Liberalisme in crisis

Tussen bezweringsformule en program

Boeken over het liberalisme zijn een genre op zich geworden, variërend van pulpy tot intellectueel. De ene schrijver schetst het liberalisme als utopisch, een andere betoogt dat elke samenleving nu eenmaal in het midden uitkomt.

[aanhef]In het slothoofdstuk van zijn boek[aanhef] A Thousand Small Sanities, een verdediging van het liberalisme in een tijd die er haar geduld mee aan het verliezen is, haalt Adam Gopnik een anekdote aan over de toegenomen aanwezigheid van great whites, de grote witte haai, aan de kust bij Cape Cod, Massachusetts. De laatste jaren worden er steeds vaker en steeds dichter bij het strand haaien gezien en laatst nog werd een zwemmer doodgebeten. Lokale politici schoven elkaar de schuld toe. De conservatives stelden dat de haaien steeds dichter bij de kust waren gekomen nadat de liberals een wet hadden aangenomen om de lokale zeehondenpopulatie beter te beschermen, waardoor de omstandigheden voor de haaien ook gunstiger werden; de liberalen wezen echter op het feit dat klimaatverandering het ecosysteem langs de gehele Amerikaanse kust al zodanig had verstoord dat de haaien zich sinds enige tijd veel noordelijker vertoonden. Het is, stelt Gopnik, het linkse of liberale wereldbeeld tegenover het conservatieve in een notendop: de conservatieven beweren dat het geloof in beheersbaarheid hoogmoedig is, en dat het er eigenlijk alleen maar toe leidt dat met elk probleem dat men probeert op te lossen er minstens twee nieuwe, grotere problemen bij komen.

Het voorbeeld had evengoed van Patrick Deneen kunnen komen, uit zijn eveneens recente boek Why Liberalism Failed. Het liberalisme, stelt Deneen, heeft gefaald omdat het volkomen geslaagd is in de toepassing van zijn principes. En de wereld is, vergeeft u me, naar de haaien.

De boeken van Gopnik, een New Yorkse intellectueel van Canadese origine en essayist voor The New Yorker, en Deneen, politicoloog aan de University of Notre Dame, verschijnen op een moment waarop het liberalisme juist in het deel van de wereld dat zijn bakermat vormt een steeds meer richtingloze en stuurloze indruk maakt. Boeken over en tegen het liberalisme zijn het afgelopen decennium een genre op zich geworden, en afhankelijk van de auteur is hun toon meestal ongeduldig (links), tobberig (liberaal) of triomfantelijk (rechts). Er is vooringenomen pulp (zoals And We All Fall Down van Ben Shapiro of Liberalism, Find a Cure van Mark Dice), er zijn serieuze studies (zoals The Lost History of Liberalism, een boek dat de verloren tradities van het liberalisme probeert te redden, door de vooraanstaande historicus Helena Rosenblatt, of Liberalism: A Counter-History van de Italiaanse Domenico Losurdo, dat de pretenties van het liberalisme koppelt aan zijn daden), en er zijn essays, zoals The Once and Future Liberal van Mark Lilla, die het liberalisme als een oude vriend op het rechte pad proberen te krijgen. De boeken van Deneen en Gopnik behoren ook tot dit genre – het laatste is een bescheiden verdediging van een bescheiden politieke ethiek, het eerste een donderende rede aan de lezer vanuit een toekomst na het liberalisme, een die nog geboren moet worden. Wat Deneen dankbaar uitbuit is het feit dat een politieke stroming die steeds moeilijker in staat is om uit te drukken waarvoor het nog staat of waarom die het verdedigen waard is, altijd extra vatbaar is voor de karikatuur die anderen ervan maken.

Voor Deneen is het liberalisme eigenlijk alles wat de moderne wereld in politieke en culturele zin sinds de late achttiende eeuw heeft klaargespeeld. Why Liberalism Failed laat de opmars van het liberalisme enkele honderden jaren geleden beginnen en beschouwt het als vrijwel volkomen dominant. Deneen onderschrijft in feite de bekende stelling van Francis Fukuyama uit de late twintigste eeuw dat de liberale democratie de enige overgebleven levensvatbare regimevorm zou blijken. De verschillende politieke stromingen die men doorgaans conservatief of progressief noemt vertegenwoordigen voor Deneen beide hetzelfde politieke project. Conservatief is eigenlijk een klassiek-liberalisme; dat wat progressief heet is een moderner en activistischer liberalisme. Maar beide wortelen, stelt Deneen, in exact dezelfde bron, en die bron is de revolte tegen de natuurlijke orde.

