Interview Al-Jazeera-hoofdredacteur Helal

Tussen hamer en aambeeld

De liefde tussen CNN en Al-Jazeera, de enige onafhankelijke Arabische nieuwszender, is voorbij. De Amerikanen noemen de zender sinds 11 september Taliban-TV. Hoofdredacteur Ibrahim Helal verweert zich.

Kaboel, 20 oktober 2001— Tasir Alouni, de correspondent van Al-Jazeera, de enige onafhankelijke Arabische nieuwszender, wordt geblinddoekt meegenomen door gewapende leden van al-Qaeda. Tien dagen eerder had de zender een lijst met 23 vragen naar al-Qaeda gestuurd. Maar als Alouni bij Bin Laden zit, blijkt dat de regie louter bij de tweede ligt. De meeste vragen worden gedicteerd door Bin Laden, die vervolgens lustig kan oreren. Volgens Al-Jazeera stond de correspondent «onder zware psychologische druk». Bij Al-Jazeera besluit men de tape met zestig minuten «interview» niet uit te zenden. In de VS doen al snel geruchten de ronde dat Al-Jazeera bewijsmateriaal tegen Bin Laden achterhoudt en daarmee stelling neemt in de oorlog.

Op 31 januari zendt CNN de beelden uit in het programma Wolf Blitzer Report. Bin Laden zegt dat de oorlog tegen het terrorisme het Amerikaanse volk «hell» zal brengen en dat het doden van onschuldige burgers volgens de islamitische wetgeving in sommige gevallen is toegestaan.

Al-Jazeera zegt de samenwerking met CNN op. De Amerikaanse nieuwsgigant heeft volgens de Arabische collega’s het interview zonder toestemming uitgezonden. Al-Jazeera kondigt aan «stappen te ondernemen tegen organisaties en personen die de beelden gestolen en illegaal verspreid hebben». CNN stelt dat het de beelden volgens het contract met Al-Jazeera wel degelijk mocht uitzenden. «Het is erg jammer dat het zo ver moest komen», meent Eason Jordan, chef nieuws van CNN, «maar toen we eenmaal die tape hadden, zou het journalistiek onverantwoord zijn geweest er niets mee te doen.» En, vraagt CNN zich af, waarom heeft Al-Jazeera dit materiaal achtergehouden?

Aanvankelijk geeft Al-Jazeera aan zich niet verplicht te voelen om verantwoording af te leggen. Maar op 2 februari doet de hoofdredacteur dat wel. Hij meent dat het journalistiek onverantwoord was om de beelden uit te zenden. Niet nieuwswaardig genoeg, luidt het opmerkelijke oordeel. Vooral de omstandigheden waarin het interview met Bin Laden werd afgenomen, beantwoorden niet aan de normen van journalistieke onafhankelijkheid. Alouni werd ernstig geïntimideerd en kreeg de boodschap mee dat het gesprek integraal moest worden uitgezonden, omdat hij anders aangepakt zou worden.

De spanningen zijn inmiddels hoog opgelopen. En niet alleen met CNN. Zo twijfelt hoofdredacteur Ibrahim Helal, onlangs even in Nederland, er niet aan dat de vernietiging door de Amerikanen van het kantoor van Al-Jazeera in Kaboel op 13 november opzettelijk gebeurde. «We hebben de Amerikanen onze precieze locatie doorgegeven. Ze hebben het kantoor 38 dagen kunnen ontwijken. Toen werd het plotseling door vier bommen geraakt.» De analogie met het bombarderen van de Servische staatstelevisie in Belgrado is snel gemaakt.

Al-Jazeera, dat zijn hoofdvestiging in Qatar heeft, krijgt sinds 11 september regelmatig het verwijt een spreekbuis te zijn voor de Taliban, Bin Laden en het Arabische nationalisme. Onzin, vindt Helal. Vóór 11 september werd de objectiviteit van zijn zender juist alom geprezen. «We waren een deel van het Westen in de Arabische wereld, en na 11 september plots een ‘steun voor het terrorisme’.»

Bij Al-Jazeera heeft men zo langzamerhand genoeg van de dubbele standaard die in het Westen wordt gehanteerd. Zo gauw de zender Bin Laden of andere fundamentalisten aan het woord laat, is ze proterroristisch en niet objectief. «Hoeveel beelden van burgerslachtoffers in Afghanistan hebben de Amerikaanse zenders laten zien?» vraagt de hoofdredacteur retorisch. «Onze correspondent in Kandahar merkte eens op dat de westerse journalisten in Afghanistan na hun werk terugkeren naar hun comfortabele aircokantoren. 'Hij is bevooroordeeld’, luidde de westerse kritiek. Maar waarom werd dat niet gezegd over die geïrriteerde BBC-reporter die zei dat het gemakkelijker was om de Afghanen te bombarderen dan ze te voeden? De VS vertegenwoordigen 75 procent van de machtigste media. Plotseling werd een oorlog tegen het terrorisme afgekondigd, dat vooral werd vereenzelvigd met de islam, een soort gezichtloze vijand. Anderhalf miljard moslims voelden zich in feite geviseerd en dat plaatste Al-Jazeera in een bijzonder moeilijke positie. Tussen hamer en aambeeld.»

