Iris Koppe, De man met de schaar

Tussen ernst en luim

Iris Koppe, De man met de schaar. De Bezige Bij, 256 blz., € 18,50

Het contrast had niet groter kunnen zijn. Werd ze een paar jaar geleden bekend met haar feuilleton in NRC Handelsblad, over de grotestadsbelevenissen van de achttienjarige Rosiri, kind van gescheiden ouders dat zich verantwoordelijk voelt voor het geluk van haar vader en moeder (Rosiri, 2007), nu ligt er van Iris Koppe een roman over de toestand in de wereld. Of nou ja, in ieder geval over die in Nederland. Ook weer niet helemaal verbazingwekkend, want de schrijfstijl van de toenmalige studente politicologie viel toen al op vanwege de ironische stekeligheid waarmee ze een bepaalde bevolkingsgroep - wanhopige veertigers uit de Amsterdamse grachtengordel - te kijk zette. In De man met de schaar richt de schrijfster haar pijlen breder, hoger, verder. Op speelse wijze vlecht ze actuele maatschappelijke thema’s in een vertelling die een roman lang blijft twijfelen tussen een scherpe satire en een menselijke tragedie.

Marien en Elena vormen sinds hun jeugd in Emmeloord een hecht vriendinnenstel. Aan het begin van de roman zijn ze twintigers die met het vervalsen van de nieuwe vervoerbewijzen een lucratief handeltje dachten te kunnen beginnen. Helaas werden die vervoerbewijzen al snel vervangen door minder fraudegevoelige exemplaren. De schuld die ze hebben opgebouwd met hun bedrijfsinvesteringen moeten ze nu weer op creatieve wijze zien terug te betalen. Elena is de bedenker, Marien de volger. Door de ogen van de laatste zien we de catastrofe zich voltrekken. Sowieso is Marien het slachtoffer van haar gehaaide vriendin. Haar dromerige, passieve, en permanent licht overdonderde staat van zijn is de sterkste troef van Koppe. Om haar heen hangt een zweem van droeve ernst, die de schijnbaar gewoonste dingen in een akelig daglicht stelt.

Erg lang gewoon blijft het overigens allemaal niet in De man met de schaar. In alternerende hoofdstukken volgen we de machtsbeluste inborst van een politicus die zich opmaakt voor de alras naderende verkiezingen. Voor minder dan een premierschap doet hij het niet. Zijn boodschap is even belachelijk als simpel: weg met de vooruitgang. Hij schrikt er niet voor terug om als verkiezingsstunt zijn mobiele telefoon in een blender te gooien. En dat dan in een bejaardentehuis, waar iedereen zo'n mobieltje wel zal vervloeken vanwege de vergane fijne motoriek: kat in het bakkie.

Marien krijgt ondertussen écht last van de moderne tijd en de eisen die worden gesteld aan het immer online zijnde individu. Voordat ze de deur uitgaat checkt ze de buienradar, ze vindt haar weg met de tomtom, en ze is continu aan het facebooken, twitteren, sms'en en wat al niet. Als ze met vrienden in het café zit en uit onhandigheid niet iedereen voorziet van een nieuw drankje, is er al weer getwitterd dat mensen die geen rondje geven aso’s zijn. Een wanhoopsaanval thuis wordt onbedoeld gadegeslagen door vriendin Elena, omdat ze is vergeten dat haar Skype nog aan stond. Fysiek vertaalt haar verslaving zich in een ernstige RSI-aandoening. Ze gaat een cursus volgen om hier vanaf te komen, en raakt daar geïntrigeerd door/verliefd op medecursist Wienik: antivlees, antibont en anti-aanstaande premier. En niet helemaal sporende.

Au fond spoort er niemand in De man met de schaar. Je zou kunnen zeggen dat dat ook een vorm van maatschappijkritiek is, maar in een roman die - denk ik - maatschappijkritisch wil zijn, wordt dat op den duur toch een beetje een probleem. Met wie moet ik me als lezer identificeren? Of op z'n minst een beetje meeleven? Zoveel is uitvergroot in deze roman - de nieuwsgierige buurman met z'n rijmelarij van likmevestje, de ouwehoerderige restauranteigenaar met z'n Georgische heroïek, de zweverige moeder met haar zwerfkeien - dat het eerder vermoeiend dan leuk wordt. Alsof ze niet heeft kunnen kiezen wat te beschrijven, beschrijft Koppe gewoon maar álles, van fietstocht tot busrit, van voortuin tot doorvertelde anekdote, van ringtone tot paardenstaart. Jammer, want de scherpe zinnetjes - ‘Ze was van nature een meeloper, maar schaamde zich daar niet voor’ - raken daarmee ondergesneeuwd in een rijstebrij. De gekozen vertelperspectieven zijn net niet helemaal consequent doorgevoerd, wat op z'n zachtst gezegd technisch onhandig is, maar eigenlijk gewoon slordig.

Daar komt bij dat De Kreeft te zeer een karikatuur is om echt tot leven te komen. Zijn aanvaringen met zijn Spindokter, zijn gefoezel met stagiaires, het gemis van zijn vrouw… Koppe schrijft er op z'n Tomas Ross’ over, dat wil zeggen: even sjablonerig als aangedikt. Alsof je naar een Nederlandse televisieserie zit te kijken. Of hij nou premier wordt, of voortijdig omgelegd, het is mij om het even, ik ben het eerlijk gezegd ook al weer vergeten.

Iets anders is de figuur van Marien, en in haar kielzog de schreeuwende vriendin Elena. Een aantal scènes tussen die twee is mooi neergezet, met als hoogtepunt wat mij betreft de verzuchting van Elena na een ruzie dat ze samen weer naar hun favoriete restaurant moeten gaan. 'Ik wil je wel weer eens horen smakken.’

Juist in dit soort kleine observaties toont Koppe zich de fijnzinnige schrijfster met een oog voor droefenis. In het geweld van de hoge grapdichtheid en de terreur van een ontknoping lijkt die in De man met de schaar een beetje het loodje te leggen.