Opheffer

Tussen aanhalingstekens

Opheffer is niet mijn echte naam. Het is een pseudoniem. Het is een naam waarachter een «ik» zich kan verbergen. Laten we zeggen dat mijn ware naam «Helma Roothond» is. Het gaat mij nu om die «aanhalings tekens». Ik weet niet hoe het is gebeurd en wanneer het is gebeurd, maar sinds ik, Helma, iets bekender ben geworden, schrijft men (de media) vaak mijn naam tussen aanhalingstekens. Niemand vindt dat erg. Mijn dochter niet, mijn vrienden niet, mijn vriendinnen niet. Ik wel. Ik ben iemand maar ook niet.

Ik lees: «Het programma zal worden gepresenteerd door ‹Helma Roothond›.»

Eerst denk je: het is een fout. Men wilde mijn naam natuurlijk cursief zetten, maar door een computerfout staan er aanhalingstekens voor en achter. Maar nee, het is bewust gedaan. Om welke reden? Ik weet het niet.

Vervolgens gaat het je opvallen. «Men» zet steeds meer tussen «aanhalingstekens».

Wanneer gebruik je aanhalingstekens? Ik heb daar nooit «echt» over «nagedacht», maar het lijkt wel een vorm van «ironie» te weerspiegelen. Wanneer je iets tussen aanhalingstekens zet, is het waar en niet waar tegelijk. Je maakt van alles een paradox. «Je» maakt van alles een paradox. Je «maakt» van alles een paradox. Je maakt «van alles» een paradox. Je maakt van alles «een paradox». Mensen maken tegenwoordig ook een vreemd gebaar in de lucht als ze «iets» tussen aanhalingstekens willen zeggen.

Vaak ook met het woord «zogenaamde» ervoor. «De zogenaamde (gebaar) ‹asielzoekers› hebben onder dit beleid te lijden.»

We zijn steeds meer tussen aanhalingstekens aan het zetten.

Er zit iets lafs in. Zelfs in de aanhalingstekens die je gebruikt om iemand sprekend in te voeren. Voorbeeld. Ik kom een man tegen en die man zegt: «Eigenlijk moeten ze al die buitenlanders meteen doodschieten.» Waarop een andere man zei: «Alleen de joden en de zwarten.»

Wie schrijft dit allemaal op? Opheffer? Ja en nee. Hij citeert. Maar ondertussen schrijft hij het allemaal op. Ik gebruik het ook als interviewtruc.

«Er zijn mensen die noemen u ‹een racist›. Klopt dat?»

«Tegenstanders zullen zeggen: ‹Balkenende is een keiharde klootzak, een lul.› Wat vindt u daarvan, mijnheer Balkenende?»

Het vreemde is, door de aanhalingstekens in een citaat te gebruiken, blijf ik buiten schot. Maar als ik zelf tussen aanhalingstekens sta, is het alsof ik niet besta, terwijl ik dat wel doe.

Al jaren denk ik dat men taal gebruikt om te verduidelijken, maar eigenlijk weet ik al sinds mijn studie dat men taal eerder gebruikt om te verwarren. Wat wordt nu duidelijker door taal?

Niets.

Als ik mijn computer aan de praat wil krijgen, kan dat sneller en beter gedaan worden door iemand die er verstand van heeft dan door de gebruiksaanwijzing goed te lezen. Autorijden moet ik ook van iemand anders leren, net als zoenen, neuken, eten, alles wat belangrijk is.

Taal verwart, en het is het schrift dat de taal vastlegt waardoor we de verwarring ook kunnen vastleggen.

De leugen bestaat eigenlijk niet meer. We weten al dat de leugenaar de zaken «in een ander perspectief» zet, dat hij «een ander uitgangspunt» kiest en «dus» uitkomt op een ander resultaat.

«Hou je van mij?»

«Ja.»

Ziehier een zinloos geworden uitspraak. Een leugen? Geen idee. De waarheid? Kan, waarschijnlijk niet. Het zijn woorden.

Ik zie mijn ex lopen met iemand die een ex is van iemand anders. «Ex!»

Als je roept kijkt iedereen om.