Freud leeft nog altijd

Tussen droom en analyse

Is er wel iets mis met Freuds ‘Traumdeutung’, zoals de moderne wetenschap zo vaak heeft beweerd? Veel psychoanalytici betrekken de dromen van hun cliënten bij de analyse. Interpretatie daarvan heeft nog altijd zin.

Freuds droomtheorie is de afgelopen decennia door velen bekritiseerd, gedeconstrueerd, doodgezwegen of met de grond gelijk gemaakt. Het leek alsof zijn Traumdeutung volledig als «romantisch» en dus onwetenschappelijk kon worden geclassificeerd en daarmee verworpen. Toch zijn er nog veel psychoanalytici die naar de dromen van hun patiënten luisteren en deze interpreteren, hoewel slechts weinigen zich aan de subtiele en uitgebreide duidingen wagen die we in de Traumdeutung vinden. Daarbij gaat het veelal om de relaties tussen dromen en denken, en vormen dromen een uitgangspunt om de geestesgesteldheid van patiënten te exploreren. Dromen reflecteren het vermogen om een bepaalde mentale ruimte te creëren die de Engelse psychiater Winnicott potential space of transitional space heeft genoemd: de tussenruimte die het kind — en later de volwassene — in staat stelt de kloof te overbruggen tussen zijn verbeelding en de objectieve waarneming, tussen de dagdroom en de cultureel bepaalde realiteit waarmee hij wordt geconfronteerd.

Dromen spelen nog altijd een rol in de complexe relatie tussen analyticus en analysant. In wat overdracht wordt genoemd, projecteert de laatste fantasieën en gevoelens van lust en onlust, van liefde en haat, van vertrouwen en wantrouwen in de analyticus, en via de herhaling van deze gevoelens leert hij de oorsprong ervan kennen. Dromen worden door de patiënt ingezet in de vorm van een plot of intrige, als cadeau dat de analyticus wordt aangeboden — het is verbazend hoe veel en hoe interessant je droomt wanneer je in analyse bent —, zij worden gebruikt om de analyticus te verleiden of om zijn aandacht van iets anders naar de droom te verschuiven. In de communicatiesituatie van de dagelijkse sessies worden dromen gebruikt als terugkerende verhalen die de continuïteit van het analytische proces waarborgen.

In Dreaming and Thinking (2000) laten een aantal Engelse psychoanalytici zien hoe dromen kunnen fungeren als afweer tegen paranoïde angsten of ondraaglijke schuldgevoelens. Zij beschrijven hoe de herhalingsdrang zich in terugkerende dromen manifesteert en hoe conflicten waar juist niet over gedroomd wordt in de persoon van de analyticus worden geprojecteerd. Dromen fungeren hier als onderdeel van een theorie over de menselijke geest via de wijze waarop analysanten hun eigen psychische leven, hun gedachten en gevoelens ervaren.

Vanouds zijn mensen gefascineerd geweest door de mysterieuze taferelen die zich ‘snachts in hun dromen afspeelden. In de Oud heid al waren de slaap en de droom geliefde onderwerpen voor zelfonderzoek en filosofische reflectie. Met de natuurfilosofie van de Romantiek ontstond een nieuwe visie op het onbewuste. Dit werd niet langer beschouwd als een reservoir voor vergeten gebeurtenissen of onduidelijke waarnemingen, maar als het diepste fundament van de menselijke natuur. Veel grote Romantici hebben een droomtheorie ontwikkeld, en de meesten van hen legden de nadruk op de creatieve processen die in dromen werkzaam zijn. De negentiende eeuw, die gefascineerd was door het droomleven, was de tijd van ratio nalisering en medicalisering van de droomstudie. Pas toen werd de droom serieus genomen, niet om zijn voorspellende karakter of poëtische scheppingskracht, maar als uitgangspunt van psychopathologisch onderzoek. De droom ontsnapte aan het domein van de religie, van het heilige en het wonderbaarlijke, en belandde in dat van de wetenschap.

