Turks temperament

Idealiter zouden de jaren negentig het decennium van de integrerende, multiculturele samenleving moeten zijn. Maar behalve een toegenomen varieteit in eetgewoonten merk je niet zoveel van een werkelijke interesse in anderssoortige culturen.

Toch is in de muziek al veel langer sprake van allerlei vormen van leentjebuur. Waar Cage vooral ideeen uit de oosterse filosofie in de Amerikaanse muziek introduceerde, vertoefde Steve Reich enkele jaren in Ghana om, gepokt en gemazeld in de Afrikaanse ritmiek, zich aan werken als Drumming en Music for 18 Musicians te zetten. Tot voor kort was het met name in de Verenigde Staten bon ton zich naar de authentieke bron te begeven.
Maar of de betreffende componist nu een maand op Bali of een jaar in de Japanse bergen doorbracht, deze exotische bevindingen werden altijd verwerkt, met andere woorden vertaald naar het eigen westerse idioom.
In Nederland gaat datzelfde verhaal op voor componisten als Ton de Leeuw, Theo Loevendie of Jan Rokus van Roosendael, die in hun muziek principes (ritmisch, melodisch of procesmatig) uit de niet-westerse muziek toepassen. Michel Waisvisz pakte het in zijn Requiem ohne Tote (1993) fundamenteel anders aan: zijn eigen elektronische muziek versneed hij met die van het trio Weshm, dat traditionele Marokkaanse muziek speelt. Westers en Arabisch stonden zo letterlijk naast elkaar en slechts in een enkel nummer trad Waisvisz samen met de zanger Najib op.
Eigenlijk deed Guus Janssen precies hetzelfde in zijn muziektheaterstuk Noach: de vier boventoonzangers die hij uit Tuva over had laten komen, deden - in de rol van natuurelementen - hun eigen, onaangetaste kunstje in een volkomen westerse context.
In tegenstelling tot de gecomponeerde muziek is het in de geimproviseerde muziek - door te spelen en te proberen - gemakkelijker om gemeenschappelijke aanknopingspunten te vinden. Zo spelen Nederlandse en Surinaamse musici al decennia lang samen, waarbij men profiteert van elkaars sterke punten (Surinaamse percussie versus Hollandse blazers). Op initiatief van de stichting Kulsan, die de Turkse kunst en cultuur in Nederland stimuleert, traden Theo Loevendie (saxofoon) en Guus Janssen (piano) vorige week op met de Turkse kemence-bespeler Ihsan Ozgen, die werd bijgestaan door percussionist Martin van Duynhoven. Vier doorgewinterde improvisatoren, ware het niet dat improviseren in de Turkse traditie veel meer de betekenis van ‘varieren’ heeft, terwijl in Nederlandse hoofden onmiddellijk de bel van de vrije improvisatie gaat rinkelen.
De Turkse muziek (niet de volks- maar de klassieke kunstmuziek) stond dan ook centraal en het was frappant hoezeer de Nederlandse musici zich in dit idioom wisten te redden. Theo Loevendies interesse op dit gebied is bekend, maar ook Martin van Duynhoven leek zich moeiteloos door de ritmische patronen - met al z'n regeltjes - te slaan, terwijl Guus Janssen - met zijn Dikkertje Dap-achtige pesterijtjes verreweg de grootste dwarskop in het gezelschap - soms een prachtige en solide begeleiding voor Ihsan Ozgen neerzette.
Wie zijn ogen dicht deed kon op tal van momenten de illusie hebben dat er een authentiek Turks orkestje zat te spelen. Loevendie mengde op zijn saxofoon feilloos met het zangerige geluid van de kemence (een vedel); Van Duynhoven kleurde deze melodie in met wat roffeltjes op omfloerst klinkende trommeltjes, en Janssen speelde ondersteunende ritmes of tegenmelodieen. Dat ging zo een tijdje goed…
Maar wat er toen klonk was misschien wel de meest bizarre muziek die ik ooit heb gehoord: geen fusie van oosterse traditionele elementen en ideeen uit de westerse geimproviseerde muziek, maar Turkse muziek die als een in paniek geraakt paard op hol slaat. Hoe keurig Loevendie zich in zijn solo’s ook binnen de toonsoort en ritmiek bewoog, hij ontketende iets wat eigenlijk niet met het bezadigde temperament van deze muziek te verenigen is. Het meest haaks op elkaar stonden de innerlijke rust van Ozgen en het intense, strak opgedraaide spel van Janssen. Een even absurd als fascinerend concert.