Marokkaanse meisjes, succes?

Tussen advocaat en brommerhoer

Van Marokkaanse jongeren bestaat het hardnekkige beeld dat de jongens er een potje van maken en hun brave zusjes het uitstekend doen. Maar het succesverhaal van de meisjes is flink vertekend, zo blijkt uit twee rapporten die deze week verschenen.

Er zijn boekenkasten vol geschreven over de problemen van Marokkaanse jongens. Het ene na het andere vuistdikke onderzoeksrapport toont hoe deze groep klem zit tussen twee diametraal tegenovergestelde culturen. Met de nodige imagocampagnes is getracht de negatieve perceptie bij de autochtone bevolking van de «kut-Marokkanen» bij te stellen. Tijdens openbare debatten wordt er bijna om gesmeekt een tijdje helemaal niet meer over deze groep te schrijven of te praten, want eigenlijk maken de media het allemaal erger dan het in werkelijkheid is. Maar een time-out is voor dit onderwerp nauwelijks mogelijk: de actualiteit rolt er meteen overheen.

In Amsterdam werd twee weken geleden een Duitse vrouw doodgeslagen door een groepje Marokkanen. Vorige week lekte voortijdig het rapport Rollators en rotjongens uit, waaruit blijkt dat verzorgingscentra en bejaardenhuizen worden geterroriseerd door Marokkaanse bendes. Onmiddellijk zitten ze allemaal weer in de Hilversumse studio’s te praten: buurtvaders, opbouwwerkers, docenten, imams, vertegenwoordigers van allochtone belangenverenigingen, gekwelde winkeliers, wijkagenten, hoofdcommissarissen, politici, ministers en wanhopige bewoners uit de buurten waar het allemaal gebeurt. Opvallende afwezigen daarbij zijn de daders zelf. Want zij menen dat het oordeel over hun groep per definitie «klote» is, wat ze ook zal worden gevraagd. De jongens met wie het wél goed gaat, klagen dat zij lijden onder de daden van de harde kern van criminelen waarop de media zich telkens concentreren.

Precies het tegenovergestelde is het geval bij de beeldvorming over Marokkaanse meisjes: zij zouden meer dan hun broers succes boeken in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Uit onderzoek wordt telkens een positieve lijn gedestilleerd: omdat hun ouders ze verbieden de straat op te gaan, uit angst dat de verleidingen van de buitenwereld hen zullen vergiftigen, storten de meisjes zich op hun huiswerk. Ze doen het goed op school, en als ze eenmaal de smaak van het leren te pakken krijgen, gaan ze na het verstrijken van de leerplichtige leeftijd (zestien jaar) verder studeren om een goede baan te kunnen bemachtigen. De hoofddoek dragen ze om hun vrijheid af te kopen van hun argwanende vaders; daarmee laten ze zien dat ze, ondanks hun emancipatiedrang, goede moslims zijn.

Toch is dit succesverhaal veel te eenzijdig, zo blijkt uit twee studierapporten die deze week zijn aangeboden aan de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie Rita Verdonk. Uit Een ander succes: De keuze van Marokkaanse meisjes, uitgevoerd door het Instituut voor Maatschappijwetenschappen Siswo en Rapportage minderheden 2003 van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) komt naar voren dat het grote verschil tussen Marokkaanse jongens en meisjes alleen bestaat in de beeldvorming. Voor de onderzoekers van het Siswo vormde de concrete aanleiding voor de studie naar Marokkaanse meisjes «de gedachte dat zij het beter zouden doen dan de jongens aan wie zo veel aandacht wordt besteed door de media». Deze aanname is volgens beide rapporten onjuist.

De achterstand begint al bij het lager onderwijs: bij de Cito-eindtoets en bij het schooladvies scoren de meisjes slechter dan de Marokkaanse jongens én slechter dan andere meisjes. Hun startpositie voor het vervolgonderwijs is helemaal onder aan de ladder. De meeste Marokkaanse meisjes gaan naar het voortgezet middelbaar onderwijs (vmbo), een kleine minderheid bezoekt het vwo. In deze levensfase tekent zich inderdaad een kleine omslag af: de meisjes doen het rond hun vijftiende iets beter dan de jongens. Een verklaring wordt daar niet voor gegeven, maar het ligt voor de hand dat opspelende hormonen een rol spelen. Terwijl jongens de vrijheid genieten om te experimenteren met seks worden meisjes strak aan de teugel gehouden. Het buitenleven is door allerlei restricties zeer beperkt, en alle activiteiten, zoals winkelen met vriendinnen, worden streng gecontroleerd. Meisjes moeten hun moeder helpen in het huishouden en bij het verzorgen van jongere broertjes en zusjes. Het heersende idee van ijverige meisjes versus luie jongens klopt enigszins, maar gemiddeld doen de jongens het in de puberteitsfase uiteindelijk nog altijd beter dan de meisjes.

Ondertussen koesteren hun ouders wel degelijk hoge ambities voor zowel hun zoons als hun dochters. Migrantenouders hopen vaak dat hun kinderen het verder schoppen dan zijzelf, want ze hebben niet voor niks huis en haard verlaten. Ook de eerste Marokkaanse gastarbeiders zien het liefst dat hun kinderen dokter of advocaat worden of in elk geval «een nette baan» vinden «op een kantoor waarbij je de handen niet vies hoeft te maken».

