Desiderius Erasmus, De Turkenkrijg

Turkse dreiging

Desiderius Erasmus

De Turkenkrijg
Ad. Donker, 95 blz., e 13,50

Erasmus staat te boek als de grote voorvechter van religieuze tolerantie, als pleitbezorger van de vrede. Vooral op basis van geschriften als Querela pacis (Vrede’s weeklacht) en Dulce bellum inexpertis (Zoet is de oorlog voor wie hem niet kent) werd hij in de twintigste eeuw gretig geannexeerd door allerlei pacifisten. Met één publicatie zaten zij echter nogal in hun maag, namelijk met de Consultatio de bello Turcis inferendo (Over de vraag of men al dan niet een oorlog moet beginnen tegen de Turken).

In dit boekje, dat nu vertaald is als De Turkenkrijg, houdt Erasmus de mogelijkheid van een dergelijke oorlog open. Dat was niet zo vreemd, want op het moment dat hij het in Freiburg im Breisgau schreef, waren de Turken nog maar enkele dagmarsen van hem verwijderd. De Turkse dreiging was zeer reëel en in West-Europa werd alom gesproken over een mogelijk nieuwe kruistocht.

Volgens Johan Huizinga was de Consultatio typisch een product van de «kleine Erasmus», de vage, draaierige opportunist, die wanneer het erop aankwam zorgvuldig vermeed een duidelijk standpunt in te nemen. Nu is dit boekje ook een wel erg wijdlopig betoog, dat begint met een toelichting op Psalm 29. Aan het eind is Erasmus zich bewust van het feit dat hij nog niet duidelijk heeft gezegd waar hij staat en dat de lezer nu wel eens een ondubbelzinnig antwoord wil.

Wanneer God hem persoonlijk instructies had gegeven, dan was dat niet moeilijk geweest. «Ik kan alleen níet in de toekomst kijken. Daar ben ik onzeker over. Ook ken ik niet alle gegevens.» Erasmus was dus duidelijk geen zestiende-eeuwse Arend-Jan Boekestijn en gaf eerlijk toe dat hij onvoldoende informatie had over de kans van slagen van een dergelijk offensief.

Belangrijker is echter dat hij wel duidelijk aangaf dat de schijnbaar onstuitbare opmars van de Ottomaanse troepen te wijten was aan de zwakte van West-Europa. En daarbij ging het niet alleen om het gebrek aan militaire kracht, maar tevens om de morele tekortkomingen. De christenheid was immers ten prooi gevallen aan een «collectieve verdwazing» en de machthebbers leken geen moment wakker te liggen van de vraag «hoe het eigen leven ten goede te veranderen». De machtshonger, het cynisme, de spilzucht en hypocrisie die de Turken werd toegedicht, waren immers exact de kwalen waaraan West-Europa leed. Wanneer de christenen eindelijk volgens het evangelie zouden gaan leven, was volgens Erasmus een oorlog helemaal niet nodig.