‘Liberalisme wordt in zijn meest fundamentele vorm geschraagd door een tweetal diepere antropologische aannames die liberale instituties hun specifieke oriëntatie en vorm geven’, schrijft Deneen. Allereerst ‘antropologisch individualisme en de voluntaristische opvatting van het vermogen te kiezen’, en daarnaast ‘de losmaking van en het verzet tegen de natuur’.

Hoewel op het eerste oog aantrekkelijk, zijn het die twee aannames waardoor mensen op ramkoers met de natuurlijke orde liggen. Het probleem, zo stelt Deneen dus, is dat de paradoxen en tegenstellingen in het hart van de liberale overtuiging onvermijdelijk tot crisis leiden naarmate haar greep op de wereld vollediger wordt. Hoewel het liberalisme beloofde om het individu te bevrijden uit de greep van arbitraire macht, heeft het geleid tot een explosieve groei van een staat die steeds minder responsief is. Hoewel het liberalisme beloofde om het individu te bevrijden uit zijn afhankelijkheid, sloot het hem op in de mondiale economie, waar hij eindeloos concurreert met anderen. Hoewel het liberalisme beloofde om de oude standenmaatschappij achter zich te laten, verving het die slechts door een moderne stratificatie die ‘meritocratie’ heet. Alle tegenstellingen, stelt Deneen, komen voort uit het feit dat het liberalisme iets nastreeft wat voor het grootste deel niet nagestreefd kán worden, omdat het in strijd is met de menselijke natuur.

Why Liberalism Failed bestaat vrijwel in zijn geheel uit dergelijke ‘is-gewoon-zo-beweringen’, en daarmee vraagt Deneen veel van zijn lezers. Zoveel eigenlijk, dat voor wie voorafgaand aan het boek niet al overtuigd was van de onoverkomelijke tegenstrijdigheid van het moderne liberalisme, dat ook achteraf niet vanzelfsprekend zal zijn. Deneens betoog bestaat uit een reeks maximes over de ware aard van het liberalisme en de daarin besloten hybris; de lezer dient die zonder al te hevig tegenstribbelen te accepteren, of anders niet. Als alle politiek en cultuur een uitgroeisel is van het liberalisme, dan is ook ieder willekeurig probleem daaraan te wijten, en kun je iedere vraag beantwoorden met: ‘Is de schuld van het liberalisme.’ Om een paradox terug te kaatsen naar Deneen: daarmee wordt de ondernomen analyse niet dieper, maar juist oppervlakkiger.

Het is verfrissend om te zien hoe een uitgesproken conservatief als Deneen tekeergaat tegen de macht van grote bedrijven

Sterker nog, Deneens boek wordt een stuk treffender als de lezer vanaf het begin af aan ‘liberalism’ vervangt door ‘capitalism’. Tegelijkertijd toont zo’n mentale search and replace hoezeer er een tweedeling is tussen Deneens observatie dat liberale retoriek niet strookt met de sociale realiteit, en de verklaring die hij daarvoor aanvoert. Allicht, ergens is het verfrissend om te zien hoe een uitgesproken conservatief tekeergaat tegen de macht van grote bedrijven, en de routineuze vernederingen die de mensheid te verduren krijgt uit naam van de vrije markt, maar Deneens kritiek is cultureel, en verhoudt zich niet werkelijk tot de machtsrelaties die het kapitalisme feitelijk stutten, en daarmee blijft die uiteindelijk dus zonder consequentie. Why Liberalism Failed probeert lezers ervan te overtuigen dat de problemen van de wereld worden veroorzaakt doordat politici, professoren en mensen uit Silicon Valley er de verkeerde geloofsartikelen op nahouden, niet door de uitoefening van sociale en economische macht.

