Essay Hoeveel vrijheid en democratie kan de islam verdragen?

Tussen Ibn Roshd en Voltaire

Politieke ontwikkelingen in Algerije en Marokko laten zien hoe gespannen de verhouding is tussen de islam en democratie. Dat heeft invloed op de – jonge – moslims in het Westen.

DE LAATSTE JAREN is de reputatie van de democratie ernstig aangetast in vele delen van de wereld – om precies te zijn in bepaalde Arabische en islamitische streken. Gedurende de afgelopen eeuw is er geen gebrek geweest aan gouvernementeel en non-gouvernementeel verzet tegen democratie in praktijk, maar in theorie heeft vrijwel elk land op de wereld trots zijn steun verklaard aan dit principe van volkssoevereiniteit. Of het nu in Oost-Europa, Afrika of elders is, corrupte dictaturen en gecentraliseerde eenpartijstaten hebben zichzelf allemaal beschreven als de ‘Democratische Republiek van’ hun land.
Maar de tijden zijn veranderd. Als je naar Algerije of Saoedi-Arabië gaat ontmoet je hordes mensen die democratie vierkant afwijzen, of in praktijk, of gewoon in naam. In wezen hoef je niet eens te reizen: zet de televisie aan en kijk naar Al-Jazeera, of een van de 250 satellietkanalen die te zien zijn in de Arabische wereld, en al gauw zie en hoor je dat soort uitspraken. Ik moet daar wel aan toevoegen dat ik denk dat Al-Jazeera een kwaliteitszender is die met succes free speech in de Arabische wereld stimuleert. Het probleem ligt niet bij Al-Jazeera, maar bij enkele van de zelfbenoemde ‘ware moslims’ die regelmatig op tv verschijnen om hun standpunten uit te dragen – en zo gebruik maken van dezelfde vrijheid van meningsuiting die ze zelf onmiddellijk zouden afschaffen als ze de macht zouden grijpen!

Het vreemde geval van het FIS – en wat dat ons leert
In Algerije wordt de houding tegenover democratie vertroebeld door de bijna schizofrene relatie die veel mensen nog steeds hebben met Frankrijk. Om slechts twee voorbeelden te geven: ze haten Frankrijk, maar met zoveel passie dat het lijkt op onbeantwoorde liefde; en ze vieren de Algerijnse onafhankelijkheid van Frankrijk met niet één maar twee feestdagen, maar toch vragen ze elk jaar weer meer visums aan om naar Frankrijk te mogen reizen. Sommige Algerijnen beschouwen ‘democratie’ slechts als ‘iets wat meekwam met Franse troepen toen die in 1830 binnenvielen’. Het heeft geen zin om uit te leggen dat de negentiende-eeuwse Franse democratie niet bepaald voorbeeldig was, zelfs naar de maatstaven van die tijd; bovendien werden zelfs de relatief beperkte rechten die de Franse burgers genoten in 1830 nooit vergund aan de inheemse bevolking van Algerije.
Voor het tweederde deel van de Algerijnse bevolking dat stemde op het Front Islamique de Salut (FIS, of ‘Islamitisch Reddings Front’) in 1991-92 was democratie inderdaad iets buitenlands – en iets Frans. Het FIS had duidelijk de vijand geïdentificeerd als de ‘Hizb Fransa’, de Partij van Frankrijk. Hoewel er niet zo’n partij op het stembiljet stond, claimde het FIS exact te weten wie de leden ervan waren. Ten eerste was iedereen die aan de macht was lid van Hizb Fransa, net als iedereen die Frans sprak, Franstalige kranten las of naar Franse tv-zenders keek. Natuurlijk waren veel van zulke ‘leden’ woedend, aangezien ze hadden meegedaan in de Onafhankelijkheidsoorlog van 1954-1962, en familie en vrienden hadden verloren. Hun verontwaardiging over die beschuldigingen van verraad werden genegeerd, net als hun protesten tegen de onsubtiele religieuze implicaties van de retoriek van het Front. In de Koran worden de gelovigen ‘Hizb Allah’ genoemd, de partij van God; zodoende begrepen zowel het FIS als zijn tegenstanders de aanklacht van het behoren tot een andere partij als een aanklacht van apostasie, geloofsverzaking, een vijand van God te zijn.
