Philip Roth

Tussen ‹De Ander› en ‹Het Ik›

Philip Roth, The Dying Animal.
Uitg. Jonathan Cape, 156 blz., ƒ39,50

De Philip Roth-lezer kende David Kepesh al uit twee vorige romans: hij was de erotomane literatuurdocent en cultuurliefhebber met een borstencomplex dat zo ver doorschoot dat hij zélf een vrouwenborst werd (The Breast); in The Professor of Desire werd die grote seksuele honger naar vrouwenvlees voortgezet. En nu, een jaar na The Human Stain, keert Kepesh terug, zeventig jaar oud en gelukkig niet in de gaten gehouden door Roths alter ego Nathan Zuckerman.
The Dying Animal is opgebouwd als monoloog, uitgesproken door een wanhopige Kepesh, die bekend is van radio en tv door zijn professorale praatjes over literatuur en moderne cultuur. Het verhaal speelt zich af op een avond eind januari 2000. In zijn appartement richt Kepesh zich tot een onbekende «jij», die soms iets terugzegt, en vertelt hij over de Werdegang van hemzelf en die van een van zijn studentes, Consuela Castillo. Zij is de dochter van rijke Cubaanse ballingen. Op haar (op haar lijf en borsten, moet ik zeggen) werd Kepesh in 1992 hopeloos verliefd; een verliefdheid die gepaard ging met jaloezie en bezitsdrang, gevoelens die zijn libertaire opvattingen over menselijke relaties en onthechting dwarszaten. Vandaar dat hij zijn hart uitstort bij de onbekende «jij» (zijn eerste vrouw Helen die hij in de woelige jaren zestig verliet?).
Hij probeert de chaos die eros voor hem is geworden om te smeden tot een allesomvattende vertelling over begeerte en belast gemoed: «Die heerlijke gekte die lust heet.» Maar het lukt hem niet zichzelf al vertellend los te weken van zijn object van verlangen. Hij is met huid en haar aan de Cubaanse overgeleverd. Wat betekent hechting? «De grote biologische grap over de mens luidt, dat je intiem bent zonder iets te weten over de ander.» Heeft het lijf echt het laatste woord, wat The Dying Animal op verschillende niveaus suggereert, of kan de geest toch nog ingrijpen in de eeuwige cyclus van leven en dood? Het is een verontrustende vraag die op de laatste bladzijde van Roths verhaal levensgroot voor de lezer opdoemt.
Het zijn er overigens twee die langzaam lijken dood te gaan in The Dying Animal. Kepesh, die als een ongeremd geil beest het menstruatiebloed van Consuela’s dijen likt, is de slaaf van zijn ouder wordende lijf en libido: «Seks is ook de wraak op de dood. Vergeet de dood niet. Vergeet die nooit. Ja, seks heeft een beperkte macht. Ik weet heel goed hoe beperkt. Maar vertel het maar: welke macht is groter?» Consuela, die aan het einde van de roman (o deus ex machina!) aan borstkanker blijkt te lijden, is de vleesgeworden cyclus van geboren worden en sterven, een kasteel dat ridder Kepesh, heen en weer geslingerd tussen hoofs en onhoofs gedrag, nooit verovert. Voor haar is Kepesh een experiment, zij wordt nooit zijn «bezit». En dat maakt de obsessieve Kepesh, kampioen van de onthechting, zo wanhopig.
Dat is het paradoxale in The Dying Animal. Door zijn jaloerse gehechtheid aan Consuela Castillo, de Cubaanse vesting en intrigerende mengeling van experimenteerdrift en traditie die hij nooit zal veroveren, verraadt hij zijn jaren-zestigidealen over vrije liefde. En over die periode van pseudo-revolte op seksueel en politiek terrein zegt Kepesh, en misschien Roth ook wel, dingen die met elkaar in tegenspraak zijn. Aan de ene kant hebben de jaren zestig het oude libertaire ideaal van seksuele vrijheid en blijheid weer laten ontkiemen, een revolutie die in de decennia erna voltooid zou zijn. Anderzijds noemt Kepesh de «sixties» een «explosie van kinderachtig heid, die vulgaire, hersenloze collectieve regressie».
Kepesh ziet twee sporen in de jaren zestig ontstaan, als aanval op de naoorlogse kleinburgerlijke normaliteit en op de culturele consensus: erotisch vandalisme en sociaal-polititieke strijd tegen oorlog en sociale ongelijkheid. Die twee sporen kruisen elkaar af en toe. Als «theoloog van de regelloosheid» en meester van de onthechting» merkt Kepesh op oudere leeftijd dat zijn lijf zo zijn eigen regels bepaalt die haaks staan op zijn onthechtingstheorie. Hij kan dan wel Joseph Conrads credo «Hij die een band smeedt is verloren» omhelzen en het huwelijk als kooi afwijzen; altruïsme en egoïsme blijken niet zomaar te scheiden te zijn, zoals zijn 42-jarige zoon hem voorhoudt. Ondanks alles houdt die vast aan gezin, trouw en verantwoordelijkheid.
Kepesh zit gevangen tussen De Ander en Het Ik, tussen lichamelijke lust en geestelijke opofferingsgezindheid. Wat te doen, hoe te leven met de dood op de hielen? De lezer zit ermee na zijn lectuur van The Dying Animal. En daar wilde Philip Roth hem ook hebben aan het slot van zijn kleine roman over radicale labiliteit die tegelijk opwindend kan zijn en onzeker maakt.