nemen. Verleden week vrijdag werd in Amsterdam een poging ondernomen om die verstoorde verhouding te herstellen. Gretig had Bovenkerk de uitnodiging van adviesraadvoorzitter Naci Demirbas aangenomen om bij de Turkse arbeidersvereniging HTIB aan het Eerste Weteringsplantsoen zijn omstreden uitlatingen toe te lichten. Het was een ontmoeting waar velen reikhalzend naar hadden uitgezien, aldus Demirbas, die avond optredend als gespreksleider. Demirbas, enkele dagen voor de ontmoeting in HTIB: 'Voor veel Turken in Nederland is het al lang duidelijk dat de Nederlandse samenleving steeds openlijker begint te discrimineren. Het feit dat een man als Bovenkerk - met zijn verleden als de ultieme racismebestrijder - nu ook zo'n spectaculaire ommezwaai maakte, sterkte veel Turken in die overtuiging. Bovenkerk wist natuurlijk drommels goed wat hij teweeg zou brengen met die uitspraken voor de enquêtecommissie. Ik denk dat hij zijn loopbaan op die manier probeerde te revitaliseren. Want laten we wel wezen: Bovenkerk trad al lang niet meer zo op de voorgrond als we van hem gewend waren. Hij publiceerde geen spraakmakende onderzoeken meer, hij was in feite een beetje uitgerangeerd. Met die controversiële uitspraken over Turken en heroïne kreeg hij eindelijk weer eens de aandacht die je als onderzoeker nodig hebt om nieuwe opdrachten binnen te slepen.’
Die avond zit de boomlange Bovenkerk, lichtelijk voorovergebogen in zijn lederen vest, oog in oog met zo'n vijftig belangstellenden, overwegend van Turkse komaf. Hij is blij met deze kans, vertelt hij het publiek. Op last van Van Traa heeft hij tot februari dit jaar moeten zwijgen over zijn onderzoek. Lange tijd moest hij de rond zijn persoon tollende controverse vanaf de zijlijn aanzien. Bovenkerk: 'Van Traa verplichtte me contractueel tot zwijgen. Daar heb ik me aan gehouden. Alleen op het moment dat de Centrumdemocraten aan de haal waren gegaan met mijn onderzoek, heb ik alle afspraken genegeerd en mijn zegje gedaan.’
Vervolgens weidt Bovenkerk uit over de wijze waarop hij tot zijn omstreden uitspraken is gekomen. Bij de Amsterdamse politie vroeg hij alle dossiers op over de 'zware zaken’ van de laatste vijf jaar. 'Ik kreeg dingen te zien die je normaal nooit te zien kreeg, van dossiers van de politie tot die van de BVD. In totaal ging het om zo'n vijfhonderd dikke dossiers. Wat opviel was meteen het hoge aantal buitenlanders dat daarin als verdachte werd gekenmerkt. De import van heroïne in Nederland bleek bijvoorbeeld voor 85 procent in handen van Turkse en Koerdische groepen. Dat is opvallend veel, zeker gezien het feit dat de heroïnehandel in Nederland tot 1980 een geheel Chinese aangelegenheid was. Daarnaast bleek dat er in het Turkse en Koerdische milieu naar verhouding veel moorden worden gepleegd. Dat leidde ertoe dat de Amsterdamse politie veel belangstelling ging vertonen voor de Turken. Er zijn rechercheurs die goed Turks hebben geleerd.
Je zou dan natuurlijk kunnen zeggen dat het Turkse aandeel in de criminaliteit wellicht wordt overbelicht. Maar ik moet de theorie bestrijden dat de politie speciaal op Turken jaagt. Ik bespeur zelfs dat rechercheurs een beetje “Turken-moe” zijn geworden. Heroïnehandel en moord- en doodslag zijn nu eenmaal speciale aandachtsgebieden van de politie, die dan ook keer op keer bij het Turkse of Koerdische milieu terechtkomen. Je hoort bij de politie zelfs geluiden als “Laten we maar een tijdje niet op Turken jagen”. Dan worden de opsporingsprioriteiten anders gesteld. Ik heb ook ontdekt dat de politie absoluut niet racistisch is, wat toch enigszins verwondering wekt. Als je als Hollander de hele dag bezig bent met steek- en schietpartijen onder Turken, en dan toch geen racist wordt, dan is dat eigenlijk iets opvallends.’