Tegen die achtergrond kon het FIS gebruik maken van het feit dat de regering de democratie aanhing, en stelde dat alleen de Hizb Fransa zich interesseerde voor democratie. De Berlijnse Muur was gevallen en de Koude Oorlog was voorbij. Over de hele wereld was er een virtuele voorjaarsschoonmaak gaande: regimes begonnen de holle façades te ontmantelen die hen in de voorgaande halve eeuw hadden gediend en ze te vervangen door meer substantiële democratische structuren. Er waren geen excuses meer; de rechtse autoritaire regimes hadden niet langer een communistische boeman, en de marxistisch-leninistische claim dat een kleine ‘voorhoede’ ‘het volk’ was, had geen enkele autoriteit meer.
Democratie was toen de orde van de dag. De term werd rechtstreeks geleend voor de Arabisch sprekende wereld: daardoor heeft dimoqrattiya in het Arabisch een absoluut vreemde, buitenlandse smaak. De klank ervan is al onmiskenbaar buitenlands.
Discussie over ‘het woord’ vond plaats aan het begin van een reeks gebeurtenissen die zouden leiden tot een burgeroorlog. Omdat dimoqrattiya niet klinkt als Arabisch was het eenvoudig voor het FIS om het te bestempelen als import uit het buitenland en de voorvechters ervan te beschuldigen van sympathiseren met het buitenland en plegen van verraad, allemaal handig samengebundeld in het concept Hizb Fransa.
Om verder te begrijpen hoe dit mogelijk was, moeten we ons herinneren dat er voor vrome moslims – zelfs die van de tweede en derde generatie in Europa – niets ergers bestaat dan bid’a, of ‘innovatie, of vernieuwing’. Tegen de tijd dat ze volwassen zijn geworden, zullen ze de frase ‘alle innovaties leiden naar de hel’ (kull bid’a fi-nnar) duizend keer hebben gehoord; in hun hoofd wordt het een automatische associatie. Met ‘vroom’ bedoel ik hier ‘orthodox’, maar jammer genoeg heeft er buiten die orthodoxie niet veel bestaan gedurende ten minste acht eeuwen – sinds de laatste ware moslimfilosoof, Ibn Roshd stierf, met een gebroken hart en verbitterd. In die periode stelde het Abbasid-kalifaat de regel in dat ‘de deuren van ijtihad’ – onafhankelijke interpretatie van geschriften – ‘worden gesloten’. Het liedje dat we als kind leerden – dat alle innovaties naar de hel leiden – dateert uit die periode. Eén beslissing om een deur te sluiten, en niemand zou meer mogen vernieuwen! Wie zich afvraagt waarom de eens zo glorieuze islamitische beschaving verwelkte en vervolgens vrijwel stierf, heeft het antwoord; de verklaring is zo luid en duidelijk als de dreun van een enorme deur die dichtslaat.
Deze gedeelde psychologische achtergrond maakte het voor het FIS eenvoudig om democratie een slechte naam te geven. Op de ene bijeenkomst na de andere riepen ze: ‘Zie je het niet, het is niet eens een Arabisch woord! Het is een bid’a! en wat gebeurt er met een bid’a?’ Dat was voldoende; de menigtes kenden het antwoord maar al te goed.
Het FIS maakte een enorme vergissing: het was te openhartig over zijn bedoelingen. Aangezien het een hekel had aan democratie was agendapunt nummer 1 het afschaffen ervan nadat de macht was gegrepen. Dat het Front verkiezingen – dat is: democratie – gebruikte als middel om de macht in handen te krijgen vond het geen enkel probleem. Als kalkoenen willen stemmen voor Kerst, waarom zouden wij ze dan tegenhouden? Of een meer sinister voorbeeld: zelfs Hitler werd keurig als kanselier gekozen volgens strikt democratische procedures, die volgden op redelijk vrije en eerlijke verkiezingen.
