Tussen droom en wakker

Het verhaal wil dat Haruki Murakami (1949), toen eigenaar van een jazzcafé, in 1978 naar een honkbalwedstrijd keek toen hij ineens, op het moment dat de slagman de bal raakte, zelf werd getroffen door het idee dat hij wel eens een roman zou kunnen schrijven. Diezelfde avond ging hij aan de slag en binnen een jaar won hij een van de meest prestigieuze schrijfwedstrijden van Japan met zijn debuutroman Hear the Wind Sing.

Meer dan een kwart eeuw later is Murakami een schrijver met een cultstatus die weinigen evenaren. De Britse uitgeverijen Vintage en Harvill Secker hebben bijna al zijn titels op de markt gebracht en in Nederland is Atlas een inhaalslag gestart. Murakami heeft nog een voorsprongetje op zijn vertalers; het gevolg is dat er met een onregelmatige regelmaat boeken van hem verschijnen. Dit kalenderjaar staat de teller op twee; de verhalenbundel Blind Willow, Sleeping Woman en de roman After Dark.

After Dark is alweer zijn dertiende roman na Hear the Wind Sing. Over elk boek dat hij na zijn debuut publiceerde waren de lezers enthousiast, al moest de intelligentsia weinig van hem weten. Zijn grootste criticus was de Nobelprijs-laureaat Kenzaburo Oë die zijn werk maar «populair» en «westers» vond. Vergeleken met het werk van Oë of Yasunari Kawabata (Nobelprijs 1968) doet Murakami’s oeuvre inderdaad niet typisch Japans aan. Moderne Japanse literatuur is vooral stugge kost, die meer focust op karakter- dan op plotontwikkeling en veel waarde hecht aan een sterk gecontroleerde schrijfstijl. Murakami werkt anders. Zelf zegt hij dat hij zelden weet hoe zijn verhaal afloopt als hij eraan begint en zijn schrijfstijl is alles behalve sterk gecontroleerd te noemen. Hij mengt tal van literaire tradities door elkaar en bestrooit zijn pagina’s rijkelijk met relativerende humor en referenties aan moderne Amerikaanse cultuur – vooral jazz – en wereldgeschiedenis.

Hoewel de vorm in niets Japans aandoet, doen de thema’s die Murakami aansnijdt dat wel: de obsessie met het kapitalisme, zelfmoord, de vervreemding tussen mensen in de grote steden en vooral de rol van het onderbewustzijn bij de mens. Zijn karakters zijn vaak droogkomische, maar lethargische loners die in rare avonturen terechtkomen zonder dat ze zelf precies snappen waarom. Halverwege de romans doet zich meestal een situatie voor – vaak in ondergrondse plekken als grotten en metro’s – waarin de karakters metafysische grenzen overschrijden en hun onderbewustzijn betreden, en ze vaak moeten rennen voor hun leven, of in ieder geval voor hun verstand. Misschien is zijn werk het best te vergelijken met de films van David Lynch (Mullholland Drive, Twin Peaks): dromerige verhalen waarin de scheidslijnen tussen werkelijkheid en surrealisme, tussen droom en wakker, uiterst vaag zijn.

In dit opzicht is The Wind-Up Bird Chronicle (1994-’95, in Japan verscheen het in drie delen) zijn meest geslaagde werk. Het is een vuistdik boek over een werkloze man die op zoek is naar zijn verdwenen kat, en ook nog eens zijn vrouw kwijtraakt. Deze blijkt uiteindelijk in een soort spookdimensie, gecreëerd door zijn extreem-rechtse zwager, vast te zitten. Daarnaast wordt uitvoerig verteld over de Japanse bezetting van Mantsjoerije. Het boek wordt bijna altijd genoemd als Murakami’s magnum opus. Dat is terecht, het boek heeft inderdaad alle facetten uit zijn andere werk, plus een beetje extra. Maar tegelijkertijd is het niet zijn mooiste boek, en ook niet het sleutelwerk uit zijn oeuvre.

Die eer is weggelegd voor Norwegian Wood (1987, nog niet vertaald in het Nederlands). Om die roman te waarderen dien je als lezer eigenlijk een niet-chronologische leesroute te volgen door het oeuvre van Murakami. Men dient te beginnen met een titel uit zijn komische, magisch-realistische werk. Naast The Wind-Up Bird Chronicle ook A Wild Sheep Chase (1982), waarin de kat van de hoofdpersoon wordt gegijzeld door een terminale extreem-rechtse politicus, die de hoofdpersoon dwingt op zoek te gaan naar een schaap met genezende krachten. Of Dance, Dance, Dance (1988), waarin het onderbewustzijn vertegenwoordigd wordt door de mysterieuze, zonderspatiespratende Sheepman.

Daarna dient werk uit de donkere categorie van onder meer South of the Border, West of the Sun (1992), Kafka on the Shore (2002) en Hard-Boiled Wonderland and the End of the World (1985) te volgen. Deze titels zijn somberder en ontoegankelijker. Met name het laatste werk is een bijna ondoordringbaar labyrint van symboliek en fantasie. Maar juist als deze werken gelezen zijn, valt het op hoe weinig pretentie Norwegian Wood heeft – en wat een uitmuntend boek het daardoor is.

