Tussen draagkracht en profijt

Voor ‘links’ lijkt het onderwerp taboe. Alleen Elsevier en De Telegraaf schrijven erover. En dat terwijl belastingen zeer bepalend zijn voor de rechtvaardigheid van een samenleving. Een gesprek met belastingexpert Ferdinand Grapperhaus
HIJ VERBAAST ZICH over dat progressief Nederland zo weinig belangstelling heeft voor dat fenomeen. De structuur van de belastingen - wie betaalt, hoeveel en waarom - is immers zeer bepalend voor een samenleving. Ferdinand Grapperhaus (68) houdt zich inmiddels zo'n 45 jaar met belastingen bezig. Als belastingadviseur, als KVP-staatssecretaris van Financien in het kabinet-De Jong (1967-1971), als directielid van Mees & Hope en als bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van het belastingrecht - aangesteld door het Belastingmuseum in Rotterdam. ‘Een beetje een rechts mannetje’, noemt hij zichzelf. Hij gruwt van herverdeling via belastingen, van progressieve belastingtarieven en van de ‘flauwekulletjes van vriend Vermeend’.

U heeft er altijd voor gepleit dat belastingen neutraal moeten zijn.
‘Daarmee bedoel ik dat je belastingen heft om geld voor de schatkist te verkrijgen, en dat je bij het bepalen van de hoogte van de tarieven een compromis zoekt tussen rechtvaardigheid en doelmatigheid. Ieder compromis is natuurlijk een keuze, maar het is wel neutraal, in de zin dat het niet de bedoeling is om de produktie of de bestedingen van mensen te sturen.
Belastingen moet je niet gebruiken als sturingsinstrument. Over het algemeen werkt het niet, kun je het beter op een andere manier doen en gaat het sterk ten koste van de rechtvaardigheid. Het vorige kabinet vond bijvoorbeeld dat er meer kamers moesten komen voor studenten. Je kunt dan natuurlijk meer bouwen voor studenten, maar staatssecretaris Van Amelsvoort bedacht iets anders: kamerverhuurders hoeven over vijfduizend gulden aan huurinkomsten geen belasting te betalen. Dat roept bij mij grote weerstand op. Het is onrechtvaardig, want waarom hoef je over dat inkomen opeens geen belasting te betalen, en over vijfduizend gulden loon wel? Bovendien heeft niemand kunnen aantonen dat er ook werkelijk meer kamers door worden verhuurd. Het is in de eerste plaats een financieel voordeel voor de mensen die toch al kamers verhuurden.
Ministers zijn per definitie zakkenrollers, die altijd proberen de zakken van Financien te rollen. Ze willen nu eenmaal zo veel mogelijk geld uitgeven. En als het ze niet lukt om rechtstreeks meer geld te krijgen, bedenken ze maatregelen die weliswaar niet uit de schatkist komen, maar de schatkist wel geld kosten in de vorm van minder belastinginkomsten. Een staatssecretaris van Financien moet daar altijd tegen vechten, maar Vermeend doet het omgekeerde: die verzint notabene al die belastingvoordeeltjes zelf. Fiscale faciliteiten voor creches, voor sparen, voor de zeescheepvaart.’
Wat zou uw alternatief zijn voor die belastingaftrek voor crechekosten, hoe moet je dan kinderopvang stimuleren?
'Eigenlijk moeten we dan eerst discussieren over het nut van creches, maar laten we dat maar niet doen. Als de overheid vindt dat er creches moeten komen, dan moet de overheid dat betalen en dan moet de belasting maar omhoog. Belastingmaatregelen zijn vaak een truc om de collectieve uitgaven kunstmatig laag te houden. Neem de investeringsaftrek. Eigenlijk is dat een subsidie aan bedrijven. Maar als je die subsidie uitdeelt via belastingverlaging, wek je de indruk dat de collectieve uitgaven dalen, terwijl een officiele subsidie de collectieve lasten doet stijgen. Optisch bedrog dus. Die Bert-norm (naar minister van Sociale Zaken De Vries, die stelde dat de collectieve lastendruk maximaal vijftig procent mocht bedragen - mdr) was onzin. Als je als samenleving voor meer opgaven staat, moeten de belastingen omhoog, zo simpel is het.’