De zelfverzekerde leiders van het FIS daarentegen probeerden niet eens de indruk te wekken dat ze zich aan de regels hielden – en zagen dus over het hoofd dat het leger, dat nog steeds de legitimiteit bezat die het verdiende tijdens de bloederige acht jaar durende oorlog tegen Frankrijk, geen enkele intentie had om de macht over te doen aan een partij die er op uit was te vernietigen voordat ze creëerde. Het was niet moeilijk voor het leger om zich een scenario voor te stellen waarin het FIS zou besluiten het te ontmantelen; alle generaals spraken Frans en waren hun carrière begonnen in Franse uniformen. Welk instituut representeerde beter de gehate Hizb Fransa dan het leger? De rillingen liepen langs de collectieve ruggen van de generaals, die de verwachte tweede ronde van de verkiezingen afgelastten – die het FIS volgens de voorspellingen gemakkelijk zou winnen – en de noodtoestand uitriepen. En zo ging de enige oprechte poging tot democratie in Algerije voorbij.

Marokko: tussen de PJD en de qawma
Bij de buren, in mijn eigen land Marokko, wonnen islamisten gestaag aan politieke kracht. De lessen van het FIS-debacle in Algerije zijn niet aan hen voorbij gegaan: je kunt je geen keuriger en bescheidener islamisten voorstellen dan die van de Marokkaanse soort – in elk geval voorlopig. Ze noemen zichzelf ‘Hizb al-adala wa at-tanmiyya’, de Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (PJD in het Frans). Die naam is voor niemand aanstootgevend – want wie is tenslotte tégen rechtvaardigheid of vooruitgang? Als je partijleden vraagt of democratie een bid’a is, een innovatie, verwerpen ze dat idee meteen: in wezen is democratie een islamitische waarde, zeggen ze. De Profeet beveelt toch aan dat moslims een sjoera-raad instellen om een stad te besturen? Sjoera betekent zoiets als ‘raadpleging’. Men moet het volk ‘raadplegen’ over elke kwestie – dat is toch democratisch! En als ze moeten uitleggen hoe ze de uitgangspunten van de islam rijmen met de principes van de democratie – vrijheid van meningsuiting, vrijheid van geweten, afwezigheid van religieuze discriminatie – herhalen ze ad nauseam dat ze geen contradictie tussen die twee zien. Zelfs over onvermijdelijke tegenstellingen, vooral rond gelijke rechten voor vrouwen en homoseksuelen, herhalen ze hun vage credo dat ‘er geen problemen zijn’.
Niet iedereen is overtuigd. Veel mensen denken dat de PJD praktiseert wat bekendstaat als taqiyyah, vrij vertaald ‘heilige hypocrisie’, en betekent dat het is toegestaan te liegen over je geloof of intenties wanneer je onder druk staat, of als de omstandigheden het vereisen. Ironisch genoeg wordt taqiyyah geassocieerd met de sjiitische islam en wordt het door soennieten vaak gebruikt als belediging (hypocrieten! leugenaars!). Marokko is geheel soennitisch, dus het is verwonderlijk dat de PJD taqiyyah praktiseert – als dat daadwerkelijk is wat er gebeurt.
Dit is weer een voorbeeld van een ongemakkelijke, zoniet gespannen, relatie tussen islam en democratie. Gezien de rampzalige ervaring met het FIS koestert de iets voorzichtigere PJD het idee if you can’t beat them, join them. En de partij beweert dan ook dat ze net zo democratisch is als andere partijen, misschien nog wel meer. Haar bewijs voor democratie, het goddelijke concept sjoera, is van groter gewicht dan iets wat is bedacht door zondaars genaamd Rousseau of Mill.
