Tussen dromen en waken

Vendela Vida (ed.)
The Believer Book of Writers Talking to Writers
Believer Books (McSweeney’s), 455 blz., ca. € 10,-

Dat eigenlijk iedere schrijver heel gevoelig is, en onzeker bovendien, dat geloven we graag. En dat ook Kafka al bindingsangst had, en diens 21ste-eeuwse collega zich dus in goed gezelschap bevindt, ja, het zal wel. Je wordt er een beetje mies van, van al die zogenaamde intimiteiten waar het gemiddelde schrijversinterview bol van staat. De interviews die eerder in het Believer magazine verschenen en die onlangs werden gebundeld in The Believer Book of Writers Talking to Writers, zijn meer dan schoolvoorbeelden van schrijversinterviews zoals je ze wilt lezen. Ze zijn namelijk ook nog eens een beetje raar en ongeremd, niet gehinderd door al te veel ontzag (al kende ik een aantal van de interviewende schrijvers niet), maar ook niet vervelend aanmatigend.

Medium schrijvers

‘Wat heeft u vandaag tot nog toe gedaan?’ Met zo’n vraag kom je nog eens ergens. Tenminste wel bij een schrijver als Paul Auster, die in antwoord op deze vraag ons een blik gunt op zijn gemiddelde werkdag, die voor zo’n zes uur uit schrijven blijkt te bestaan en voor de rest opgaat aan meer huiselijke besognes. Van de praktijk van het schrijven is het een kleine stap naar techniek en ritme en de rol die muziek en film in zijn werk spelen, en zo’n achttien bladzijden later snap je precies wat Auster bedoelt met zijn verlangen boeken te schrijven die over honderd jaar nog gelezen kunnen worden.

Dave Eggers heeft zijn vragen aan Joan Didion op blauwe kaartjes uitgetikt, maar wil eerst het fijne weten van haar (Californische) rijbewijs. Janet Malcolm, schrijfster van onder andere het heerlijk vileine The Silent Woman – over het huwelijk van Sylvia Plath en Ted Hughes – krijgt de kans uit te wijden over het onvermijdelijke verraad dat het schrijven van een biografie of portret met zich meebrengt. Zadie Smith interviewt Ian McEwan, van wie zij jarenlang dacht dat hij vijftien woorden per dag schreef en dat dat de opperste schrijfkunst moest zijn. Haruki Murakami wordt erop gewezen dat de vrouwelijke musici in zijn werk het altijd zo zwaar hebben, en waarom dat toch is.

Ook mooi van deze interviews: ze worden vooraf gegaan door een puntige, persoonlijke karakterisering van iemands werk en schrijverschap. Zo lezen we over John Banville: ‘Banville’s themes are the big ones – the shifting grounds of truth, time, and the ever-shaky self – and he digs at them with doggedness, ambition, and a vocabulary that will bring even the most casual logophiles to their knees in bliss.’ De Ben Ehrenreich die dit schrijft weet eenmaal in gesprek met Banville efficiënt het ijs te breken: ‘Bent u in staat uw eigen boeken te appreciëren?’ Antwoord: ‘Nee. Ik haat ze stuk voor stuk.’ Verderop vertelt Banville hoe hij het schrijven van romans combineert met het schrijven van kritieken. ‘Recenseren doe ik als ik klaarwakker ben en in een rechte lijn denk; aan fictie wijd ik me als ik me zo tussen dromen en waken in bevind.’ Kijk, zoiets stemt tot nadenken. Al was het maar omdat je je afvraagt of ’t niet andersom is, en in welke staat van uitgeslapenheid je moet verkeren om een schrijver te kunnen interviewen.