Poolse kinderen dreigen nieuwe probleemgroep te worden

Tussen hier en daar

Poolse kinderen leven net als hun ouders tussen Nederland en Polen. Door hun achterstandspositie zijn ze extra kwetsbaar.

Medium polen

Bij de GGZ Keizersgracht in Amsterdam stapte een jaar geleden een Poolse puber van veertien jaar binnen, gestuurd via een gesloten jeugdinstelling. Hij was een jaar eerder met zijn moeder mee naar Nederland gekomen, een jonger zusje was achtergebleven in Polen. Zijn moeder woonde in een ‘hotel voor werknemers’. Ze ging ’s ochtends vroeg naar haar werk en kwam soms pas twaalf uur later doodmoe weer thuis. De jongen moest naar een Nederlandse school. Hij ging zich steeds meer afsluiten van zijn omgeving, zelfs letterlijk door zijn lange haar over zijn gezicht te laten hangen, hij had geen vriendjes en werd op school gepest. Toen hij zich ‘agressief’ en ‘onhandelbaar’ ging gedragen, plaatste Jeugdzorg hem uit huis. Daarna ging hij van instelling naar instelling. ‘De moeder sprak geen Nederlands’, vertelt psychiater Iwona Smoktunowicz die samen met sociaal-maatschappelijk werkster Agnieszka van den Bogaard en psychotherapeut Bozena Borysowicz aan tafel zit bij de GGZ Keizersgracht, een samenwerkingsverband waarbij alle hulpverleners Pools spreken. ‘Ze kon dus niet communiceren met de school, met Jeugdzorg, met niemand eigenlijk met wie haar zoon te maken had. Ze had geen idee waar zijn problemen vandaan kwamen.’

Ze geven nog een voorbeeld. Een Poolse moeder, net gescheiden van haar man, was naar Nederland gekomen om te werken. Ze had haar twee zoons van veertien en zestien jaar meegenomen. Ze woonden in een eenkamerwoning van niet meer dan veertien vierkante meter. De twee jongens sliepen samen met hun moeder in een bed.

‘Ze hadden hechtingsproblemen, verlatingsangst, de oudste was agressief, de jongste introvert’, vertelt Agnieszka van den Bogaard. ‘De jongste was bang voor alles en begon zichzelf te snijden.’ Toen de moeder bij hen aanklopte voor hulp besloten ze eerst de woonsituatie op te lossen. ‘De oudste weigerde behandeling, maar met de jongste zijn we gaan praten.’ Van den Bogaard regelde via een sportschoolfonds geld zodat hij op kickboksen kon, ze regelde fietsen en computers. ‘Nu hebben ze een eigen woning, werken ze samen met de school, met Jeugdzorg en met ons. En doet ook de oudste aan kickboksen.’

De ervaringen binnen de GGZ Keizersgracht sluiten aan bij de conclusies van het onlangs verschenen rapport Poolse, Bulgaarse en Roemeense kinderen in Nederland: Een verkenning van hun leefsituatie van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) dat in opdracht van minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgevoerd. ‘Deskundigen zijn bezorgd’, concludeerden drie scp-onderzoekers die een dertigtal deskundigen en professionals interviewden. Specifiek aan deze groep migranten is dat de ouders hier komen om te werken en geld te verdienen, vaak niet kiezen om zich hier te vestigen en veel heen en weer reizen tussen Nederland en Polen. Ook binnen Nederland verhuizen ze regelmatig als elders op dat moment beter werk te vinden is.

Voor kinderen betekent dit dat ze regelmatig hun school moeten onderbreken, met het risico, zo signaleren de geïnterviewde deskundigen, van definitieve schooluitval, ontworteling en probleemgedrag. Veel kinderen hebben last van leerachterstanden, met name tieners hebben het volgens de deskundigen in het onderzoek moeilijk vanwege slechte leefomstandigheden, taalachterstand, zich niet thuis voelen en ouders die weinig aandacht voor ze hebben.

Het gaat naar schatting om een groep van 41.000 kinderen van nul tot achttien jaar uit Midden- en Oost-Europese landen die ingeschreven staan in het bevolkingsregister, aldus het scp-rapport. Ruim de helft van de kinderen komt uit Polen, zo’n 24.000, daarnaast zijn er zo’n 4700 Bulgaarse en 4100 Roemeense kinderen ingeschreven. ‘Vaak gaat het heel goed met de Poolse kinderen’, wil psychotherapeute Borysowicz toch even benadrukken. ‘Ze laten echt niet allemaal de kinderen de hele dag alleen. Wij kennen veel ouders van wie de moeders niet werken en fulltime voor de kinderen zorgen.’