IN DE ZAAL BEGINT de stemming ondertussen steeds ijziger te worden, maar Bovenkerk stoot ongenadig door. Blijkbaar heeft hij gekozen voor de aanval als de beste verdediging. Volgens hem weigerde de vorige burgemeester van Amsterdam, Ed. van Thijn, serieus in te gaan op signalen die wezen op een verontrustende drugscriminaliteit rond het Mercatorplein, en dat alles in het kader van het streven om maar geen racist te worden genoemd. Bovenkerk: 'Van Thijn zei altijd: “We gaan geen Turken-razzia’s houden.” Hij was bang voor etnische rellen. Daarom is de Mercatorbuurt veel langer verpauperd dan nodig was geweest.’
Dan komt Bovenkerk eindelijk met een toelichting op zijn legendarische 'tientallen procenten’ van Turkse mannen in Amsterdam die bij de drugshandel betrokken zouden zijn. 'In die zaak ben ik dom geweest’, geeft hij ruiterlijk toe. 'Ik heb me erin verslikt, en daar heb ik mijn excuses ook over aangeboden. Hetgeen niet wegneemt dat het Turkse aandeel in de heroïnehandel zeer groot is, zoals de politiebestanden aantonen. In Amsterdam turfde ik toch de namen van zo'n tweeduizend Turken die de politie verdenkt van betrokkenheid bij de heroïnehandel. Het is niet zo dat de politie uit is op alle mensen wier naam in de computer staan. Het gaat de politie vooral om de tweehonderd mensen in de top, de bazen. Er zijn veel meer betrokkenen. Zo heb je de mensen die hun huis ter beschikking stellen om de drugs te bewaren. Die zijn op zich wel strafbaar, maar de politie zit er niet achteraan. Daarnaast heb je de koeriers en een nog veel grotere groep die op zich geen strafbare feiten begaat, maar wel medewerking verleent. Dan heb ik het over reisbureaus, garages, winkels en koffieshops. Daar zijn alleen al in Amsterdam meer dan tweeduizend mensen mee gemoeid. Daarnaast is er nog een groep die niks met de handel te maken heeft maar wel van de opbrengsten profiteert en daardoor ook afhankelijk wordt van de drugseconomie.’
De Nederlandse regering, zo legt Bovenkerk uit, is zich 'rot geschrokken’ van dit onderzoek. 'De ministers zijn bang dat de groepen die ze altijd hebben willen beschermen, worden gemanipuleerd door een maffia uit hun land van herkomst. Minister Dijkstal heeft me al gevraagd om hem in dit probleem bij te staan. Ik weet dat dit geen leuke boodschap is, maar ik heb deze ondankbare rol maar op me genomen. Te veel Turken en Koerden ontkennen het probleem. Ze zeggen dat de heroïneverslaafden het aan zichzelf te danken hebben, ze zeggen dat de handel eigenlijk goed is voor de economie van Turkije, ze zeggen zelfs dat de politie in Nederland geen recht van spreken heeft omdat ze zelf tot op het bot corrupt zou zijn. Niemand hoor je met enige compassie spreken over de slachtoffers. Dat is een verschuiving in de moraal die ik als zeer verontrustend wil omschrijven. Het aanzien en prestige van een hele bevolkingsgroep staat ter discussie. U moet zich als Turkse gemeenschap aan een kritisch zelfonderzoek onderwerpen, eventueel met hulp van de politie.’
Volgt een exposé over de oorzaken die volgens Bovenkerk hebben geleid tot deze hoge participatie in de heroïnehandel. Vertrouwd klinkt zijn uitweiding over de ongunstige sociaal-economische positie van veel Turken in Nederland, al even vertrouwd als zijn relaas over de het hoge percentage schooluitvallers. Ook gaat Bovenkerk in op de 'slechte integratie’ van de Turken in Nederland. Bovenkerk: 'De mensen blijven dromen over terugkeer naar Turkije. Vaak pompen ze al hun geld terug naar het land van herkomst. Dat maakt dat ze nooit volwaardige burgers in Nederland worden.’
