H.J.A. Hofland

Turkije in het europese slop

Turkije ligt voor het grootste deel in Azië, er wonen meer dan zeventig miljoen moslims, de samenleving is corrupt, op de rechtspleging valt van alles aan te merken. Noem ons één goede reden waarom Turkije tot de Europese Unie moet worden toegelaten. Als dat land erin komt, gaan wij eruit, zegt Geert Wilders. Aan het slot van de Europese top in Brussel zullen de leiders voor het eerst sinds jaren in hun gemeenschappelijke verklaring niet refereren aan een uitbreiding met Turkije en andere landen. Is dit de ouverture tot het einde van de 42 jaar toenadering, die wel met horten en stoten is verlopen maar waarin over het geheel genomen tot een maand geleden een duidelijk opgaande lijn leek te zitten?
In 1963 werd tussen Ankara en Brussel het Associatie-akkoord getekend, weliswaar met een open einde maar ook met de verzekering dat Turkije volwaardig lid kon worden. De Turkse invasie in Cyprus in 1974 en de staatsgreep van 1980 verhinderden dat er voortgang werd geboekt. In 1996 werd de douane-unie ondertekend en op de top van Helsinki in 1999 werd bevestigd dat het land kandidaat was voor het volwaardige lidmaatschap. Vorig jaar december zijn de Europese leiders overeengekomen dat op 3 oktober aanstaande de onderhandelingen moeten beginnen. Ook dat zou geen haastwerk hoeven te worden. Volgens de toen nog geloofwaardige visie zou het land uiterlijk in 2019 het volledige lidmaatschap kunnen verwerven. Als Turk moet je wel een erg hartstochtelijk verlangen hebben om nog vijftien jaar te willen wachten op het verwezenlijken van je droom. Maar zo was het.
Sinds de referenda in Frankrijk en Nederland is dat allemaal veranderd. Een groot deel van de Europese politieke elite was al sceptisch. Een meerderheid van de Nederlanders en de Fransen wil die tientallen miljoenen Turken niet; ze zijn er zeker van dat als de grenzen open gaan, er weer een paar miljoen naar het noorden zullen komen. Ze krijgen bijval uit Oostenrijk en Duitsland. In Brussel wordt de toon gezet door de nieuwe geluiden uit de Europese onderbuik. Hoe de onderhandelingen ook zullen verlopen, het nieuwe politieke feit is dat het gevestigde Europa van vandaag geen zin meer heeft in het Turkse lidmaatschap en dat de onderhandelaars daarmee rekening moeten houden. Europa heeft het immigratieverzadigingspunt bereikt. Turkije ervaart daarvan de gevolgen.
Dat is de ene kant van de zaak. Volgens de peilingen in Turkije wilde kortgeleden meer dan zestig procent bij Europa horen. Recent onderzoek meldt dat steeds meer Turken van mening veranderen, zij het om volstrekt andere redenen dan de noordelijke Europeanen. De steun voor de Europese optie is tanende. In plaats daarvan beginnen Turkije en Amerika elkaar te ontdekken, liever gezegd te herontdekken. Want in de Koude Oorlog was Turkije een trouwe bondgenoot, onmiddellijk bereid tot het plaatsen van de middellangeafstandsraketten. Daarna is het land geleidelijk in de periferie van de Amerikaanse belangstelling geraakt (hoewel een strategisch denker als Robert Kaplan Turkije als enige relatief voorbeeldig georganiseerde moslimstaat beschouwt).
Toen kwam de oorlog in Irak. Ankara was tegen. Maar de durende chaos in dit buurland is ook tegen het belang van de Turken. Ze willen meer invloed in Washington. De betrekkelijke voorbeeldigheid is gebleven, mede onder Europese invloed zelfs toegenomen. En nu groeit in Washington de bereidheid om weer beter te luisteren. De Turken wordt het begin van een welkome keuze geboden. Ze willen niet tot sint-juttemis in de wachtkamer zitten. Ze hebben er ook steeds minder redenen toe. De oriëntatie van de Turken op het Westen is niet begonnen bij de oprichting van de Europese Unie. Met het presidentschap van Mustafa Kemal Pasja, erenaam Atatürk, vader der Turken, is de modernisering begonnen. Hij voerde tussen 1923 en 1938 de scheiding van kerk en staat in, het Latijnse alfabet en de gelijkstelling van man en vrouw: zaken die wij in moslim landen tot de gewenste «moderniteit» rekenen. Hoewel met ups en downs is daarna de modernisering voortgezet en door het vooruitzicht op toe treding tot Europa verder gestimuleerd.
De Amerikanen zijn de oorlog in Irak begonnen uit geopolitieke overwegingen. Het bevrijde land met een moslimbevolking moest binnen de kortste tijd worden omgetoverd tot een democratie, en als zodanig het voorbeeld voor de hervormingen in het Midden-Oosten worden. Na twee jaar is voornamelijk het tegendeel bereikt. Maar daar is nog altijd Turkije, met behoud van zijn godsdienst zeer ver gevorderd op de goede weg. Europa stoot de Turken op het ogenblik genadeloos voor het hoofd. Ze zijn een trots, nationalistisch volk. Het wordt steeds waarschijnlijker dat op dit grove bewijs van Europese afkeer een reactie komt, niet alleen uit Ankara maar mogelijk ook van de miljoenen Turken die in Europa wonen en werken.
Zoals de voorgeschiedenis leert, is er geen verpletterende haast bij de oplossing van het probleem. Maar tot dusver hebben de Turken geleefd in de overtuiging dat de onderhandelaars in Brussel geloofwaardig waren. Door de Europese referendumpaniek wordt de geloofwaardigheid aangetast. Om geopolitieke redenen en vanwege de interne Europese verhouding tot de hier gevestigde Turkse gemeenschappen kunnen we ons dit niet veroorloven. De Brusselse en Haagse politici moeten de moed verzamelen om dit de kiezers duidelijk te maken, hoe ingewikkeld en onwelkom dat ook mag zijn.