Tussen hoofd- en hofstad

‘Eindelijk een moderne roman die zich in Den Haag afspeelt.’ Die verzuchting heb ik de afgelopen twee jaar, na het verschijnen van mijn roman Euforie, al een stuk of 83 keer gehoord van evenzovele stadsgenoten. En ik ben me gaan afvragen: waarom zijn er inderdaad zo weinig romans met Den Haag als decor?

Het enige oeuvre waarin de hofstad ook hoofdstad is, is dat van Louis Couperus. Ja, van Jan Siebelink spelen er wat boeken in specifieke Haagse buurten, maar dat is eigenlijk ook Couperus, met al die neurotische dames en oversensitieve kunstenaarszielen.

Er wonen ook relatief weinig schrijvers in Den Haag. Het aantal schrijvers per postcodegebied is aanmerkelijk lager dan in de hoofdstad. En ik zou ook niet weten wat schrijvers als Bart Chabot, Kees ’t Hart, Yvonne Keuls en F. Springer met elkaar gemeen hebben.

Thrillerauteurs zijn hier des te talrijker. Charles den Tex, Thomas Ross, Roel Janssen: allemaal Haags. De werelden van ministeries, diplomaten, ambassades en natuurlijk het koningshuis lenen zich bij uitstek voor plotgestuurde verhalen rond macht, complotten, corruptie, geheime diensten, enzovoort. Den Haag is een wereld van mannen in pak die zich laten chauffeuren in donkere auto’s met geblindeerde ramen.

Hoe je het ook wendt of keert, Den Haag heeft niet die opgewonden atmosfeer van Amsterdam, waar je voortdurend het gevoel hebt dat er elders iets gebeurt. Een avond in Amsterdam is altijd een wervelwind waarin voortdurend met telefoontjes contact is met anderen elders. Het is veel fietsen, veel bruggetjes op en af, veel achterop springen, veel tochtgordijnen opzij trekken, veel tegen bars leunen met je jas nog aan, veel op de klok kijken ook, want tussen hoofd- en hofstad rijden nachttreinen en dat geeft praktische bezwaren, zoals: neem je bij aankomst een taxi of ga je een half uur fietsen? Als je er al aankomt en niet, wat mij meermalen is overkomen, in Delft of Rotterdam wakker schrikt van een omroepbericht. Je neemt je telkens voor het zo te plannen dat je nog met de laatste tram mee kunt, maar dat plan laat je lacherig schieten als je merkt dat het tegen je voorgenomen vertrektijd, tegen elven, pas een beetje op gang begint te komen.

In Den Haag zijn de cafés dan al dicht. (Doordeweeks dan, maar in het weekend heeft een fatsoenlijk mens toch niets in een binnenstad te zoeken.) Daar staat tegenover dat je in Den Haag veel sneller een goed restaurant vindt, waar het in Amsterdam in negentwintig van de dertig gevallen opgewaardeerde toeristententjes zijn, die ook nog eens het dubbele rekenen.

Den Haag moet niet op Parijs lijken, en zeker niet op Amsterdam

Het voordeel van Den Haag is dat je al die onrust niet hebt. Je gaat met je gezelschap goed eten, uitgebreid napraten in een rustig café (de Posthoorn, en als dat sluit, drink je nog twee biertjes in Schlemmer), en kunt de volgende ochtend gewoon weer opstaan en aan het werk.

‘Stil lag Den Haag in de nacht’, schrijft Mulisch in het eerste hoofdstuk van De ontdekking van de hemel. ‘Er reden nauwelijks nog auto’s. De huizen waren lichter van kleur dan die in Amsterdam, maar bijna alle ramen waren donker.’ Dat is prachtig gezien: hoofd- en hofstad als elkaars fotografische negatief. Ik spreek die zinnetjes vaak hardop uit als ik na een bezoek aan Amsterdam langs die witte Haagse huizen fiets met hun zwarte ramen.

Achter al die statige gevels aan de Laan van Meerdervoort, het Belgisch Park of het Statenkwartier vermoed je een wereld van kroonluchters, tapijten, glas-in-lood, spiegels met patinavlekken, bustes, familiewapens, ingedikte tijd.

Het ambtelijke, het wat bezadigde, het overdreven deftige, het zijn natuurlijk karikaturen, maar de waarachtige kern ervan is niet te ontkennen. En juist dat vind ik de grote kwaliteit van Den Haag. Je kunt er rustig werken, zonder voortdurend afgeleid te zijn door opwinding, mensen, onrust.

Een voormalig pvda-wethouder, Marnix Norder, heeft het plan voor het omstreden kunstencomplex Spuiforum geïnitieerd. Hij vergeleek het toekomstige gebouw (dat het Danstheater en de Anton Philipszaal moet vervangen en het Conservatorium erbij neemt) vaak gretig met het Centre Pompidou. Zo had hij ook het gebied tussen de twee stations, Centraal en Hollands Spoor, willen opknappen tot ‘De rode loper’, dat zoiets als een ‘Quartier Latin’ moest worden. Het is dat die goede man inmiddels weg is, anders was er nu een Eiffeltoren verrezen op het Malieveld.

Die afgunst op het kosmopolitische verraadt een onzekerheid over de eigen identiteit. En Den Haag is ook altijd lastig ‘uit te leggen’ aan bezoekers. Toeristen zijn verrast of teleurgesteld als blijkt dat ze een tram moeten nemen naar het Gemeentemuseum. Er is geen vastomlijnd centrum aan te wijzen, met een keurige reeks concentrische grachtencirkels eromheen. Den Haag moet niet op Parijs lijken, en zeker niet op Amsterdam, maar alleen op Den Haag, een stad waar een schrijver gewoon kan werken.