OP DAT MOMENT wordt het een Turkse opbouwwerker uit Amsterdam-Oost te veel. Woedend springt hij op en wijst hij met zijn sigaar vervaarlijk in de richting van de spreker. 'Honderd procent van de allochtonen in Nederland heeft zo'n droom om ooit terug te keren naar hun eigen land’, zegt hij. 'Zijn die dan allemaal crimineel?’
Het is het startsein voor een ware opstand in de zaal. Hoe durft Bovenkerk te beweren dat de politie in Nederland niet racistisch is? 'Er zijn gevallen bekend van Turken die naar een oudervergadering van hun school gaan en die dan allemaal worden geregistreerd door de politie’, roept een aanwezige. 'Er is wel degelijk sprake van discriminatie!’ En hoe durft Bovenkerk te beweren dat de politie in Turkije wel corrupt is en die van Nederland niet? 'Het was toch een politieagent die drugsbaas Klaas Bruinsma heeft doodgeschoten?’ wil iemand weten. 'Een ex-politieagent’, stribbelt Bovenkerk tegen. 'Dat maakt niet uit. Sinds Van Traa weet iedereen dat de Nederlandse politie corrupt is.’
De zaal speelt meteen de troefkaart uit. Hoe kan Bovenkerk de politie vrijpleiten van discriminatie en de gegevens die de politie hem verstrekt kritiekloos gebruiken voor zijn onderzoek? Was hij zelf in de jaren zeventig niet overtuigd van structurele discriminatie in het politieapparaat? En in hoeverre moeten zij die politiegegevens over het Turkse aandeel in de heroïnehandel niet wantrouwen? Uiteindelijk worden in dat bestand mensen genoemd tegen wie de politie een verdenking koestert. Van daadwerkelijke juridische vervolging is geen sprake. 'De politie kan zoveel mensen verdenken’, roept een man. 'Dan kan je iedere bezoeker van een koffiehuis met een slechte reputatie wel op een lijst met verdachte mensen zetten.’
Terwijl de collectieve verontwaardiging in de zaal almaar stijgt, zakt Bovenkerk enigszins vermoeid achterover. Een vrouw in het publiek begint aan een lange, slepende litanie: 'Hoe hoog is het percentage eigenlijk van drugscriminelen in de lagere klassen van de Hollanders?’ wil ze weten. Bovenkerk haalt de schouders op. 'Dat kan ik niet meten, daar heb ik geen gegevens over.’ De vrouw: 'U bent geobsedeerd geraakt door de Turken. U spreekt de hele tijd over wij en jullie. Maar in werkelijkheid lijk ik meer op u dan op de criminele Turken. U bent in uw eigen valkuilen gelopen, want etnocentrisme begint met wij en jullie. Met uw ondoordachte uitspraken heeft u alle vooroordelen aan de stamtafel in een willekeurig café in de Jordaan bevestigd. U zegt dat u zou protesteren als de Centrumdemocraten aan de haal zouden gaan met uw onderzoek, maar in werkelijkheid doen ze dat al lang. Als ex-PSP'er had u beter moeten weten.’
De reeds genoemde opbouwwerker slaat weer toe. 'U discrimineert mij. Uw aanpak is fout. De meeste Turken in Nederland zijn zodanig geïsoleerd dat zij nooit in heroïnehandel zouden kunnen zitten. En die duwt u nu het verdomhoekje in.’ En tot de zaal: 'Ik heb deze man niets te vragen!’
DE BIJEENKOMST eindigt in kakofonie, waaruit vooral blijkt dat Frank Bovenkerk nog heel wat werk te wachten staat voordat de Turkse gemeenschap zijn advies tot een 'ethisch reveil’ zal volgen. Na afloop staat Bovenkerk met een glas rode wijn in de hand nog danig na te daveren van de stortvloed aan kritiek die over hem is uitgestort. 'Het was vanavond van een stevig niveau, mag ik wel zeggen. Ik had dit wel verwacht, al blijft het soms toch wel slikken.’
Hij verzekert dat hij meer steun in de Turkse gemeenschap geniet dan deze avond zou doen vermoeden. 'Iedereen weet dat er iets zal moeten gebeuren, alleen niemand hangt zijn vuile was graag buiten.’
Minister Dijkstal heeft hem al gepolst over het organiseren van een rondetafel-conferentie over het drugsprobleem der minderheden. Heer Van Doorn, slijp uw messen!