De in juli vorig jaar aangetreden hoofdredacteur lijkt te willen zeggen: kijk in de spiegel. De kentering in de beoordeling van de succesvolle Arabische zender, die vanuit Qatar het enige objectieve nieuws naar tientallen miljoenen kijkers in Arabische landen, Europa en de VS straalt, zegt wellicht meer over de objectiviteit van de westerse media zelf. Het komt erop neer dat het Westen zegt: propaganda mag, als het maar die van ons is. Vice-president Dick Cheney zei het op 20 oktober zo tegen de emir van Qatar: «Geef Bin Laden geen platform of mogelijkheid om de Arabische media te gebruiken voor propaganda.»

De oorlog tegen het terrorisme werd immers niet alleen op de zanderige vlakten van Afghanistan uitgevochten. In oktober gingen de vijf grootste networks — CNN, NBC, ABC, CBS en Fox News Channel — akkoord met een eis van Bush’ veiligheidsadviseur Rice. Ze zouden geen live-beelden meer overnemen van Al-Jazeera, vooral niet als het ging om de oekazes van Osama bin Laden of andere al-Qaeda-leden. Die zouden gecodeerde boodschappen bevatten, bestemd voor de «slapende cellen». «We doen alles wat onze patriottistische plicht is», zei Rupert Murdoch, eigenaar van Fox. «Censuur in oorlogstijd blijft censuur», schreef Veronica Forword, voorzitster van de Britse Reporters zonder Grenzen.

Het Witte Huis wilde hoe dan ook de propagandaoorlog winnen en zijn standpunt duidelijk maken aan de Arabische intellectuele elite. Bush, Blair, Powell, Rice, Ross, allemaal kregen ze de kans om miljoenen moslims via Al-Jazeera te overtuigen. Het probleem was dat de sympathie voor Amerika bij de overgrote meerderheid van het kijkerspubliek van de zender beneden het vriespunt lag. Helal: «Wij zijn niet op de hand van Bin Laden. We zijn toegewijd aan absolute vrijheid van meningsuiting en handelen daar in de praktijk ook naar. We hebben al belangrijke programma’s onderbroken voor live-uitzendingen van Donald Rumsfeld en George Bush.»

Helal — eerder werkte hij voor onder andere de Egyptische televisie, BBC Worldservice en de Nederlandse Wereldomroep — verdedigt zich tegen de kritiek dat zijn zender sinds 11 september een megafoon is van de Taliban. De hoofdredacteur roemt de eigenschappen van zijn tv-station die aantonen dat sympathie voor Taliban-achtige principes er ver te zoeken is: «Een derde van het personeel bij Al-Jazeera is vrouw. Er werken diverse christelijke presentatoren en redacteuren uit vele Arabische landen. Al-Jazeera noemde 11 september 'een terroristische aanval’. Maar we hebben na enkele dagen wel de emotioneel-humanitaire nadruk in de berichtgeving bijgesteld. De Amerikaanse media deden dat niet. Ik vind dat Al-Jazeera deze zaak professioneler heeft aangepakt dan veel westerse media.»

Helal houdt een vurig pleidooi voor het bestaansrecht en zelfs de noodzaak van «zijn» zender. «Wij stelden vragen die Amerikaanse networks niet stelden. Zoals: wat is er gebeurd met de zwarte dozen uit de gecrashte vliegtuigen? Welke informatie leverde dat op? Daar over is het publiek nog nauwelijks geïnformeerd.»

In een vernietigend stuk in The New York Times van 18 november schreef Fouad Ajami, professor Midden-Oosten-studies aan de Johns Hopkins Universiteit, dat Al-Jazeera weliswaar onafhankelijk is, maar tegelijkertijd ook «ontvlambaar». Ajami bespeurt na het intensief volgen van de berichtgeving over de strijd rond Kandahar en de rellen in Gaza een agressief anti-Amerikanisme en antizionisme. Met name in de uiterst populaire talkshows, maar ook in de nieuwsprogramma’s. Critici zien hun vooroordeel bevestigd als in een talkshow een man een voor televisie tergend lange monoloog mag afsteken waar het fundamentalisme vanaf druipt.

Helal steekt de hand ook in eigen boezem: «Het is zo dat bij sommige presentatoren van talkshows bepaalde journalistieke vaardigheden nog onvoldoende ontwikkeld zijn, bijvoorbeeld mensen onderbreken of afremmen.» Ook het taalgebruik in programma’s is volgens critici soms gekleurd en lijkt voor een westerse kijker weinig objectief. Zo worden plegers van zelfmoordaanslagen vaak «martelaar» genoemd in plaats van «zelfmoordenaar». «Martelaar» is een islamitische benaming, legt Helal uit. Hij wijst erop dat het in de Arabische wereld geen sinecure is om altijd objectief te berichten. Aan de andere kant, stelt hij, wil Al-Jazeera gewoon de opinies uit de Arabische wereld reflecteren. Daar zitten dus ook extreme opinies tussen.