Hij is ook 'uit democratisch oogpunt’ tegen belastingfaciliteiten, omdat het om uitgaven gaat die nooit meer worden getoetst door het parlement in tegenstelling tot normale overheidsuitgaven. Grapperhaus geeft het voorbeeld van de sigarenfabrieken, die na de oorlog werden vrijgesteld van omzetbelasting, omdat ze over de kop dreigden te gaan door de naoorlogse voorkeur van het volk voor Engelse sigaretten. 'Misschien is daarmee die industrie deels gered, maar hoe draai je vervolgens zo'n maatregel weer terug als die niet meer nodig is? En is het rechtvaardig?’ Ander voorbeeld: als verzekeringsmaatschappijen beleggen in sociale woningbouw, hoeven ze geen belasting te betalen. 'Daarmee loopt de schatkist handenvol geld mis. Is dat wel de beste manier om sociale woningbouw te stimuleren?’
De hypotheekrenteaftrek vindt hij weer een ander verhaal. 'Binnen het belastingrecht wordt een eigen huis beschouwd als een bron van inkomsten, en die inkomsten worden in de vorm van het huurwaardeforfait bij je inkomen opgeteld. Hypotheken zijn in die redenering verwervingskosten: kosten die je maakt ter verwerving van het inkomen. Maar het huurwaardeforfait zou van mij best een stuk hoger mogen zijn, dat is wat het nu onrechtvaardig maakt.’
Wat volgens hem wel nodig moet worden afgeschaft is de aftrekbaarheid van rente over consumptieve leningen en van giften - in de jaren vijftig ingesteld als verkapte subsidie aan de kerken: 'Dat zijn gewoon bestedingen, en het is onzin dat de overheid dat subsidieert.’
TOEN GRAPPERHAUS staatssecretaris was, was het hoogste belastingtarief 72 procent. Nu is dat zestig procent. Een goede ontwikkeling, vindt hij. 'Het gaat gewoon om trends in de samenleving. Een van die trends is dat er een basisinkomen aankomt. Dat kan best twintig jaar duren, maar het komt. Een andere trend is dat de inkomstenbelasting steeds meer proportioneel wordt: iedereen betaalt een even groot percentage aan belastingen en premies, het progressieve verdwijnt. Ik geloof absoluut niet in progressieve tarieven. Ze geven een illusie van rechtvaardigheid, maar ze worden afgewenteld: als mensen weten dat ze meer belasting moeten betalen, zorgen ze gewoon dat ze bruto meer verdienen. De meeste mensen weten bijvoorbeeld niet dat iedereen tussen modaal en drieeneenhalf maal modaal, dus tussen pakweg 45.000 en 150.000 per jaar, al vrijwel hetzelfde percentage betaalt, namelijk vijftig procent.’
Zoals iedere belastingman riep ook u als staatssecretaris dat u de belastingen zou vereenvoudigen. En vervolgens ontdekte u dat dat nauwelijks kon.
'De verschillen tussen mensen bleken te groot om bijvoorbeeld alle aftrekposten af te schaffen en in plaats daarvan een forfait, een korting die voor iedereen geldt, in te voeren. Het zou mooi zijn als de een veel giften geeft, de ander hoge bijzondere lasten heeft en de derde een hypotheek, dan kom je op een aardig gemiddelde, maar dat bleek dus niet zo te zijn. In feite ben ik m'n hele leven bezig geweest met die afweging tussen doelmatigheid en rechtvaardigheid.
De oerbeginselen voor het heffen van belastingen zijn steeds dezelfde, in welke tijd of in welke maatschappij dan ook: het profijtbeginsel en het draagkrachtbeginsel. Het profijtbeginsel vinden linkse mensen dus niks, want die vinden dat je juist moet herverdelen. En ik zeg dat dat toch niet lukt. De motorrijtuigenbelasting is zo'n belasting die gebaseerd is op het profijtbeginsel: wie van de weginfrastructuur profiteert, betaalt. Wat mij betreft doe je zoveel mogelijk via het profijtbeginsel. Het leuke is dat dat tegenwoordig, dank zij de automatisering, steeds beter kan. We weten steeds beter wie waar van profiteert.’