Ter zelfverdediging kan de PJD wijzen op een groep die nog valser is dan zijzelf: de illegale (maar gedoogde) islamitische groepering ‘al-Adl wa al-ihsan’, wat zoiets betekent in de richting van ‘Rechtvaardigheid en Goede Daden’. Al-Adl, zoals ze algemeen bekendstaan, is een sekte, met een duidelijke visie op democratie: ze haten het. Anders dan het FIS voert al-Adl dat idee door tot zijn logische consequenties: omdat ze niet gelooft in democratie zal ze niet deelnemen aan verkiezingen. Waarom zouden mensen bij een partij willen horen als die niet naar de macht streeft? Het antwoord is dat ze wél aan de macht wil komen, niet door verkiezingen, maar door een qawma, dat wil zeggen een opstand, die binnenkort zou moeten plaatsvinden. Omdat de PJD ook van plan is binnenkort aan de macht te komen, wél langs democratische weg, zit ze begrijpelijkerwijs in haar maag met de profetieën van al-Adl. Maar dergelijk ongemak is ook voordelig voor de PJD, die er een aura van respectabiliteit door krijgt. Haar onuitgesproken vraag aan de Marokkanen lijkt te zijn: aangezien islamisten jullie zullen regeren in de komende jaren, hebben jullie dan niet liever de PJD, die het democratische spel speelt, dan die sekte en die qawma? Veel Marokkanen lijken te antwoorden met een galmend ‘ja’, terwijl anderen het idee hebben dat ze moeten kiezen tussen cholera en de pest.

Wat het betekent voor Europa
Bijna alle 250 satellietzenders in de Arabische wereld kunnen worden ontvangen in Europa, wat een interessant dilemma oplevert: moeten we, in de naam van democratie, toestaan dat antidemocratische stemmen gehoord kunnen worden? Dat is met name relevant in het land waar ik tegenwoordig woon; integratie in Nederland is moeilijker geworden nu je je makkelijk kunt onderdompelen, 24 uur per dag, in een geheel niet-Nederlandse wereld, waar Arabisch de voertaal is en de bebaarde, antidemocratische tv-imam de autoriteit. Moet die imam worden getolereerd? Dat is een bekend probleem: meer dan twee eeuwen geleden riepen Saint-Just en Camille Desmoulins al: ‘Pas de démocratie pour les ennemis de la démocratie!’ (Geen democratie voor de vijanden van de democratie!) Wat het FIS, de PJD of al-Adl betreft kunnen we op dit moment alleen maar goed de boel in de gaten houden. Tenslotte zou de qawma niet binnen korte tijd kunnen plaatsvinden; bij de verkiezingen van 2007, bijvoorbeeld, behaalden seculiere politieke partijen een meerderheid. Maar hier in Europa, waar er miljoenen hearts and minds te winnen zijn, is dat een existentiële vraag. De moslims van de tweede en derde generatie zijn Europeanen, en ze gaan niet meer weg. Geen enkel debat over de noodzaak de democratie te beschermen en te promoten kan het feit negeren dat deze mannen en vrouwen zijn blootgesteld aan de eerder beschreven ideeën. Daarom moet zorgvuldig onderscheid worden gemaakt tussen twee mogelijke houdingen tegenover islam en democratie.
De eerste behelst de kwestie-bid’a. Als we een discussie beginnen over de vraag of democratie een innovatie is, komen we nergens. In plaats daarvan moeten we ermee beginnen het hele idee te verwerpen dat ‘innovaties’ slecht zijn. Die opvatting heeft niets te maken met de islam als geloof, en het is zeker niet een van de principes ervan. Zelfs de meest orthodoxe moslims moeten toegeven dat er in hun geloof maar één equivalent is van de rooms-katholieke ‘doodzonde’, namelijk polytheïsme (as-shirk, de enige zonde die niet kan worden vergeven (door God)), en dus kan innovatie geen erfzonde zijn. Zelfs de meest orthodoxe moslims moeten toegeven dat er exact vijf canonieke plichten zijn, niet meer en niet minder: de shahada (belijdenis van het geloof), het dagelijks gebed (salat), vasten in de ramadan-maand (sawm), het geven van aalmoezen (zakat) en de pelgrimage (hadj) naar Mekka, voor de mensen die het zich kunnen veroorloven. Daarom kan het afwijzen van elke bid’a niet een geloofsplicht zijn. Je kunt een goed moslim zijn en vernieuwingen aanvaarden die niet in tegenspraak zijn met de vijf geloofsplichten. Alleen maar zeggen dat democratie een bid’a is zegt niets over de waarde of relevantie ervan.