In zijn Traumdeutung daalde Freud af in de droomwereld van de Weense bourgeoisie en ontrafelde hij de dieptestructuren van het onbewuste leven. Hij beschreef de regels waarmee het onbewuste opereert en de overheersende drang van driften om zich via het bewuste te manifesteren. Doordat er een censuur — de «bewaker van de slaap» — optrad om al te schokkende, veelal seksuele fanta sieën in het bewustzijn toe te laten, moesten de droomvoorstellingen zich volgens hem vermommen en een symbolisch masker aannemen. Het doel van Freuds droomduiding was om de verscholen betekenissen van die cryptische nachtelijke beelden te ontcijferen om deze vervolgens te vertalen naar de taal die wij in wakkere toestand spreken. Daarmee zouden onbewuste conflicten en fantasieën die bij de patiënt onbehandelbare symptomen veroorzaakten, bewust worden en zou er een genezingsproces op gang kunnen worden gebracht. Of, zoals Freud het schreef: «Wo Es war, soll Ich werden.»

Freud liet ook zien dat dromen evenals symptomen historisch en cultureel bepaald zijn. Hij toonde aan dat dromen symptomatische sporen onthullen van een samenleving met een verstoord driftleven en een dubbelzinnige moraal, onderworpen aan strenge eisen van controle en verdringing, en daardoor ook onophoudelijk geneigd om verboden verlangens via een omweg te bevredigen. In de droom verschijnt datgene wat in het openbare leven gecensureerd en verdrongen is gebleven. Het droomleven van de bourgeoisie zoals Freud dat beschrijft, kan worden gelezen als een psychogram van de angsten en wensen van een klasse in het algemeen en van hemzelf in het bijzonder. Hij werd hiermee voor een verscheurend dilemma geplaatst, want enerzijds werd hij gedreven door het wetenschappelijke verlangen om zijn revolutionaire ontdekkingen wereldkundig te maken, anderzijds duidde hij in eerste instantie zijn eigen dromen en wilde hij niet al te veel loslaten over zichzelf: «Andere moeilijkheden moet ik in mijn eigen innerlijk overwinnen. Men gevoelt een begrijpelijke schroom om zoveel intiems uit zijn zieleleven prijs te geven, en weet zich daarbij ook niet gevrijwaard voor misverstanden bij de buitenwacht. Maar daar moet men zich overheen kunnen zetten.» Freud begreep nog niet dat hij zijn eigen verinnerlijkte taboes eenvoudigweg niet openbaar kon maken. De droomanalyse van de jonge patiënte Irma toont aan hoezeer Freud gelijk heeft wanneer hij spreekt over weerstanden en afweermechanismen: ook bij hem is volledige herkenning daarvan niet mogelijk.

Na Freud is het droomonderzoek ingrijpend veranderd. Zo wordt er over het algemeen niet langer van uitgegaan dat dromen wensvervullingen zijn, maar zowel uitingen van innerlijke conflicten als van pogingen om die conflicten op te lossen. Er wordt nog wel aangenomen dat het dromen processen van representatie en symbolisering in werking zet die van betekenissen zijn voorzien. Dromen worden ook wel gezien als een geheel van beelden tegen een neutrale achtergrond (het «droomscherm»), waar de dromer naar kijkt zoals hij ook naar een film of televisiebeelden kan kijken. Ook is duidelijk geworden dat niet alleen de droomduiding, maar ook dromen zelf door de overdracht worden beïnvloed. Dromen worden vaak gedroomd «with the analyst in mind», en als gevolg daarvan zou je kunnen zeggen dat er typisch freudiaanse en jungiaanse dromen bestaan, die zich schikken naar de specifieke taal van de analyticus. Dromen zijn dan ook onlosmakelijk verbonden met de interpretatie waar analyticus en analysant samen naar zoeken, en die varieert met het ziektebeeld van de patiënt.