Maar de droom van een glorieuze toekomst wordt gedwarsboomd door praktische bezwaren. Voor Marokkaanse meisjes doemt op relatief jonge leeftijd een andere, veel dwingender verwachting op aan de horizon: een goede huwelijkskandidaat. Na hun school- en hun beroepsopleiding zien ze hun dromen in rook op gaan zodra het tijd wordt een gezin te stichten. Ze trouwen relatief jong, bijna altijd met een door de familie geselecteerde man uit eigen kring of met een «import-bruidegom». Als het erop aankomt, gaan traditionele waarden van huwelijk, moederschap en het instandhouden van de familie-eer voor alles.

Hoe ingewikkeld en frustrerend dit moet zijn, blijkt uit de vele interviews in het rapport Een ander succes. Meisjes van het vmbo geven bijvoorbeeld aan het allerliefst «later stewardess te willen worden». Meisjes die deze klassieke tienerwens koesteren, ingegeven door een vaag idee van glamour en verre reizen, rekenen buiten de realiteit. Tegen over de eigengereidheid die het beroep van stewardess met zich meebrengt, staat geen enkel vertrouwen vanuit de sociale omgeving. Hetzelfde geldt voor andere beroepen waarvan wordt gedroomd.

De geïnterviewde meisjes vertellen ook dat als ze later gaan werken «hun man dan maar een deel van de zorgtaken moet overnemen of de kinderen naar de crèche gaan». Ook dat is een ver ideaal. Met Nederlandse jongens mogen ze meestal niet trouwen, en binnen de codes van de Marokkaanse gemeenschap is het voor mannen taboe om zich te bemoeien met het huishouden en de dagelijkse verzorging van kinderen. Voor meisjes met een universitaire opleiding is dat niet anders, hoewel de «vervaldatum» later ligt. Zij zetten hun opleiding niet of nauwelijks om in een baan, laat staan een glanzende carrière. Cijfers over arbeidsparticipatie laten zien dat vrouwen tot dertig jaar de helft lager scoren dan hun mannelijke leeftijdgenoten. Ook op dit punt wordt aangetoond dat het hardnekkige idee van een tegenstelling tussen de «criminele» jongens en de «studieuze, ambitieuze» meisjes geen recht doet aan de manier waarop doorsnee Marokkaanse jongeren volwassen worden.

Zeker, er is een positieve ontwikkeling te bespeuren. In vergelijking met hun moeders hebben de meisjes een enorme inhaalslag gemaakt, ze doen op school hun uiterste best om goed te presteren en ze beginnen de achterstand op jongens in te halen. Bovendien zijn ze doordrongen van het Nederlandse emancipatie-ideaal en ze nemen dat mee in hun toekomstplannen. Maar opleiding en individuele vrijheden krijgen uiteindelijk nauwelijks een maatschappelijke vertaling, vanwege een sterke identificatie met de groep. De toenemende religiositeit wordt ook genoemd als belemmering voor zelfontplooiing. Somber concludeert men «dat het de vraag is of er veranderingen op til zijn». De vaart lijkt er uit te zijn, en de meisjes zelf, net als hun moeders, hangen individuele vooruitgang weer op aan hun kinderen. Voor zichzelf geloven ze er niet meer in.

Een ander succes haalt nog een ander hardnekkig cliché onderuit: het zijn niet de «achterlijke» ouders alleen die zich ertegen verzetten dat meisjes de traditionele vrouwenrol ontstijgen. «De zorg om de reputatie, het hoe dan ook zien te voorkomen ingedeeld te worden bij de categorie wereldse, beschikbare types, is een zorg die menig Marokkaans meisje met haar ouders lijkt te delen. De zelfbeperkingen die ze zich daarbij oplegt zijn voor een belangrijk deel ingegeven door angst voor roddel. Meisjes zelf blijken weinig geneigd om overtredingen met de mantel der liefde te bedekken. Ze zijn streng voor elkaar, maar ook voor zichzelf.» Die stelling wordt onderstreept door uitspraken van meisjes in het onderzoek: «Ze vertrouwen me en echt ik heb liever een tante die me verraadt, dan eentje die me helpt met liegen.» Of: «Op een brommer rijden is uitgesloten, dan ben je meteen een brommerhoer.»

Wat moet de nieuwe minister van Vreemdelingenbeleid en Integratie hiermee? Als het gaat om beleid zal Rita Verdonk goed moeten beseffen dat het rooskleurige verhaal over de meisjes een zeer vertekend verhaal is. Omdat Marokkaanse meisjes in tegenstelling tot de jongens geen overlast bezorgen, krijgen ze bovendien te weinig aandacht. Ze verdienen veel meer steun.

Minister Verdonk zal consequent moeten investeren in de dochters van deze tweede generatie. De belemmeringen om verder te komen hebben duidelijk te maken met een sterke oriëntatie op de traditionele eigen gemeenschap. Integratie zal niet gaan zonder dat actief goede faciliteiten worden aangeboden, waarbij de prioriteit meer dan nu zal moeten liggen bij goede voorlichting over relatievorming en seksualiteit, psychische hulpverlening — uit ander onderzoek blijkt namelijk dat veel meisjes depressief zijn door hun situatie — en opvanghuizen voor weggelopen meisjes. Daar mag niet op worden bezuinigd.

Maar er is wel degelijk hoop. Het kan bijna niet anders of de dochters van de tweede generatie zullen weer een stap verder zetten. Getuige de Britse uitdrukking «It takes three generations to make a gentleman» duurt het drie generaties om talenten, ambities en droomwensen te realiseren. Wat dat betreft geeft de Marokkaanse koning op afstand deze generatie een flinke duw in de rug: hij verklaarde onlangs dat het de hoogste tijd wordt dat de vrouw op alle fronten bij wet wordt gelijkgeschakeld met de man.