En hoewel Deneen zo nu en dan harde woorden over heeft voor wat hij het moderne conservatisme noemt (in feite dus ‘klassiek liberalisme’), doet zijn pleidooi voor een meer waarachtig conservatisme aan het einde van het boek op een bepaalde manier toch vooral denken aan de mensen die na een eeuw van communistische gruwel volhielden dat het echte communisme simpelweg nog nooit was uitgeprobeerd. Want hoewel Deneen tegen het slot van zijn boek de hoop uitspreekt dat er een einde komt aan het tijdperk van de ideologie, die plaats moet maken voor een geromantiseerde opvatting van kleinschalig deugdzaam leven, is zowel zijn probleemanalyse als zijn voorgestelde oplossing volkomen theoretisch, om niet te zeggen utopisch.

Die utopische verleiding is in het boek van Adam Gopnik dankbaar afwezig. Anders dan Deneen verheugt Gopnik zich niet op de voorspelde dood van het liberalisme, maar vreest hij die. Gopnik laat zijn betoog beginnen bij een gesprek dat hij na de verkiezingsoverwinning van Trump voerde met zijn dochter, Olivia. Gopnik ziet het als zijn taak om het liberalisme te verdedigen tegen het ongeduld dat het overal ten deel valt. En hij ziet dat de dreiging niet alleen van autoritair rechts komt, maar ook voortkomt uit de generatie van zijn dochter, die in het boek zo nu en dan de ongeduldige stem wordt gegeven van iemand die radicalere oplossingen van politici vraagt dan het bedaagde liberalisme van Gopnik te bieden heeft.

Het fundament waarop het liberalisme is gebouwd, stelt Gopnik, is al voordat het werk begint gebarsten. Hij bedoelt dat het liberalisme (anders dan de suggestie die Deneen wekt) zich niet ten doel stelt om de wereld volgens een vastomlijnd programma in te richten, maar de meer prudente ambitie heeft om de problemen waar de wereld zich voor gesteld ziet op een bescheiden manier op te lossen. De barst loopt door de onvolmaakte mensheid zelf. Gopnik denkt niet in systemen of regimes die hebben afgedaan of omvergeworpen moeten worden, maar hij denkt na over menselijke moraal en ethiek. En hij verdedigt het midden tegen de flank, de redelijkheid tegen het radicalisme. Liberalisme, stelt Gopnik, begint niet zozeer in het midden maar eindigt er, niet omdat liberalen er altijd van overtuigd zijn dat daar het beste antwoord ligt, maar omdat ze erkennen dat je daar nu eenmaal uitkomt als je een complexe samenleving tot oplossingen probeert te bewegen.

De betoogtrant en de manier waarop A Thousand Small Sanities is opgebouwd beweegt vrij natuurlijk richting de conclusie dat het politieke midden – met zijn kernwaarden van humanisme, vrijheid, democratie, hervorming, pluralisme, verdraagzaamheid – waardevoller is dan vaak wordt toegegeven, en het verdedigen waard is. Hoewel het liberalisme historisch een familieverwantschap met links deelt, stelt Gopnik, is het zich meer bewust van de onvolmaaktheden van mensen, van de feilbaarheid van het menselijk oordeelsvermogen, en van de betrekkelijke fragiliteit (en zeldzaamheid) van instituties die de vrijheid garanderen. Gopniks liberalisme is niet zozeer een programma als wel een ethos om een samenleving die zulke liberale instituties tot zijn erfgoed rekent te behouden. En dat liberalisme staat, omdat het zich van al die dingen bewust is, tussen het middelpunt vliedende radicalisme van rechts en links in.

Gopniks liberalisme is niet vastomlijnd, maar heeft wel principes. Die principes worden geïllustreerd door persoonlijkheden. Charles de Gaulle bijvoorbeeld, of Harriet Taylor en John Stuart Mill. Maar ook de anarchist Emma Goldman, die na een bezoek aan de Sovjet-Unie tegen haar eigen vrienden in ging om de waarheid over het regime te kunnen vertellen. Die nadruk op een houding boven een programma past het liberalisme wellicht ook meer, maar brengt het probleem van het liberalisme terug tot oordeelsvorming. Welke houding is op welk moment het beste?

