Opheffer

Tussen afwassen en afblaffen

Het was de manier waarop ze binnenkwam. Argeloos. Hij merkte het ook aan hoe ze hem gedag zei: «O, hoi!» Hij vermoedde zelfs dat ze een andere geur om haar heen had, hoewel hij tegelijkertijd ook wist dat hij niets rook.

«Ik wist niet dat je al thuis was», zei ze.

«Ik was vroeg… Wat heb je gedaan?»

«Ik? Ik heb van alles in de stad gedaan… Kijk, ik heb een dekbedovertrek gekocht, vind je hem mooi?»

«Ja, heel mooi… Waar heb je hem gekocht?»

«Waar denk je, als ik met deze tas loop?!»

«In De Bijenkorf… Hij is mooi… Duur?»

«Nee, viel mee… Trouwens, ik betaal hem van m’n eigen geld…»

Waar praten ze over? Over niets.

Hij zag voor zich hoe ze zich, nadat hij vanmorgen was weggegaan, voor de grote onbekende opmaakte; hij zag voor zich hoe ze naar zijn huis ging, hoe ze zich uitkleedde, hem kuste.

«Kijk toch uit!» hoorde hij ineens.

«Sorry, ik ruim het wel op», zei hij. Hij ging op zoek naar stoffer en blik.

Hij voelde hoe ze naar hem keek terwijl hij bukte. Er moet minachting in haar ogen zijn, dacht hij, haat en minachting.

«Heb je pijn aan je rug?» vroeg ze.

«Nee… niet echt.»

«Ja of nee?»

«Wat doet dat er nou toe!»

«Je bukt zo traag.»

Het beste was haar nu met rust te laten.

Toen hij het gebroken glas had opgeruimd, ging hij in zijn studeerkamer zitten. Uit de la van zijn bureau pakte hij een aspirine. Hij probeerde zich op een enkele gedachte te concentreren, maar in een soort dwangmatig ritme keerde steeds dezelfde zin terug: «Ik hou van haar! Ik hou godverdomme van haar!» En tegelijkertijd dacht hij: ik kan niet van haar af, en dat wil ik ook helemaal niet.

«Het is niet erg als je me helpt met afwassen!» hoorde hij opeens. Hij stond meteen naast z’n stoel.

«Waarom begrijp ik het. Waarom begrijp ik dat ze mij nu moet afblaffen. Waarom denk ik dat dat nodig is vanwege het evenwicht. En waarom geef ik haar geen dreun voor d’r harsens. Waarom ben ik beschaafd, terwijl ik mezelf nu haat.»

Hij liep naar de keuken en pakte een handdoek.

«Zullen we… vanavond naar de film gaan?» De zin viel uit z’n mond als een stuk hard geworden slijm.

«Nou, lijkt me van niet.»

«Waarom niet?»

«Het ontgaat jou blijkbaar dat ik doodmoe ben, omdat ik vandaag keihard heb gewerkt. Misschien niet het werk dat jij belangrijk vindt maar ik heb wel keihard gewerkt.»

«Nou, dan blijven we thuis.»

«Als jij naar de film wilt, ga jij toch lekker naar de film», zei ze.

Hij keek naar de rand van een bord dat hij afdroogde en dacht: elke zin is hier een slagersmes geworden, zo’n mes waarmee ze de stukken vlees van het bot snijden.

«Zal ik dan een kopje thee voor je zetten?» vroeg hij.

«Nee… of ja… doe maar.»

Haar stem klonk inderdaad moe. Hij pakte de ketel en vulde die met water. «Ik weet wat ze nu denkt, ze denkt: de theezetter, dat is-ie. Een zak, een theezak. Een saaie zak.»

Hij bleef nog wat in de keuken toen zij al in de voorkamer zat. Ze zette de televisie niet aan. Voorzichtig probeerde hij haar te bespieden. Ze zat op de stoel en staarde. Hij probeerde nu zo stil mogelijk alles te doen; draaide, zodra het water kookte, het gas omlaag, schonk het water in de pot en sloop de kamer binnen.

«Lekker thee», fluisterde hij bijna.

«Dank je schat.»

Misschien komt alles nog goed, dacht hij toen hij naar de keuken terugschuifelde.