Tussen hoer en madonna

REGGIE BAAY
DE NJAI: HET CONCUBINAAT IN NEDERLANDS-INDIË
Athenaeum-Polak & Van Gennep, geïll., 301 blz., € 18,95

LIN SCHOLTE
VERZAMELDE ROMANS EN VERHALEN
Heruitgave 2007, biografische inleiding Vilan van de Loo, Stichting Tong Tong, 560 blz., € 24,50

MAYA SUTEDJA-LIEM (VERTALING EN REDACTIE)
DE NJAI, MOEDER VAN ALLE VOLKEN; DE ROOS VAN TJIKEMBANG EN ANDERE VERHALEN
Met een inleiding van Henk Maier
KITLV Press, geïll., 347 blz., € 24,90

Wie was de njai, de huishoudster en bedgenote van Europeanen in Nederlands-Indië, moeder (groot-, overgrootmoeder) van de Indo? Binnen een half jaar zijn er twee boeken verschenen met De njai als titel, beide met de bedoeling deze nagenoeg onzichtbare maar zeer bepalende figuur uit de koloniale geschiedenis te belichten en van haar negatieve associaties van immorele verleidster en profiteur te ontdoen. In sommige Indische families bestaat nog steeds schaamte over de geringe Aziatische af-komst, in veel families heerst onwetendheid over de vrouwen die wel hier en daar op foto’s staan maar vaak niet bij naam bekend zijn.
Reggie Baay, neerlandicus en schrijver, zelf kleinzoon van een Indonesische die direct na de geboorte van haar zoon, zijn vader, uit huis werd gezet, ondernam een speurtocht naar de levensverhalen van de vrouwen op de foto’s. Ook deed hij onderzoek naar geschreven bronnen over de njai. Dat resulteerde in een studie naar de levensomstandigheden en beeldvorming van de njai, geïllustreerd met een aantal korte levensschetsen van individuele vrouwen, en in een expositie (zie hieronder).
Maya Sutedja-Liem, onderzoeker en vertaler van Maleise en Indonesische literatuur, verzamelde een aantal verhalen, sommige als feuilleton verschenen, van Indonesische, Indische en Chinese auteurs die als pionier schreven in het ‘fladderend Maleis’, zoals professor Henk Maier het in zijn inleiding ken-schetst, dat als gezamenlijke taal van de verschillende bevolkingsgroepen in de kolonie werd gehan-teerd. Maier noemt het ‘stotterende literatuur’, vanwege het zoekende en onaffe karakter van de taal. Hij maakt zich kwaad over de onverschilligheid die bij Europeanen leefde voor de Aziaten om hen heen. Door die op de eigen gemeenschap gerichte houding had het wankele evenwicht in Indië geen kans zich tot een nieuwe, houdbare balans te ontwikkelen. Het beeld van de koloniale geschiedenis is min of meer gefixeerd door de Nederlandstalige bronnen, maar misschien kan een uitgave als deze degenen die zich ook nu nog zonder kennis van het Maleis over de koloniale geschiedenis willen uitspreken tot inkeer brengen.
Zoeken op nieuwe plaatsen is een goed idee. Maier gaf hier in 2002 al een schitterend voorbeeld van met zijn vertaling van Monsieur d’Amours (pseudoniem van Njoo Cheong Seng) Maar geluk duurt nooit lang, Maleise verhalen vol bitterheid, waarin verschillende groepen uit de laat-koloniale samenleving, die in het Nederlands geen mondige vertegenwoordigers kennen, zeer dicht op de huid worden beschreven in hun kleinschalig huiselijk ongeluk. Maier staat beslist niet meer op zichzelf: in grootscheepse projec-ten van het KITLV en het Niod worden Indonesische bronnen (archieven, fotocollecties, levende getui-gen) in een inhaalslag betrokken, en een onderzoek als dat van Baay laat zien dat ook zonder gebruik van Indonesische bronnen de realiteit van de kolonie dicht genaderd kan worden.
Aan de hand van krantenartikelen, overheidsrapporten, historische studies en romans reconstrueert Baay de geschiedenis van het concubinaat in Indië, zowel in de civiele wereld als in de kazernes en op de plantages van Sumatra. Het is een krasse geschiedenis met extreme misstanden. Vooral op de on-dernemingen waar de planters eigen rechter speelden, waren de vrouwen als onderbetaalde contract-koelies aan de goden overgeleverd. De nieuwkomers, maar ook mannen die al langer in de kolonie ver-toefden, hadden de njai weliswaar nodig voor de hulp die ze bood in de huishouding, voor de communi-catie met andere niet-Europeanen – de njai werd ook wel ‘woordenboek’ genoemd – en om de een-zaamheid en seksuele nood te bezweren, maar niets verhinderde ze hun njai weg