Neurotici hebben vaak een ontwikkeld introspectief vermogen, zij zijn in staat om dromen snel in korte verhalende teksten om te zetten die veel lijken op dagdromen en fantasieën, en waarin slechts weinig overblijft van de infantiele processen die de kern van elke droom vormen. Psychotische patiënten daarentegen hebben een gebrekkige of zelfs geheel ontbrekende introspectie, en hoewel hun dromen toch als een vorm van zelfreflectie mogen worden beschouwd, gaat het hier om primitieve voorstellingen, die gekenmerkt worden door een gedeeltelijk onvermogen tot symboliseren.

Freud heeft een aantal keren opgemerkt dat de neurobiologie uiteindelijk het merendeel van zijn ontdekkingen overbodig zou maken. Hij was ervan overtuigd dat het mogelijk zou blijken psychologische gegevens met biologische data samen te brengen, maar de beperkte kennis die in zijn tijd voorhanden was, dwong hem een einde te maken aan vroege pogingen die hij in die richting ondernam. Om die reden vooral construeerde hij zijn theoretische model van de psyche zonder rekening te houden met het bestaande onderzoek naar hersenfuncties, maar via observatie van zijn patiënten en zichzelf. Tegenwoordig zijn er onderzoekers in de cognitieve en neurowetenschappen die denken Freuds hypotheses over de werking van de geest als uitgangspunt te kunnen nemen, waardoor een nieuwe dialoog ontstaat tussen de neuro wetenschappen en de psychoanalyse. Zij ontkennen dan ook geenszins dat de psychoanalyse een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan recente visies over het functioneren van de psyche.

Voor de Amerikaanse neurowetenschapper Antonio Damasio bestaat het bewustzijn uit twee delen: het autobiografische zelf en het core self. Het autobiografische zelf wordt gevormd door herinneringen uit het beleefde verleden en voorstellingen over de geanticipeerde toekomst; het groeit onophoudelijk naar aanleiding van nieuwe ervaringen die de herinneringen tevens opnieuw vormgeven. Het core self, dat ons op elk mogelijk object laat reageren, vindt zijn oorsprong in wat Damasio proto-self noemt: een onderling met elkaar verbonden verzameling neurale patronen die in verschillende niveaus van de hersenen de staat weergeven waarin het organisme zich op een bepaald moment bevindt, en waarvan wij ons niet bewust zijn. Damasio schrijft in The Feeling of What Happens (1999) dat zijn eigen visie op het bewustzijn als «innerlijk gevoel» historisch verbonden is met die van onder anderen Freud. Bewijzen voor het bestaan van een onbewuste en voor de kracht van onbewuste processen in het menselijk gedrag zijn volgens Damasio in de afgelopen eeuw via hersenonderzoek overtuigend geleverd. Wie nu nog zoals Jean-Paul Sartre zou beweren dat hij geen onbewuste heeft, maakt zich dan ook tamelijk belachelijk. Damasio’s drieledige model van de psyche is een uiterst verfijnde, biologisch gerichte en op recent hersenonderzoek gebaseerde versie van Freuds driedelige model van het psychische leven. Wat bij Damasio echter ontbreekt, is de censuur, Freuds superego. De stem van het geweten is kennelijk niet in de hersenen te lokaliseren.

Kunnen Freuds theorieën nog een rol spelen in het zeer gecompliceerde neuro-psychologisch onderzoek dat tegenwoordig wordt gedaan? De Amerikaanse psychiater Morton Reiser schrijft in de bundel Whose Freud? (2000) dat we met twee verschillende soorten empirische data te maken hebben. Enerzijds zijn er de «subjectieve» data verkregen uit het vrij associëren tijdens de psychoanalytische kuur en de daaruit voortkomende modellen van psychische functies zoals Freud die beschreef. Anderzijds zijn er de «objectieve» neurologische modellen afkomstig uit de biologische studie van het brein en verkregen via cognitief onderzoek en computermodellen. Deze twee soorten data behoren tot twee verschillende disciplines, en kunnen niet via oorzaak en gevolg aan elkaar worden gerelateerd. Dit impliceert echter niet dat psychoanalyse en neurobiologische modellen incompatibel zijn en elkaar volledig uitsluiten. Er is een gemeenschappelijke factor: in beide gevallen spelen emoties een fundamentele rol. Freud was een van de pioniers van het wetenschappelijk onderzoek naar emoties, een onderwerp dat tegenwoordig in de cognitieve en neurowetenschappen een belangrijke plaats inneemt. Damasio benadrukt dat Freud het pathologische potentieel van een verstoord gevoelsleven als eerste op overtuigende wijze heeft beschreven.