Veel minder helder is de tweede houding, dat de oemma (de islamitische gemeenschap) verheven is boven alle andere groepen, distincties of verschillen van mening. Voor de meest extreme voorvechters van dit idee is de oemma nog steeds in afwachting van zijn kalief, of opperste machthebber. Sinds de dag in 1924 toen de stichter van Turkije Atatürk het kalifaat afschafte en de laatste kalief verbande naar Zwitserland hebben sommige moslims gehoopt op een of ander herstel. In Marokko verbaasde ik me erover dat ik een paar mensen ontmoette die weigerden te bidden in de moskee op vrijdag, omdat het voor hen ‘nergens op sloeg’ zonder een kalief in wiens naam het collectieve gebed wordt gezegd. Ik vroeg ze maar niet of de nieuwe kalief een Turk moest zijn, een Arabier of een Iraniër: de discussie die zou volgen zou eindeloos zijn geweest.
Evenmin deelde ik met hen het overtuigende antwoord van de moslim-rechter Ali Abderraziq, die in 1925 liet zien dat het niet erg zinnig was om een kalief te hebben. Je kunt een volmaakt goede moslim zijn zonder iemand te hebben die de incarnatie is van een soort spirituele macht. En wat seculiere macht betreft sloeg een kalief nog minder ergens op, volgens de gerespecteerde rechter. Kort nadat ik die ongewone mensen had ontmoet zag ik Abderraziqs boekje, Islam wa usul al-hukm (Islam en de oorsprong van bestuur) te koop in Marrakesj voor een zeer schappelijke prijs. Dat laat zien dat er geen gebrek is aan serieuze reflecties over de cultuur en religie van moslims, hetzij uit begin twintigste eeuw, hetzij van daarna. Wat er ontbreekt is een serieuze poging die werken te promoten en te verspreiden. Er zijn genoeg oliedollars opzijgezet om de ideeën te verspreiden van de mensen die als een robot orthodoxe leerstellingen herhalen. Misschien zou een of ander Europees instituut fondsen moeten bestemmen voor het vertalen en uitgeven van boeken als dat van Abderraziq. Misschien zou het gratis moeten worden gegeven aan ieder jong mens, net zoals extremistische propaganda gratis wordt verspreid.
En de jonge moslims dan die niet wachten op het nieuwe kalifaat maar desalniettemin worden verleid door het idee van een oemma? Het probleem is simpel te begrijpen als het duidelijk wordt geformuleerd: het idee van een gemeenschap die alle geografische grenzen overschrijdt, alle sociale klassen, alle persoonlijke verschillen et cetera, staat op gespannen voet met het idee van democratie. Als een moslim in Nederland het gevoel heeft dat hij dichter staat bij een Pakistaan die achtduizend kilometer verderop woont dan bij een directe buurman die toevallig christen, agnost of jood is, dan klopt er iets niet. In de eerste plaats gaat politiek over het leiden van de polis, de ‘stad’ waar mensen wonen – niet een of andere denkbeeldige organisatie die bestaat uit mensen die worden gescheiden door duizenden kilometers. De geografische ligging van Nederland houdt in dat het voortdurend wordt bedreigd door overstromingen en vergelijkbare natuurrampen. Zorgen dat het land blijft draaien betekent ervoor zorgen dat alle inwoners zich betrokken genoeg voelen om nauw samen te werken om alle problemen aan te pakken. De graad van ‘cohesie’ van Europese (of andere) samenlevingen wordt bepaald door zulke praktische kwesties. Nederlandse Marokkanen of Nederlandse Turken, van wie er vele een dubbele nationaliteit hebben, kunnen niet dat deel van zichzelf weggummen dat hen verantwoordelijk maakt voor het bestrijden van het clear and present danger van, laten we zeggen, een overstroming. Ze kunnen zich nostalgisch voelen over het land waar hun ouders werden geboren, ze kunnen vrome moslims zijn als ze dat willen, maar ze moeten vechten tegen het water zij aan zij met hun mede-Nederlanders.