Vooral tieners worstelen met de overgang van Polen naar Nederland, constateerden de scp-rapporteurs. Jonge kinderen spreken vaak na drie maanden op school al Nederlands, kinderen die pas vanaf een jaar of tien hierheen komen, hebben meer moeite met het leren van de taal. Ze moeten vaak tegen hun zin mee, verliezen hun vriendjes en vriendinnetjes in Polen, moeten vaak eerst een jaar naar een schakelklas om de taal te leren, worden met problemen van hun ouders opgezadeld en voelen zich ontworteld. ‘Hun kledingstijl past niet, hun ouders hebben weinig geld, ze kunnen geen dure merkschoenen kopen, hebben geen mobiele telefoon’, vervolgt Van den Bogaard. ‘Dus vallen ze buiten de groep en worden ze gepest.’

Sinds 2007 zijn de grenzen voor Poolse arbeiders open. De eerste Polen die hier kwamen werken, lieten hun kinderen bij familie in Polen achter, bijvoorbeeld bij de grootouders. ‘Euroweeskinderen’ werden ze in Polen genoemd. Seizoensarbeiders laten in de regel hun kinderen nog steeds thuis, maar mensen die via uitzendbureaus hier gaan werken, blijven langer in Nederland. Ze werken vaak zestig uur per week op onregelmatige tijden, wonen in onderkomens van hun werkgever, dus: verliezen ze hun baan, dan verliezen ze ook hun huis. Dan heb je nog de zzp’ers die hier een eigen bedrijfje beginnen en de hoogopgeleiden met een goede baan.

Sinds 2010 zien ze bij de GGZ Keizersgracht kinderen met problemen binnenkomen. ‘Toen kwam de migratie met kinderen pas op gang’, vertelt Van den Bogaard. ‘Meestal halen mensen hun kinderen pas hierheen als ze de boel een beetje geregeld hebben wat betreft huisvesting en vast werk. Maar de situatie blijft vaak fragiel.’

‘Het gaat om heel gewone informatie over wonen, werk, scholen. Men denkt vaak dat alles net zo werkt als in Polen’

Polen die hier komen om te werken, krijgen geen enkele informatie over hoe alles is geregeld in Nederland. Als EU-burger krijgen ze geen inburgeringscursus. ‘Het gaat om heel gewone basisinformatie, over wonen, gezondheidszorg, sociale verzekeringen, werk, scholen, gemeenten’, zegt Agnieszka van den Bogaard, die het boek ABC Migranta schreef, waarin alle rechten en plichten van migranten in Nederland worden behandeld. ‘Mensen hebben geen idee. Ze denken vaak dat alles net zo werkt als in Polen.’

Het is een vicieuze cirkel, menen de drie hulpverleners. Omdat ouders te weinig weten en de taal niet spreken, weten ze niet hoe ze iets moeten oplossen als ze in de problemen komen. ‘Kinderen zijn heel gevoelig voor de situatie thuis’, verklaart psychiater Iwona Smoktunowicz. ‘Als het thuis niet veilig is, als ouders bang zijn om hun baan te verliezen, financiële zorgen hebben, weinig vrienden hebben, is het kind ook bang en onzeker.’

Veel is nog onbekend over de Poolse, Bulgaarse en Roemeense migranten in Nederland. Zo schrijft een onbekend aantal zich niet in bij het bevolkingsregister. Er staan in Den Haag, waar de grootste groep Polen woont, bijvoorbeeld zo’n achtduizend Polen ingeschreven, maar het echte aantal wordt geschat op twintigduizend. Niemand weet waar ze wonen, of ze kinderen hebben en of er problemen zijn. Bij gemeenten wordt gesproken over ‘onzichtbare kinderen’ waarvan niemand weet hoeveel het er zijn.

Veel Polen zijn hier niet om te blijven, ze hebben hun huisarts en tandarts nog in Polen en gaan ervan uit dat ze teruggaan. Ze staan grotendeels buiten de Nederlandse samenleving, en vormen daardoor een kwetsbare groep. Als er iets fout gaat, hebben ze geen idee waar ze heen moeten. ‘Zowel migranten als gemeenten en instanties missen kennis over elkaar’, concluderen de scp-onderzoekers. ‘Ook de taalbarrière en het wantrouwen tegenover overheid en instanties hinderen de communicatie.’