te sturen als ze er genoeg van hadden, een jongere wilden, overgeplaatst werden of een Europese bruid in het vizier kre-gen. Njais werden ook overgedaan aan kameraden of met hen gedeeld. Het wreedst was nog wel de veel voorkomende praktijk om ze van hun kinderen te scheiden. Bazen en overheden namen over het algemeen een praktisch standpunt in: de njai was financieel niet belastend en bond haar tuan (heer) niet aan een plek zoals een Europese echtgenote wellicht zou doen. Ook hield haar aanwezigheid de man enigszins in het gareel wat drankgebruik en seks betrof. Bordeelbezoek was vooral voor militairen ris-kant, gezien de grote kans op geslachtsziektes. De Indische kinderen die uit de verbintenissen werden geboren waren aanvankelijk welkom als werknemers of nieuwe njais – sommige brachten het tot onder-nemer of overheidsdienaar – maar met het groeien van de groep groeiden ook de problemen. Tot rond 1900 vormden de vele ‘Indopaupers’ een grote bron van zorg voor de overheid.
Er zijn ook legio tegenvoorbeelden voor de zwarte verhalen, gevallen waarin de man zijn njai trouwde, de kinderen echtte en waarbij, voorzover dat is na te gaan, ook sprake was van wederzijdse liefde. Een beroemd voorbeeld is de regelmatig door Baay aangehaalde Willem Walraven die zijn vrouw Itih zeer beminde, al bleef zij voor hem soms onbegrijpelijk. Itih leerde zichzelf lezen en Nederlands spreken, en werd een goede gesprekspartner voor de schrijver. Tegen de heersende mores in nam hij haar overal in het openbaar mee naartoe. Volgens Walraven leerde zij hem zelfs op den duur te vertrouwen – iets uit-zonderlijks voor een Indonesische vrouw. Ook in de verhalen die Sutedja-Liem heeft gebundeld, en die wat stijl betreft aan soaps doen denken, zijn de verhoudingen van njais met Europeanen vaak verba-zend goed. In het beroemde Njai Dasima wordt de schone hoofdpersoon zelfs door een sluwe landge-noot van haar liefhebbende Engelsman afgetroggeld, gechanteerd eigenlijk, onder het voorwendsel dat zij zichzelf als moslima niet aan een ongelovige mag verkwanselen. In Njai Isah zijn het boosaardige blanke vrouwen die de brave Hollandse huisvader met ingehuurde goena goena in de ban brengen van een ander, waardoor de arme Isah zich gedwongen ziet met haar kind (Wimpie) in de kali te springen.
Daar doet zich een interessante vraag voor die geen van beide boeken behandelt: hoe zag de seksuele en huwelijksmarkt onder de Aziatische bevolking eruit? Er zijn genoeg verhalen bekend over desertie van echtgenoten, enorme koppelpraktijken – al dan niet met gebruik van zwarte magie –, door Aziati-sche vrouwen gedreven bordelen, het uithuwelijken of verkopen van zeer jonge meisjes. In het verhaal Raden Adjeng Badaroesmi komt alle kwaad voort uit een fout van de adellijke Javaan Raden Mas Arijo, die zijn njai heeft verstoten om een ander te kunnen trouwen. Niet om iets af te doen aan het misbruik en de onmenselijkheid die de njais onder koloniaal bewind zijn aangedaan, maar domweg omdat het gegeven in de verhalen zelf langskomt, en omdat het misschien het ontstaan van het instituut njai zou kunnen verhelderen, zou dat aspect het uitzoeken waard zijn.
Baay en Sutedja-Liem komt lof toe voor hun pionierswerk. Wie belang stelt in deze materie moet zeker ook het werk van de Indische schrijfster Lin Scholte lezen, dochter (en kleindochter) van een moentji, een njai uit de kazerne. Scholte tekende de verhalen van haar moeder en grootmoeder op en staat zo het allerdichtst bij de bron. De vrouwen die zij beschrijft zijn zeer taai, mondig en zelfredzaam, opoffe-rende madonna’s noch eerloze hoeren. Zijzelf is een van die Indokinderen die niet tussen maar ín twee werelden hebben geleefd. Daarvan heeft ze met groot verteltalent verslag gedaan. De recente heruitga-ve bevat ook het niet eerder gepubliceerde, door krantenberichten geïnspireerde, kleurrijke en hartver-scheurende verhaal van Fientje de Feniks die, verleid door een boosaardige Indische jongen, als njai in het nauw gedreven wordt en noodlottig aan haar eind komt.

Op de vijftigste Pasar Malam Besar (21 mei tot 1 juni) in Den Haag is een expositie ingericht die geheel is gewijd aan de njai