Daarbij lijken neurale geheugennetwerken parallel te lopen met de psychoanalytische visie op de affectieve organisatie van het geheugen. Freuds herhaalde uitspraak dat de droom de «koninklijke weg» naar een beter begrip van het onbewuste zou zijn, is invloedrijk geweest in het onderzoek naar hersen activiteiten tijdens de slaap. Psychologische studies over de REM-slaap hebben aangetoond dat voorstellingen die in dromen worden geactiveerd het gevolg zijn van geheugensporen die in een deel van de cortex zijn opgeslagen. Deze geheugensporen, die verbonden zijn met specifiek conflictueuze affecten, maken dat bepaalde droombeelden tijdens de slaap gemakkelijker worden opgeroepen. Volgens Reiser zijn het feit dat deze droombeelden tijdens de REM-slaap via chemische processen worden veroorzaakt, en de gedachte dat de droom een wensvervulling (het oplossen van een conflict bijvoorbeeld) zou zijn, totaal verschillende uitgangspunten, die echter gedeeltelijk parallel lopen en elkaar vooralsnog niet uitsluiten.

Neuropsychologen als Karen Kaplan en Mark Solms hebben zich in eerste instantie vooral beziggehouden met het effect dat hersenbeschadigingen op het dromen kunnen hebben, en zij lieten zich daarbij inspireren door wat de Russische psychoanalyticus Luria «syndroom analyse» heeft genoemd. Zij ontdekten dat verschillende soorten lesies in delen van het brein het dromen geheel kunnen doen verdwijnen of dromen veroorzaken die afwijken van meer gangbare patronen. Zo kunnen bepaalde beschadigingen het vermogen tot symboliseren aantasten. Dromen kunnen ook geheel wegblijven bij patiënten met een ziektebeeld dat adynamia wordt genoemd, zij kunnen bepaalde visuele componenten missen zoals gezichten, bewegingen of kleuren. Sommige patiënten verliezen het vermogen om dromen van de werkelijkheid te onderscheiden. Verschillende door Kaplan en Solms in Clinical Studies in Neuro-Psychoanalysis (2000) onderzochte afwijkingen wijzen erop dat bij dromen het abstracte, symbolische stadium voorafgaat aan de concrete droomvoorstelling, de omgekeerde weg van wat er in het normale cognitieve patroon gebeurt. Hiermee geven Kaplan en Solms Freud gelijk in zijn bewering dat dromen betekenisvolle psychologische gebeurtenissen zijn die in onbewuste processen hun oorsprong vinden, en dat het hier niet gaat om zinloze verschijnselen, zoals de afgelopen vijftig jaar herhaaldelijk is beweerd.

Interpretatie betekende voor Freud het ontcijferen en geven van betekenis aan verschijnselen die vóór hem betekenisloos leken, want de psychoanalyse is in de eerste plaats een tekstwetenschap die zich bezighoudt met dromen, fantasieën, cultuur, seksualiteit, relaties en verlies, interacties en gedrag, leven en dood. In tegenstelling tot andere hermeneutische wetenschappen wil de psychoanalyse de gelaagdheid en veelheid aan betekenissen van teksten en beelden niet reduceren maar juist vergroten. Wie zal ontkennen dat mensen een onuitroeibaar verlangen hebben naar het interpreteren van de literatuur die zij lezen en de films die zij zien, van de handelingen die zij verrichten en de dromen die zij dromen? Al kunnen sommige neuropsychologen belangstelling tonen voor Freuds theorieën, zij houden zich niet bezig met droominterpretatie, met het waarom van het verschijnen van juist dat ene absurde droombeeld, het voelen van juist die ene hevige emotie, met het bijzondere moment van herinneren via associatie. Daarvoor zijn we nog altijd op de psychoanalyse aangewezen.