Tien jaar geleden fantaseerde Grapperhaus al over een vrijwel volledig geautomatiseerde belastingaangifte, waarbij door de koppeling van bestanden alle gegevens van mensen automatisch bij de belastingdienst belanden: inkomen, bezit van onroerend goed, giften, noem maar op. 'Dat dat schending van de privacy zou zijn, vind ik onzin.
Wat je niet via het profijtbeginsel kunt financieren, moet je financieren via het draagkrachtbeginsel. Politie, justitie en landsverdediging zijn daarvan de duidelijkste voorbeelden. En let op: draagkracht is dus iets heel anders dan herverdeling. Veel mensen zien dat in elkaars verlengde en gebruiken dan het woord solidariteit, maar dat is onzin. Draagkracht is net zo goed een liberaal beginsel. Je wilt de maatschappij niet veranderen, het gaat gewoon om artikel 1 van de grondwet: gelijke gevallen gelijk behandelen, en verschillende gevallen verschillend, zulks naar evenredigheid van het verschil. Ook de meest rechtse bal vindt denk ik dat een verschil in draagkracht een verschil in belastingen rechtvaardigt. Draagkracht is: ik heb een groter inkomen, dus ik kan meer betalen. Maar zwaar progressieve tarieven gaan uit van een andere filosofie: dan wil je bij de rijken weghalen en aan de armen geven, dat is herverdeling.’ En daar is iets op tegen? 'Nee, als het hele Nederlandse volk vindt dat dat moet, dan moet dat.’
In een opzicht is Grapperhaus de laatste jaren wel veranderd: hij vindt tegenwoordig dat er een derde beginsel is dat het heffen van belastingen rechtvaardigt: het schadebeginsel. 'Het schade toebrengen aan de gemeenschap moet vergoed worden aan de gemeenschap. Zo kun je milieuvervuiling belasten. Dat valt binnen de neutraliteit, het is een soort omgekeerd profijtbeginsel. Maar ik zeg erbij dat je er weinig van moet verwachten in de zin van gedragsverandering. Kijk maar naar de hoge accijns op sigaretten, en de onderzoeken waaruit blijkt dat zelfs bij verdubbeling van de autokosten het autogebruik nauwelijks zal afnemen.’
Veel belastingen - de gemeentelijke reinigingsrechten, kijk- en luistergeld - bestaan uit een vast bedrag per persoon. Zou het niet rechtvaardiger zijn die op te nemen in de gewone inkomstenbelasting, zodat er naar inkomen wordt betaald?
'Maar dit is nou weer dat profijtbeginsel. Zolang er nog mensen zijn die geen televisie hebben, kun je niet iedere Nederlander aan dat kijk- en luistergeld laten meebetalen.
De grootste gemeentelijke belasting, de onroerendgoedbelasting, is trouwens wel afhankelijk van de waarde van je woning. En begrijp het goed: dat is niet vanuit progressiviteit, maar vanuit het idee dat je meer profiteert van de gemeentelijke voorzieningen naarmate je een groter huis hebt.’
Onlangs publiceerde Grapperhaus in het Weekblad voor Fiscaal Recht een plan voor de belastingheffing in de komende eeuw: schaf de inkomstenbelasting af en hef alle belastingen voortaan via de bedrijven. Waarbij de hoogte afhankelijk is van het beslag dat de onderneming legt op arbeid en kapitaal: de loonsom en het kapitaal dat de onderneming vertegenwoordigt.
Grapperhaus: 'Dat heeft allemaal voordelen: mensen merken minder dat ze belasting betalen, en dat is gunstig voor het draagvlak. En we hebben in Europees verband een nieuwe belastingstructuur nodig, omdat het onmogelijk is om alle bestaande systemen van al die landen naar elkaar toe te trekken. En tenslotte kun je er als overheid veel meer mee sturen. Een werknemer van een stinkfabriek kun je geen hogere loonbelasting vragen, maar de stinkfabriek zelf kun je wel een hogere LBB - loonsom- en bedrijfsvermogenbelasting - opleggen.’
Dat idee lijkt in te druisen tegen de actuele discussies om de belasting op arbeid juist af te schaffen, omdat belasting arbeid duur maakt en dus slecht is voor de werkgelegenheid. 'Maar je kunt nu eenmaal niet zonder belasting op arbeid, anders ben je als overheid te veel inkomsten kwijt. Maar binnen mijn LBB-plan mag je best de belasting op de loonsom verlagen en bijvoorbeeld de BTW, wat een belasting op consumptie is, verhogen.’