Het is Norwegian Wood dat de wezenlijke kwaliteit van de schrijver openbaart. Hoofdpersoon Toru Watanabe ziet al zijn vrienden en liefdes ten onder gaan in het Tokio van de jaren zestig, een periode van rumoer en geweld onder de noemer van politiek idealisme, maar hij probeert wanhopig te blijven drijven. Hoewel het verhaal zielig tot en met is, is de stem van Watanabe er een die hoop uitstraalt. Norwegian Wood is Murakami’s enige titel zonder spookdimensies, zonder telepathie; het is gewoon het verhaal van een student met zijn ziel onder zijn arm. En juist doordat in Norwegian Wood alle surrealistische franje is weggelaten, valt het nog maar eens op hoe goed Murakami geloofwaardige karakters neer kan zetten. En wat een heerlijk leesvoer dat kan opleveren.

De twee titels die dit jaar zijn verschenen vertegenwoordigen allebei een uiterste van zijn oeuvre. Nu zijn Japanse vertalers er niet in overvloed en zodoende is het altijd even afwachten welke titel van hem verschijnt (drie romans van Murakami zijn nog alleen in het Japans verschenen), maar dit voorjaar verscheen de roman After Dark in Nederlandse vertaling en deze maand verscheen de verhalenbundel Blind Willow, Sleeping Woman in Engelse vertaling.

De verhalen in Blind Willow, Sleeping Woman zijn stuk voor stuk heldere extracten uit Murakami’s oeuvre. Veelal geschreven in de jaren tachtig hebben de verhalen dezelfde sfeer en geheimzinnigheid als zijn romans, maar dan op een dozijn pagina’s. De manier waarop hij dat bewerkstelligt is opmerkelijk: Murakami roept een spanningsboog op die hij vervolgens niet vervult. Mooiste voorbeeld is het verhaal Nausea 1979, over een man die veertig dagen achter elkaar overgeeft en anonieme telefoontjes ontvangt. Kunnen die twee gegevens iets met elkaar te maken hebben? Het personage heeft er geen antwoord op. En de lezer dus ook niet. Zo blijven de verhalen in je hoofd achter als een vraagteken.

Maar waar Blind Willow, Sleeping Woman ergens in het midden van zijn oeuvre staat, is de roman After Dark een buitenbeentje. Voor het eerst wordt er geen sympathieke ik-persoon opgevoerd. Hoofdpersoon in After Dark is de nacht in Tokio, sinister en mysterieus, bevolkt door outcasts en mensen die iets te verbergen hebben. De plot focust op twee zusjes, Mari en Eri. De eerste is de spil van het verhaal; de introverte studente Mari heeft besloten niet meer te willen slapen en brengt dus de nacht door in een fastfoodketen. De reden van Mari’s zelf afgekondigde insomnia is haar zus Eri, die al twee maanden in haar bed ligt. Terwijl Mari in het restaurant in gesprek raakt met een slungelige trombonespeler, een mishandeld Chinees hoertje en een potige hoteleigenares, ligt Eri veilig in bed. Tenminste, dat denkt ze. Terwijl ze slaapt ziet de lezer hoe ze verwisselt van dimensies, en uiteindelijk wakker wordt in een slaapkamer die niet de hare is.

Daarnaast is After Dark misschien Murakami’s meest «Japanse» roman tot nu toe. Eri lijkt te lijden aan hikokomori, een soort sociale stoornis waarbij jonge Japanners zich maanden, soms jaren, opsluiten in hun kamer, uit faalangst om niet aan de hoge eisen van de samenleving te voldoen. Het verhaal van het mishandelde Chinese hoertje gaat gepaard met een uitgebreide analyse van de Chinese maffia in Japan en het verhaal van de man die haar mishandeld heeft is dat van een overwerkte salary man, de gedwongen workaholic die het beeld van Tokio domineert.

Voor Murakami’s doen is het een treurig verhaal. Hoewel een van de belangrijkste personages een voor hem karakteristiek figuur is (de vrolijke trombonespeler die als vanzelfsprekend ouwehoert over Jean-Luc Godard, Love Story en Duke Ellington), zoomt hij vooral in op het grimmige duister van de nacht. Hij schrijft het verhaal alsof je door de lens van een camera kijkt, alsof hij regieaanwijzingen geeft: «Ons oog valt op een hoek van de stad waar heel veel lichtpunten bij elkaar staan en concentreert zich daarop. We dalen geruisloos.» Even later: «Het is donker in de kamer. Geleidelijk wennen onze ogen echter aan de duisternis.»

Met deze laatste roman bewijst Murakami opnieuw dat zijn cultstatus eigenlijk achterhaald is. Het woord «cultstatus» suggereert dat het gaat om iemand met «slechts» een eigen niche. Dat Murakami’s boeken niet met ander werk te vergelijken zijn, maakt ze geen nichewerk, het maakt ze verrassend en authentiek. En het maakt Murakami een van de origineelste stemmen in de hedendaagse wereldliteratuur.