‘Waar zijn die onzichtbare gezinnen? En welke problemen hebben ze?’ Magda Spaans-Plóciennik formuleert de twee hoofdvragen waarmee ze zich bezighoudt als projectleider ‘moeilijk bereikbare gezinnen en wijkvertrouwenspersonen’ bij de lokale welzijnsorganisatie mooi in Den Haag. Ze heeft sinds begin dit jaar de opdracht om een vernieuwend hulpsysteem op te zetten.

Haar eerste zoektocht gaat van start op basisscholen waar veel Poolse kinderen zitten. Ze wil de ouders bijeenbrengen op een voorlichtingsavond. Het is in Polen namelijk ongebruikelijk dat je als ouder actief bij de school van je kind betrokken bent. Informatie over wat de school doet, wat van de ouders wordt verwacht, hoe het schoolsysteem werkt, wat de Cito-toets is, hebben de ouders meestal niet. Spaans schreef de uitnodiging in het Pools en bracht die samen met een schoolmedewerker rond langs zo’n dertig gezinnen in de wijk Laak. ‘We willen op deze manier zoveel mogelijk mensen bereiken, ook via bijvoorbeeld mensen die Poolse buren kennen die hun kinderen niet hebben ingeschreven.’ Zo kreeg ze signalen dat er kinderen zijn die tot hun zevende thuis worden gehouden. ‘Mensen weten niet dat kinderen hier eerder naar school moeten.’

Spaans-Plóciennik wil voor het einde van het jaar een plan ontwikkelen waarbij mensen uit de wijk als intermediair optreden en Poolse gezinnen praktische informatie geven en indien nodig de weg wijzen naar hulpinstanties. Het idee is gebaseerd op de methodiek van stichting Al Amal in Utrecht, waar Marokkaans-Nederlandse vrouwen al een paar jaar op deze manier werken. ‘Het gaat om vrouwen uit de wijk die graag iets willen betekenen’, vertelt Jeroen de Wilde, jeugdarts en onderzoeker bij de GGD Haaglanden. De vrouwen krijgen er een opleiding voor, een diploma en een betaalde baan. Ze kennen de weg naar de professionele hupverleners, naar de loketten, weten hoe ze toeslagen moeten aanvragen, helpen met praktische zaken zoals de administratie doen. Zo moeten gezinnen met problemen uiteindelijk zelf hun weg in de samenleving kunnen vinden.

Toch is er een groot verschil, meent Magda Spaans: ‘De Marokkaanse vrouwen spreken Nederlands. Ze zijn hier geboren en getogen. De meeste Poolse ouders spreken de taal niet. We kunnen ze wel in contact brengen met een hulpverlener, maar wat dan? Ze kunnen niet met elkaar praten.’ Het taalprobleem ervaren deskundigen als het grootste knelpunt, zo blijkt ook uit het scp-onderzoek. Ouders kunnen niet communiceren met de schoolleiding en de leraren en evenmin met eventuele hulpverleners.

Om een beter beeld te krijgen van de omvang en de ernst van de problemen dringen de scp-rapporteurs aan op verder onderzoek. Het aantal kinderen uit deze landen zal voorlopig toenemen en juist mensen met kinderen, zo blijkt uit eerdere onderzoeken, kiezen er meestal voor om in Nederland te blijven. Minister Asscher wil er daarom op tijd bij zijn om ‘herhaling van problemen die ontstonden bij kinderen van Turkse en Marokkaanse migranten te voorkomen’, zo meldt het ministerie.

De projectleider ‘moeilijk bereikbare gezinnen’ in Den Haag is hoopvol. ‘Iedereen die werkt met de Poolse doelgroep herkent de problemen die zijn geschetst in het rapport’, zegt Magda Spaans-Plóciennik. ‘We weten allemaal precies wat er speelt en wat er moet gebeuren.’ In plaats van meer onderzoek zou Spaans liever actie zien, ondersteuning en geld. ‘Als je iets wilt bereiken, moet je investeren.’ Ze heeft bijvoorbeeld nog geen Poolse vrijwilligers uit de wijk gevonden. Welke Polen gaan dit werk onbetaald doen? vragen deskundigen in het veld zich af. De bedoeling van de wijkvertrouwenspersoon is dat die gezinnen verbindt met professionals. Mensen moeten dan wel beschikbaar zijn, het is een grote verantwoordelijkheid. ‘Wij lopen hier voorop, maar er moet nog veel gebeuren.’


Beeld: Basisschool de Kameleon in Rotterdam-Zuid biedt taalklasjes aan aan vooral Oost-Europese nieuwkomers (Phil Nijhuis / HH).