De grenzeloze generatiekloof (slot)

Tussen Einstein en confetti

Ter afsluiting van hun serie tweegesprekken over de kloven in onze cultuur onderwerpen de gespreksleiders, beiden uit 1986, hun eigen generatie aan een onderzoek. ‘We zijn mateloos, ook op moreel gebied.’

‘WIJ, DE CONFETTIGENERATIE, bestaan bij de gratie van veelheid. De vele verschillende kleuren confetti geven telkens een ander gevoel, samen maakt het een feest.’ 'Was getekend, de confettigeneratie.’ Onze generatie heeft een manifest geschreven, te lezen in HP/De Tijd van afgelopen week. Het eerste opmerkelijke aan deze stelling is de vergelijking van het leven met dwarrelende stukjes sierpapier, te koop bij de betere feestwinkel. Ten tweede blijft het natuurlijk maar de vraag of een zak vol confetti een feest wel verlevendigt, met enige stelligheid kan immers het tegendeel beweerd worden: zodra iemand de confetti van stal haalt, is het doorgaans tijd om het feest te verlaten. Net als confetti zouden wij ronddwarrelen, zonder innerlijke overtuiging en door het minste zuchtje wind van koers veranderend. Want, zo luidt het adagium van het manifest, 'we laten ons niet graag ergens op vastpinnen’. Het blijft opmerkelijk: je niet willen definiëren en je tegelijkertijd van een nieuwe naam voorzien. Het is hierdoor wellicht het eerste manifest dat zichzelf al voor de ondertekening tegenspreekt.
De confettigeneratie (exacte jaartallen worden niet genoemd) valt min of meer samen met wat onlangs de grenzeloze generatie is genoemd: zij die geboren zijn tussen 1986 en 2000. De grenzeloze generatie staat in een lange traditie van classificaties op basis van geboortejaar. De beroemdste generatie is zonder twijfel de omstreden babyboomgeneratie (met het geboortejaar tussen 1946 en 1954). De overige generaties zijn, naar de eminente generatiesocioloog Henk Becker, de verloren generatie (zelfs gebruikt door koningin Beatrix in haar kersttoespraak van 1985), ook wel generatie X genoemd (1955-1970) en de pragmatische generatie (1971-1985).

DE GENERATIE van de babyboomers, de protestgeneratie, kenmerkte zich door een hevige strijd met die van hun ouders. Het waren deze rebellen die de ontzuiling meemaakten en haar tot op zekere hoogte zelf inzetten. Wellicht is dit de reden dat de babyboomgasten in onze interviewserie vrijwel zonder uitzondering dachten in termen van vastomlijnde generaties en de daarbij horende conflicten. Als er al behoefte was aan een contrapositionering van jong en oud was deze afkomstig van de nestor. Het idee van vadermoord, door de protestgeneratie geromantiseerd tot en met, klonk de benjamin vaak als onnodig en misplaatst in de oren. Adriaan van Dis (1946) verwoordde deze aandrang het helderst: 'Het verontrust me dat ik geen onvrede hoor van de kant van de jongeren. Ze ondergaan het lijdzaam. Niemand lijkt boos op ons, terwijl ik me schaam.’ Het patroon dat we kunnen vaststellen is dat de generaties na de babyboomers zich überhaupt nauwelijks nog deel voelen van een generatie. Het is het gevolg van een halve eeuw individualisering, en niet van een fundamenteel andere jeugd, zoals vaak wordt gesuggereerd. De grenzeloze generatie is, hoe graag men het ook anders wil doen voorkomen, een generatie als alle andere.
We heten overigens de grenzeloze generatie omdat we ten eerste geen landsgrenzen meer kennen, aangezien we met jongeren van waar ook ter wereld in internetcontact staan. Ten tweede heeft grenzeloos ook een negatieve connotatie: we zijn mateloos, grenzeloos ook op moreel gebied. Want, zo moge duidelijk zijn, onze generatie is de kluts kwijt. Screenagers zijn we, de millenniumgeneratie, de digitale generatie, de Einsteingeneratie, de confettigeneratie, generation Me, de Wikipediageneratie, de Telekidsgeneratie: opgevoed door en voor de schermen van computer en televisie.
De kritiek op onze leeftijdgenoten is niet nieuw. Sterker nog, als we oude kranten en tijdschriften bestuderen, lijkt ze volledig inwisselbaar. De jaren zestig waren vol 'langharig, werkschuw tuig’ (de Volkskrant, 1965), de jaren zeventig werden omgedoopt tot 'het Ik-tijdperk’ (Haagse Post, 1979) en de jaren tachtig waren de tijd van de 'No Future-generatie’ (VPRO, 1982). De verwijten zijn altijd eender geweest: de nieuwe generatie was nog nooit zo egocentrisch, materialistisch en onverschillig. Waren het niet de zestigers van nu die in plaats van net als hun ouders hard te werken aan de wederopbouw goddeloze muziek luisterden en geld uitgaven aan brommers en vakanties?
De 'grenzeloze generatie’ is een term die op de jeugd van ieder van bovenstaande generaties van toepassing zou kunnen zijn en zegt meer over het eeuwige verschil in wereldbeeld tussen jongere en oudere dan over de tijd waarin beiden leven. Het is een leeftijdskloof, geen generatiekloof. Het verwijt is bovendien krachtiger dan het vergrijp. Zoals Simon Carmiggelt in een van zijn Kronkels uit 1966 schertste: 'Het gesprek aan de tapkast ging over de moderne jeugd, die niet meer van aanpakken weet en veel te vrijmoedig is: “Als mijn zoontje het wáágt 'jij’ te zeggen tegen zijn moeder, dan geef ik hem meteen een dreun.”’ Ook de klacht dat de jongeren van nu zoveel keuzemogelijkheden hebben is geen novum. Iedere generatie heeft meer keuzeopties dan de vorige. Dit is een gevolg van de culturele en technologische veranderingen die een samenleving in ontwikkeling nu eenmaal met zich meebrengt. Dit teveel aan mogelijkheden zou tot een apathische levenshouding hebben geleid. Onverschilligheid en een teveel aan opties, het is logisch gezien een ongemakkelijke combinatie. Als jongeren het als een probleem beschouwen dat ze uit te veel verschillende Fair Trade-producten, goede doelen of manieren van engagement kunnen kiezen, kunnen we immers alleen daaruit al concluderen dat ze zich bekommeren om de toekomst. Maatschappelijke betrokkenheid is niet dood, er wordt eenvoudigweg minder snel vol overtuiging voor één optie gekozen. Onze twijfel is geen gebrek aan engagement, maar een uiting ervan.
De Russische schrijver Ivan Toergenjev (1818-1883) karakteriseerde de studentenbeweging van zijn tijd ooit als een mengeling van Hamlet, met zijn innerlijke worstelingen en destructieve twijfelzucht, en Don Quichot, strijdbaar en in een permanente achtervolging van onbereikbare idealen. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille, die van jeugdige druistigheid, toepasbaar op iedere nieuwe generatie. Het verschilt weliswaar elke keer welke kant boven ligt, maar de ene bestaat niet zonder de andere.