Volgens professor Ajami gaat Al-Jazeera subtiel te werk in het vervullen van een pan-Arabische rol. Vooraanstaande Israëlische politici als Barak en Peres worden aan het woord gelaten, maar er zijn ook reportages met een antizionistische ondertoon, schrijft hij. Amerikanen mogen hun zegje doen, maar tussen de berichtgeving over Afghanistan door werd ook een verheerlijkende documentaire uitgezonden over de strijd van Che Guevara tegen de CIA. De impliciete parallel werd door de Arabische kijkers begrepen: de koene ridder van de Arabische wereld die op zijn beurt door de CIA wordt opgejaagd, heet Osama bin Laden.

«Liever zestig tot zeventig procent objectief zijn dan er helemaal niet zijn. In elke oorlog kent de vrijheid om te berichten zijn beperkingen», zegt Helal. En Al-Jazeera heeft al een lange mars door de woestijn afgelegd. «We hebben nog een lange weg te gaan om voor de volle honderd procent objectief te kunnen berichten. Zes jaar geleden was ik een van de Arabische journalisten die de BBC moesten verlaten omdat de Arabische afdeling werd gesloten.» Een samenwerkingsverband tussen de BBC en het Saoedische Orbit Communications voor een Arabische televisiezender mislukte. Reden: de BBC eiste redactionele onafhankelijkheid.

In Qatar waaide sinds de paleisrevolutie van de kroonprins Sheik Hamad bin Khalifa al-Thani in 1996 een andere wind. Hij wilde andere Arabische leiders de ogen uitsteken door een onafhankelijke televisiezender te financieren (met een lening van 140 miljoen dollar in 1996). De meeste Arabische media, zeggen kenners, blinken uit in oersaaie reportages over elke scheet die hun leiders laten en beheersen één discipline als geen ander: zelfcensuur. Een aantal werkloze Arabische journalisten greep de kans die de nieuwe leider van Qatar hun bood met beide handen aan. Helal: «Toen zijn we met Al-Jazeera begonnen. We waren en zijn nog steeds uniek in het Arabische medialandschap. Er is geen andere tv-zender die zich bijna uitsluitend richt op nieuws, een Arabisch publiek bedient, visies uit dat deel van de wereld wil bieden en dat alles onafhankelijk en objectief probeert te doen.»

Maar de droom om een Arabische BBC te zijn is nog niet verwezenlijkt. «Wij willen samen met westerse media vechten voor pluralistische en onafhankelijke berichtgeving. Gelukkig hebben we een voorbeeldfunctie in de regio. We hebben het mediaklimaat in Arabische landen een klein beetje kunnen openbreken. Dat vind ik als journalist vele malen belangrijker dan het succes van mijn zender. Een open discussie tussen verschillende werelden is van belang, opdat we zullen inzien dat we uiteindelijk echt maar één wereld hebben, waarin iedereen moet kunnen leven.»

Fouad Ajami wijst in zijn stuk in The New York Times op die licht schizofrene situatie: midden in een talkshow waarin door diverse gasten de lof wordt gezongen over Bin Laden volgt een reclameblok, met onder meer een spot voor een bekend parfum. Een wulpse vrouw kruipt daarin richting een half ontblote man. «Ik denk aan de jonge Arabische mannen in Arabisch-islamitische steden die dit zien», schrijft hij. «In de cultuur waar deze commercial werd gemaakt, is het niets ongebruikelijks. Maar deze reclamespot insinueerde westerse vrijheden, het soort van vrijheden dat de beknotte jongeren in de islamitische wereld niet hebben.»

Probeert de overheid in Qatar dan nooit de berichtgeving te beïnvloeden, al dan niet onder druk van bevriende Arabische staatshoofden? «Nee», zegt Helal. «Ze beseffen goed dat als ze ons proberen te gebruiken, ze meteen ook hun prestige in het Westen kwijt zijn. Men gaat vooral pragmatisch met Al-Jazeera om.»

Ook de Amerikaanse klachten, officieel ingediend door de Amerikaanse ambassade in Doha, hebben geen enkel effect gehad, stelt Helal. «Het is vreemd dat we nu door de Amerikanen op dezelfde manier behandeld worden als door sommige Arabische regimes. Wij hebben als journalisten het recht kritisch te zijn tegenover wie dan ook. Wij steunen het terrorisme niet, wij stellen alleen vragen.»

Niet zonder trots vertelt Helal dat zijn zender dit jaar voor het eerst ook financieel onafhankelijk wordt, mede dankzij een contract met, jawel, een Amerikaans bedrijf dat de uitzendingen in het Engels zal vertalen: «Dankzij dit contract, abonnees, reclame, het verhuren van materieel en het verkopen van beelden aan westerse netwerken, kunnen we ons jaarbudget van 35 miljoen dollar zelf invullen.»

Het is afwachten hoe lang de Amerikanen, samen met de reeds 150.000 Arabische kijkers, naar de berichtgeving van het «vrije eiland» in de Golf zullen kunnen kijken. Zeker met het oog op nieuwe militaire acties in bijvoorbeeld Irak kunnen de Amerikaanse autoriteiten sterk onafhankelijke berichtgeving missen als kiespijn.