Als je niet denkt dat je in hetzelfde schuitje zit, dan is er iets mis. Dit is precies wat er gebeurt met sommige tweede- en derde-generatie-moslims in Europa. Het is een verontrustende ontwikkeling, en die is verre van puur theoretisch. Denk aan de twee Nederlandse tieners van Marokkaanse afkomst die stierven in Pakistan, toen ze probeerden zich aan te sluiten bij de Taliban. Denk aan de jonge Fransen die stierven in Tsjetsjenië terwijl ze tegen de Russen streden. Denk aan de jonge Britse mannen die zichzelf opbliezen in de metro van Londen en andere Britten doodden met wie ze geen enkele solidariteit of sympathie voelden omdat ze geen deel uitmaakten van de oemma.
In Nederland lijkt dit niet te worden beschouwd als een probleem. Nederlanders zijn gewend aan het systeem van confessionele ‘verzuiling’, dat een groot deel van het maatschappelijke leven verdeelde langs religieuze lijnen. Aangezien het werkte in het verleden kunnen we ons afvragen waarom het nu niet zou werken. Er is echter een goede reden: het begrip van de oemma zoals dat nu wordt gepropageerd in Europa, zelfs door de mensen die de minister van Buitenlandse Zaken zo graag ontvangt in Den Haag voor een kopje koffie, is een agressieve versie. Ze zeggen dat de oemma in een strijd is verwikkeld op leven en dood. Of zij zullen ons vernietigen, of wij vernietigen hen. De clash of civilisations werd niet uitgevonden door Samuel Huntington of Bernard Lewis (die als eerste de uitdrukking gebruikte), maar door de oprichters van de Moslim Broederschap, vele decennia eerder. Zolang dergelijke ideeën de kans krijgen te overwinnen, zal verzuiling geen pacificatie brengen. Integendeel: mensen in een moslim-zuil dwingen zal in sommige gevallen haat wekken. Dit is wat een jonge man zou kunnen zeggen: ‘Ik ben geboren in dit land, ik ben erin opgegroeid, ik heb een Nederlands paspoort, en toch zien jullie me in de eerste plaats als een moslim? Oké, dan zal ik dat zijn, en erger nog: ik zal een vreemdeling zijn. Ik zal niets te maken hebben met jullie maatschappij.’ Daar zit je dan met je democratie. De mensen die denken dat dit fictioneel is moeten lezen wat Mohammed Bouyeri – de jonge man die Theo van Gogh vermoordde – en mensen als hij hebben gezegd of geschreven.
Ik weet nog hoe geschokt en boos ik was toen ik, een paar jaar geleden, een brief kreeg van het hoofd van de Amsterdamse politie, die me een gelukkige ramadan wenste. Hij bedoelde het goed, maar dan nog is bid’a niet het enige wat naar de hel leidt. Wat me het meest verblufte was dat de politie een lijst leek te hebben van alle ‘moslims’ die in Amsterdam woonden. Dat riep een interessante vraag op: had de politie tijdens de oorlog een lijst met alle joden die in Amsterdam woonden? Natuurlijk – iets wat de Duitsers zeer nuttig vonden. Toen ik ernaar vroeg kreeg ik te horen dat zo’n lijst niet bestond – in plaats daarvan had de politie de hoogst verfijnde methode gebruikt van het sturen van kaarten naar mensen met namen die ‘moslim-achtig klonken’. En zo kreeg een modeboetiek, waarvan de eigenaar een Nederlander met zeer blauwe ogen was, een kaart waarop de winkel werd gefeliciteerd ter gelegenheid van ramadan. De naam van de boetiek: Baobab. Zonder meer ‘moslim’. Dit is niet zomaar grappig, want het onderstreept wat ik wil zeggen: mensen lijken niet te beseffen hoe gevaarlijk het is voor een democratie om toe te laten dat zich groepen vormen die zich vervolgens beginnen te vervreemden van de natie.