Het spreekt voor Gopnik dat hij de normatieve grondslag van het liberalisme niet helemaal opgeeft. Tegelijkertijd heeft hij soms de neiging om daarover te denken in slogans, en niet echt in concrete termen. Hij stelt met enig gevoel voor pathos dat een liberalisme dat wel waardevol is voor een Amerikaans middenklassegezin maar niet voor een arme familie in Congo geen knip voor de neus waard is. Dat is een mooi principe, maar een dat vraagt om nadere invulling. Het verschil tussen een bezweringsformule en een program is dat het laatste pas begint als de ronkende woorden zijn gesproken, terwijl de eerste ermee eindigt.

Gopnik stelt dat een liberalisme dat waardevol is voor een Amerikaans middenklassegezin maar niet voor een familie in Congo geen knip voor de neus waard is

Wat er moet gebeuren wordt steeds ondergeschikt gemaakt aan hoe het moet gebeuren. Niet te vlug, niet te gehaast en niet te radicaal is het devies. Gopnik beweert onomwonden dat de radicale beloftes uit het verleden – of ze nu afkomstig waren van marxisten of activisten, uit de milieubeweging of de strijd voor gelijke rechten – zijn waargemaakt door hervormers, omdat de laatste groep bereid was gebruik te maken van de democratische en liberale instituties die hun zaak legitimiteit en stabiliteit verschaften. Als op dat argument iets is aan te merken, is het vooral dat het ervan afhangt wie men eigenlijk beschouwt als radicaal, en wie als lid van wat Gopnik het liberale activisme noemt.

Het is niet ondenkbaar dat zijn bewondering voor anarchist Emma Goldman en anderen ook een kwestie van selectief lezen en interpreteren is (laat staan De Gaulle, die voor Gopnik een conservatief in opvoeding en temperament was, maar uiteindelijk een liberaal na kalme overweging). En in zoverre Gopnik ermee wegkomt, is dat eigenlijk alleen te danken aan het feit dat hij zelf het liberalisme als een houding presenteert, en minder als een ideologische traditie. Het zijn denkers die de betrekkelijke fragiliteit van de liberale samenleving inzien. De denkers waartoe Gopnik zich aangetrokken voelt bezitten eigenschappen die op een moment van crisis ineens naar de voorgrond treden. Maar het merkwaardige daaraan is dat Gopnik de beleving van crisis daardoor terug in het hart van zijn liberalisme plaatst. Dat wil zeggen: de liberale redelijkheid wordt afhankelijk van de crisis, en dus van de gedachte dat die crisis het midden gevaarlijk onder druk zet.

Maar is die crisis er? Gopniks toewijding aan de liberale instituties is oprecht. Maar als we zijn boek moeten zien als een soort interventie in de politieke situatie van vandaag (zoals Gopnik het in gesprek met zijn dochter presenteert), en niet slechts als een poging om de ideale liberale theorie te formuleren, roept hij zelf de vraag op wie dan de radicalen zijn die de liberale instituties op dit moment bedreigen. Waar zijn ze, en zijn het er veel? Voor zover de dreiging van politiek rechts komt heeft Gopnik voorbeelden te over, uit de afgelopen jaren, zo niet decennia. Maar zijn ze er ook werkelijk op links?

Ondanks alle retoriek over het vermeende linkse radicalisme van jongeren is er waarschijnlijk weinig aan hun daadwerkelijke standpunten dat een twintigste-eeuwer (of zelfs maar een negentiende-eeuwer) als radicaal zou kunnen zien. Sociaaldemocratisch, allicht, of progressief met een wat libertaire grondtoon hier en daar. Maar radicaal en fundamenteel op gespannen voet met de liberale orde? Er is een hoop getoeter en geblaas op links, veel esthetisch radicalisme, dat zich graag uitdost als iets wat dingen met een revolutionaire energie omver zou kunnen werpen. Maar online koketteren met radicale symboliek is niet hetzelfde als ook daadwerkelijk de macht hebben.