DESALNIETTEMIN zijn de vooroordelen over onze generatie hardnekkig. De oorsprong hiervan is waarschijnlijk Rob Wijnberg geweest, eveneens een gast in de interviewserie. In 2007 schreef hij Boeiuh! Het stille protest van de jeugd, waarmee hij de eerste jongeling was die de stereotyperingen van onze leeftijdgenoten (al is Wijnberg geboren in 1982 en dus officieel 'pragmatisch’ en niet 'grenzeloos’) op een rij zette. 'We zijn extreem cynisch en onverschillig’, zei hij in het interview. 'Waar we vroeger met borden naar de Dam gingen, houden we ons nu afzijdig. We kruipen weg achter onze Playstation of gaan blowen.’ Boeiuh, potentieel aanstichter van inhoudelijke discussies over de nieuwe generatie, werd opgevat als een onbetwistbare waarheid, in plaats van een persoonlijke beleving van de filosoof. Het was het begin van een discussie die er nooit gekomen is.
Wijnberg plantte het paradigma, en dat alles op een vertekend beeld van de protestgeneratie, waaraan hij de jongeren van tegenwoordig spiegelde. Hij ging uit van een steriel idee van de jaren zestig en zeventig en veronderstelde dat iedereen die toen in een mars liep barstte van de idealen, terwijl een groot deel van de mensen meeliep omdat hun vrienden dat ook deden. Je kunt je ten eerste afvragen of conformistisch idealisme nog echt idealisme is, en ten tweede of het wel geschikt is als vergelijkingsmateriaal. De jaren zestig waren een historische anomalie, waarin men geëngageerder was (of leek) dan in alle generaties ervoor, en waarschijnlijk alle erna. Val ons er niet mee lastig.
In zijn boek plaatste Wijnberg nog wel de belangrijke nuance dat wij minder apathisch zijn dan we lijken, en dat ons verzet in plaats van non-existent vooral stil is, maar deze kanttekening raakte in de mediahectiek danig ondergesneeuwd. Het paradigma was en is: de jeugd van tegenwoordig is apathisch en dat geeft ze zelf toe.
Dit beeld werd bovendien zonder morren door ons geïnternaliseerd. Er is zelden een generatie geweest die met zoveel regelmaat en gretigheid over de eigen inertie heeft geschreven als de onze. De knipselmap met ingezonden brieven van jonge aspirant-schrijvers en -journalisten, waarin precies deze simplificaties over de jeugd telkenmale worden herhaald, is inmiddels indrukwekkend. Een dieptepunt was de ingezonden brief van de jeugdige debatorganisatie happyChaos, in de Volkskrant van 8 mei, waarin in iedere alinea braaf een ander cliché werd uiteengezet en die besloot met een roep om meer en beter gezag. 'Juist onze generatie die ervan wordt beschuldigd lak aan gezag te hebben, heeft er steeds meer behoefte aan. Het gevoel van “vrijheid blijheid” waarmee we zijn opgegroeid, is te ver doorgeschoten.’ De boodschap van de jongeren, of ze zich nu 'chaoten’ noemen of niet, is conventioneler dan ooit.
In 2009 publiceerde het onderzoeksbureau Motivaction met veel bombarie de studie De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeder. In het voorwoord stelden de onderzoekers: 'Dit is geen somber boek, maar ook geen jubelboek.’ Het is echter vooral een onzorgvuldig, en daarmee ongelukkig boek geworden. De studie is doorspekt met tendentieuze foto’s van dronken tieners, voetbalhooligans en jolige studenten die hun broek laten zakken voor de camera. En dit alles om de jongeren te kenschetsen als een oppervlakkige, zuipende massa zonder moraal of fatsoen. De foto’s zijn waarschijnlijk toegevoegd toen bleek dat er geen gegevens waren die de even ambitieuze als deprimerende conclusies over de grenzelozen staafden. Het escapisme is nauwelijks toegenomen, zo wordt immers duidelijk uit de onderzoeksgegevens. Nog altijd hechten wij veel belang aan tradities en vaderlandse geschiedenis, de computer wordt niet als onmisbaar ervaren en bijna de helft van de ondervraagden vindt dat er grenzen gesteld moeten worden aan technologische ontwikkelingen. Uit de statistische gegevens blijkt hiernaast een slechts licht toegenomen materialisme, maar hier staat weer een herwaardering van hiërarchie tegenover, zowel maatschappelijk als in gezinsverband. Onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek bevestigt dit. Enkele verdere gegevens van het CBS: acht van de tien jongeren van 18 tot 25 jaar waren in 2008 lid van een vereniging. En bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 2006 heeft 71 procent van de 18- tot 25-jarigen gestemd. Als er iets uit de statistieken blijkt, is het dat de grenzeloze generatie, dan wel de confettigeneratie, niet bestaat.