Voordat Grapperhaus staatssecretaris werd, was hij vijftien jaar belastingconsulent. En zocht hij voor zijn clienten juist alle mazen in de wet om onder belastingen uit te komen. 'Ik had toen gewoon een andere taak. Het zit in de aard van de mens om het offer zwaar aan te zetten, en de collectieve voorziening die ermee betaald wordt, gering te achten. Vandaar ook mijn voorstel voor de LBB, omdat mensen dan minder merken dat ze belasting betalen. Zoals dat nu al geldt voor de BTW.’
HET WAS ALS belastingadviseur dat Grapperhaus zijn theorie ontwikkelde over hoe mensen aankijken tegen geld: 'Ik onderscheid drie menstypen. Het overgrote deel van de mensen ziet geld als verlengstuk van bestedingsmogelijkheid. Geld is er om uit te geven. Als ze meer verdienen moet er meteen een duurdere auto, een duurder huis komen. Dat geldt voor arbeiders en voor veelverdieners. Ze begeven zich daarmee vrijwillig in gevangenschap, want het verplicht ze eigenlijk om altijd zoveel te blijven verdienen.
De tweede categorie zijn mensen die sparen. Hoeveel ze verdienen maakt niet uit, ze sparen. Ze kopen daarmee zekerheid en vrijheid. Vrijheid om ander werk te zoeken - je zit niet vast aan afbetalingen.
En de derde categorie mensen, daarvoor is geld een spel. Het gaat niet om het uitgeven, niet om de zekerheid, ze zijn er gewoon door geobsedeerd, en beschouwen het ook als een rapportcijfer voor succes. Ik denk dat ik zelf tot de tweede categorie hoor. Maar ik verkeer natuurlijk ook in de positie dat ik me kan veroorloven om in een 2CV te rijden.’
De drie verschillende houdingen hebben overigens geen invloed op de houding van mensen jegens belastingen, denkt hij. 'Daar kun je niks verstandigs over zeggen.’
Het gekke is dat je bij Elsevier en De Telegraaf moet zijn om iets over belastingen te lezen.
'Ja gek he, dat linkse kranten er zo weinig over schrijven? En er ook geen donder van weten. Want belastingen zijn zeer bepalend voor de rechtvaardigheid van een samenleving. Die weerzin jegens belastingen heerst trouwens ook binnen de regering, was mijn ervaring. Ik moest bijna zeuren om voorstellen besproken te krijgen.’
Als staatssecretaris was u tegen wat toen nog de 'Dolle-Mina-optie’ heette, namelijk individualisering van de belastingen. Als je niet langer naar de leefvorm kijkt, ondergraaf je het draagkrachtprincipe, stelde u.
'Aan mijn studenten vraag ik altijd of zij vinden dat het aanschaffen van een hond hetzelfde is als een vrouw of een kind: gewoon een besteding van inkomen. Ik vind dat dus niet hetzelfde, al was het maar omdat je met je vrouw en je kind je inkomen deelt en ook voor de wet onderhoudsplichtig bent voor je partner en kinderen. Dus kom je dan weer uit bij de kwestie van draagkracht: wie anderen moet onderhouden, heeft minder draagkracht en hoeft dus minder belasting te betalen, dat lijkt me nog steeds alleszins redelijk.’
Onlangs hield de Raad van kerken een discussie over het afschaffen van belastingfaciliteiten voor de rijken, om zo pakweg tien miljard gulden vrij te maken voor de armen.
'Ik vind dat een ongeclausuleerde, emotionele, ongefundeerde typische Raad-van- Kerkenbenadering. Als je vindt dat aftrekposten niet logisch en onrechtvaardig zijn moet je ze afschaffen, en als je vindt dat de laagstbetaalden te weinig hebben, moet je misschien de bijstand verhogen. Wat zijn dat trouwens, “de armen”? De BTW kent ook nog steeds twee tarieven onder het mom dat de eerste levensbehoeften niet te hoog belast mogen worden. Maar gelukkig is de welvaart in Nederland ook bij de laagstbetaalden zo hoog, dat ze van heel veel goederen gebruik maken die in het hoge tarief zitten. Het is dus hoog tijd om die twee BTW-tarieven gelijk te trekken.’