H.J.A. Hofland

Tussen hype en hetze

De Amsterdamse zakenman Erik de Vlieger maakte een overtuigende indruk. Bij Barend & Van Dorp legde hij uit dat hij Het Parool wilde kopen, niet om die krant eens stevig in de steigers te zetten en er een hartstikke eigentijdse draai aan te geven zodat de lezers eindelijk zouden krijgen wat ze willen. Nee. Het karakter moest behouden blijven, de redactie onafhankelijk. Het klonk goed. Iedere miljonair, iedere onderneming die eigenaar van een bestaande krant met reputatie wil worden, klinkt goed.

Of de heer De Vlieger een kans maakt, laat ik buiten beschouwing. De waarheid na iedere transactie in de wereld van het bedrukte papier is dat de nieuwe eigenaar zijn stempel op zijn eigendom zet, hoe dan ook. Een krant die door Rupert Murdoch is gekocht, heeft na een jaar op z’n Murdochs leren denken en schrijven: plat of deftig, met iedere dag een pin-up of een foto van Murdochs vriend Bush op de voorpagina. Als NRC Handelsblad door De Telegraaf was gekocht, had deze krant nu algemeen beschaafd Telegraafs geschreven. Als de transactie met De Vlieger doorgaat, en de levensvatbaarheid blijft bewaard, schrijft in 2004 Het Parool vrij en onverveerd Vliegers.

Koop en verkoop van een krant zijn vernederend. De verhalen dat een krant een commercieel product is, dat ze alleen kan bestaan als ze winst blijft maken, kennen we. Over de pluriformiteit van de pers en de theorie dat de krant geestelijk eigendom van de redactie is, valt ook niets nieuws te vertellen. Het vernederende in dit geval is dat een krant die goed geschreven is, met een neus voor nieuws, en die naar haar traditie de waan van de dag bestrijdt, wordt behandeld als een huisdier dat straks van de volgende eigenaar nieuwe kunstjes zal moeten leren.

Onafhankelijke kranten zijn altijd betrekkelijk zeldzaam geweest. De macht van de dagbladen is nooit onderschat. Ze dienden als partijkrant een politiek belang, als commerciële onderneming de koers van het aandeel, of beide. In de jaren negentig, toen de grote mediaconcerns zich tot wereldrijken uitbreidden, deed op internet het bericht de ronde dat voor het eerst in de geschiedenis zo’n onderneming een land wilde kopen. America on Line Time Warner had een bod op Frankrijk gedaan. Peter van Straten was eerder. In een tekening liet hij Pierre Vinken tegen Loek van Vollenhoven zeggen: Loek, het is zo ver. Doe een bod op de wereld. Leuk. Maar de werkelijkheid blijft dat internationale mediaconcerns de ongecontroleerde machten zijn die op honderden manieren de openbare mening kunnen beïnvloeden, en duidelijk zichtbaar bezig zijn politieke leiders te maken of te breken. Het is, samenvattend, de ideologie van de vrije markt. Artikel 1: alles is te koop, alles kan verkocht worden.

Het is onheilspellend dat een krant als Het Parool met een oplage van zeventigduizend blijkbaar niet levensvatbaar kan zijn. Waarom zo’n zwaar woord: «onheilspellend»? Omdat we, na de korte gouden eeuw van de jaren negentig, weer in een tijd van crisis zijn beland. In Nederland woedt «de opstand der burgers», een formule die schreeuwt om nader onderzoek. De wereld bereidt zich voor op een oorlog waarvan de mogelijke gevolgen niet kil, partijloos genoeg beschreven kunnen worden. De openbare mening wordt bewerkt met hype en hetze. Dit zijn de klassieke omstandigheden waaronder ieder medium weer in zijn klassieke functie wordt herkend: als instrument van de macht.

In tijd van crisis is nieuws het leidingwater voor de hersenen. Zonder de permanente voorziening van zuiver water worden we ziek. Zonder dagelijkse voorziening van zuiver, betrouwbaar nieuws beginnen we eigenaardig te handelen. Dat is dan de vooropgezette bedoeling van de belangen die het nieuws hebben aangelengd tot de mix waarvan de massa veel moet gebruiken voor ze met overtuiging in het geweer kan komen.

In een ander tijdvak, toen ook aan opwinding geen gebrek was, heeft Han Lammers voorgesteld om «drukfabrieken» op te richten waar iedere politieke of godsdienstige richting tegen kostprijs haar krant zou kunnen maken. Ook niet ideaal, maar in ieder geval een waarborg tegen de invloed van het anonieme belang, een barrière tegen het sollen met de krant. Die drukfabrieken, zal men zeggen, zijn er al: die zijn met internet gegeven. Iedereen zijn eigen site.

Drie jaar geleden klonk dat aardig, maar het is een fabeltje. De werkelijkheid is nog altijd dat de onafhankelijke krant in tijd van nood blijft aangewezen op het bondgenootschap van redactie en lezers. Wordt zij tot koopwaar, dan wordt dit bondgenootschap tot handel. Dat is het onsmakelijke van het geheel.