WAT RONDDWARRELT is niet de confetti, maar zijn veeleer de hardnekkige clichés over onze generatie. En het zijn steeds vaker onze generatiegenoten zelf die ze uitspreken. Misschien is het tijd om het debat dat nooit gevoerd is leven in te blazen. Of anders te zwijgen.


De kloof
Sinds enkele jaren lijkt Nederland te zijn opgebroken in talloze 'kloven’: de kloof tussen burger en politiek, allochtoon en autochtoon, arm en rijk et cetera. De samenleving heeft geen zuilen meer, maar kan nu worden opgedeeld in door kloven gescheiden groepen. Iets meer dan een jaar geleden begonnen Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer (beiden van 1986) aan hun serie De Kloof: dubbelinterviews met twee gasten, ieder van een andere generatie, die zich telkens over een culturele, maatschappelijke of politieke kloof bogen.
Begin september verschijnen deze interviews in boekvorm. Aan De Kloof: tweegesprekken over een verdeeld Nederland (uitgeverij Balans) zijn eveneens twee niet eerder publiceerde afleveringen toegevoegd: de kloof tussen rechten en plichten (Job Cohen en André Rouvoet) en die tussen Nederland en de wereld (Ian Buruma en James Kennedy). Ter gelegenheid van deze bundel zal in september tevens een debatavond over De Kloof worden georganiseerd. In de serie zijn te gast geweest:
Adriaan van Dis en Rob Wijnberg over de generatiekloof; Herman Pleij en Pepijn Lanen over de taalkloof; Connie Palmen en Dan Hassler-Forest over de kloof tussen hoge en lage cultuur; Anton Zijderveld en David van Reybrouck over de kloof tussen burger en politiek; Hans Visser en Jort Kelder over de kloof tussen arm en rijk; Rita Verdonk en Lodewijk Asscher over de kloof tussen autochtoon en allochtoon I; Halleh Ghorashi en Salah Edin over de kloof tussen autochtoon en allochtoon II; Cisca Dresselhuys en Arnon Grunberg over de kloof tussen man en vrouw; Jean-Paul van Bendegem en Arie Boomsma over de kloof tussen gelovige en ongelovige; Freek de Jonge en Jeroen van Koningsbrugge over de humorkloof; Jaffe Vink en Beau van Erven Dorens over de milieukloof; Henk Vonhoff en Femke Halsema over de kloof tussen links en rechts; Elsbeth Etty en Bert Brussen over de kloof tussen nieuwe en oude media; Job Cohen en André Rouvoet over de kloof tussen rechten en plichten;
Ian Buruma en James Kennedy over de kloof tussen Nederland en de wereld.