Links lijkt die radicale esthetiek ook te hebben gekozen omdat het wanhopig op zoek was naar iets anders dan het zouteloze liberalisme dat zich niet wist te weren tegen de opmars van rechts, en dat die opmars in veel opzichten zelfs actief heeft bijgestaan door steeds maar weer te willen inschikken; door steeds maar weer redelijkheid te veronderstellen waar alle bewijs erop wees dat er geen redelijkheid was. Als de jonge radicalen van vandaag iets zijn, dan is het niet dat ze per se vijandelijk gezind zijn tegen de liberale democratie, maar tegen het feit dat die democratie zo eenvoudig kon worden uitgehold, tegen het feit dat ze zo halfslachtig is verdedigd, of soms zelfs uit naam van het compromis werd uitgeleverd door mensen die Gopnik in gedachten lijkt te hebben als verstandige middenfiguren.

Wat de zogenaamde radicalen vandaag hekelen is het feit dat zelfs het meest milde sociaaldemocratische standpunt nog voor extreem wordt versleten, terwijl degenen met de meest hoogdravende woorden over het belang van de liberale democratie haar erfenissen en instituties intussen hebben overgeleverd aan de markt en een geradicaliseerde rechterflank. Natuurlijk, er zijn op links kleine plukjes verwarde Žižek-lezers en accellerationisten die denken: laat de boel eerst maar branden, pas daarna wordt het beter. Maar die zijn nauwelijks talrijk genoeg om een interventie zo gedragen en bezorgd als die van Gopnik te rechtvaardigen.

Toch is het ook niet zo dat Gopnik zijn eigen redelijkheid alleen reliëf weet te geven door onredelijk te zijn over anderen. De nauwelijks verhulde minachting voor activisten die Mark Lilla bijvoorbeeld tentoonspreidde in The Once and Future Liberal is praktisch afwezig in A Thousand Small Sanities. Maar er lijkt geen goede oplossing te zijn voor Gopniks dilemma. Als zijn dochter hem zou vragen om samen met haar de barricaden te beklimmen ter verdediging van de liberale democratie, vat Gopnik dat misschien op als het bewijs dat de jongere generatie te ongeduldig is, en als bewijs van het sociale gevaar dat in radicalisme kan schuilen. Maar waarom is die positie eigenlijk juist? Waarom is Gopnik oordeel per se verstandiger dan dat van anderen?

Waarmee we terug zijn bij de haaien. Het eigenaardige aan het voorbeeld dat Gopnik eerder gaf, over de haaien die zwemmers aanvallen, en de conservatieven die lijnrecht tegenover de liberalen staan, is dat het betoog zonder het conflict op te lossen verder gaat. Gopnik geeft het antwoord niet. Maar dat is precies het probleem. De biologische wetenschap weet raad – ook in het geval van de haaien is er een antwoord dat gewoon juist en een antwoord dat domweg fout is. Het is wellicht aantrekkelijk om een beetje boven de partijen te staan en alles te begrijpen, te willen analyseren hoe typisch het is dat de conservatieven het ene standpunt innemen en de links-liberalen het andere – maar uiteindelijk heeft één partij gelijk, en de andere niet. Voor zover Gopnik weigert een standpunt in te nemen is dat geen bewijs van de wijsheid van het liberalisme, maar van zijn eigen onvermogen om een standvastige conclusie te trekken uit de feiten.

Met andere woorden: misschien staat niet zozeer het liberalisme onder druk, maar enkel de positie van het menstype waarmee Gopnik zich identificeert. De ‘redelijke’ figuren die hun vanzelfsprekende positie als arbiters in een tot voor kort overzichtelijk politiek landschap aan het kwijtraken zijn. Maar het is belangrijk om die persoonlijke benardheid niet te verwarren met de naderende doodstrijd van de vrije samenleving op zich. Dat Gopnik en anderen hun ongemak vereenzelvigen met een liberalisme dat onder druk zou staan is wel te begrijpen, maar het is ergens ook wat ijdel. Al stemt juist dat inzicht ook optimistisch. Wellicht is er geen crisis, en is het enige wat het liberalisme waar Gopnik zo van houdt nodig heeft gewoon wat meer zelfrelativering, en wat meer durf.