Tussen daad en ratio

WANDA BOMMER
BOOM
Nijgh & Van Ditmar, 221 blz., € 16,50

Over trivialiteiten schrijven is moeilijk. Als schrijver ontkom je er niet aan een zekere portie ‘dagelijks leven’ in je roman te stoppen, en al helemaal niet als je over zoiets alledaags als een – niet eens disfunctionerend – gezin schrijft, zoals Wanda Bommer (1969) dat doet in haar debuut Boom. In die trivialiteiten moet een schrijver het vertrouwen van de lezer winnen, hem laten voelen dat de boodschappen en afwasjes er niet zomaar zijn, dat ze een reden hebben in het verhaal.

Bommer wint dat vertrouwen, schetst de lezer een familiaire omgeving, met als groter doel, uiteraard, de totale destructie van het gezin. Hier is opvallend weinig voor nodig – precies één man, zo blijkt. Deze heet Boom, een singer-songwriter met kuiltjes in zijn wangen die moeiteloos aanpapt met alle vrouwen in het gezin Guldenmond. Het hele verhaal wordt vooral door seks aangedreven, en daar schrijft Bommer opvallend goed over (op één enkele misser na: ‘Ze hadden de sterren van de hemel gevreeën die nacht.’ Pardon?). Ze is nooit beschamend expliciet, maar weet een juiste emotie weer te geven. De cognitieve dissonantie tussen daad en ratio, de schaamte van de moeder die vreemdgaat met de liefde van haar dochter, de zus die haar zus expres niet op de hoogte stelt van de affaire met haar vriend.

‘Waar was ze mee bezig? Boom draaide zich op zijn zij en streelde haar borsten. Haar onderbuik trok samen, de hartstocht wakkerde weer aan. Ze schudde haar hoofd maar haar lichaam had met haar schaamte niets te maken.’ De zusjes en moeder Guldenmond hebben het zwaar met zichzelf. En met elkaar, want Bommer weet geloofwaardig de spanningen tussen de vrouwen bloot te leggen.

Bommers mannen komen echter niet helemaal uit de verf. De midlifecrisis van Dirk is het cliché van een cliché, waarin de suffe vader des huizes ineens zijn baan opgeeft om roadie te worden, omdat hij verliefd is op een popsterretje. Maar nog belangrijker: Boom zelf blijft een papieren exercitie. Hij is de motor achter het verhaal, maar Bommer legt nooit heel duidelijk uit wat hem zo onweerstaanbaar maakt. Veel verder dan een mysterieuze glimlach en een jongensachtige fonkeling in zijn ogen komt ze niet. Is er echt niets meer dan dat? Zijn vrouwen zó eenvoudig in de afgrond te storten?