Wat te doen?
Wat kan er worden gedaan? Ik heb het idee dat we onverminderd moeten uitleggen, steeds opnieuw, dat de hele vooruitgang van de beschaving was gebaseerd op de emancipatie van het individu. En we moeten net zo onverminderd de rechten blijven verdedigen van het individu, met name die van individuele vrouwen en individuele leden van alle minderheidsgroeperingen. Wat groepen betreft, die moeten we behandelen in de lijn van de beroemde toespraak van Clermont-Tonnerre voor de Franse Assemblée in december 1789, toen hij verwoordde wat emancipatie werkelijk betekende: ‘We moeten weigeren ook maar iets te geven aan de joden als natie, en alles geven aan de joden als individuen!’
Wat zouden de voorstanders van het FIS daarop zeggen? Ongetwijfeld zouden ze de auteur bekritiseren als weer zo’n verfranst persoon die probeert een buitenlands idee te introduceren in onze glorieuze islam. Dat zou indruk kunnen maken op een paar mensen die de geschiedenis niet kennen, maar degenen die op de hoogte zijn van het verleden weten dat het niet zo buitenlands is. Je kunt stellen dat de hele beweging van de emancipatie van het individu begon op islamitisch grondgebied, eerst in het Bagdad van de Abbasiden, en later in moslim-Andalusië. Om één feit te noemen: hoeveel van die zogenaamde moslims hebben ooit gehoord van de Ikhwan as-safa (de Broeders der Zuiverheid), de eerste encyclopedisten, die probeerden alle profane kennis van hun tijd op papier vast te leggen? Antwoord: nul. Ik stelde de vraag herhaaldelijk tijdens mijn laatste reis naar Marokko. Niemand leek iets te weten van de Ikhwan as-safa. Doet dat ertoe? Dat doet het. De Franse Encyclopedisten, onder aanvoering van Diderot en d’Alembert, vertegenwoordigden een cruciaal moment in de emancipatie van het individu, wat uiteindelijk leidde tot democratie in haar huidige vorm. Zouden democratie en het primaat van het individu niet acceptabeler zijn voor moslims – meer natuurlijk – als ze zouden weten dat het geen vreemde innovaties zijn? Opnieuw zien we hier hoe vernietigend onwetendheid kan zijn.
Maar jammer genoeg komt onwetendheid van beide kanten. In al de jaren dat ik heb gestudeerd aan Franse scholen, lycea en universiteiten heb ik nooit de Ikhwan as-safa horen noemen. Nooit heb ik iets gehoord over Ibn Roshd (Averroes) of al-Farabi, maar ik heb veel geleerd over Voltaire en de Franse Encyclopedisten, waardoor ik zeer gehecht ben geraakt aan vrijheid en democratie. Maar voor de nieuwe generaties in Europa, die worden onderworpen aan de propaganda van antidemocratische fundamentalisten thuis en in de moskee, is Voltaire misschien niet genoeg. We moeten ze vertellen, en laten zien, dat het verlangen naar vrijheid en democratie al door de aderen van hun eigen voorvaders stroomde.

Fouad Laroui, geboren in 1958 in Oujda (Marokko), doceert (onder meer) Franse letterkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij schreef enkele goed ontvangen boeken, waarvan Kijk uit voor parachutisten (1999) wellicht het bekendst is. Laroui kreeg in 2002 de E. du Perronprijs voor zijn hele oeuvre. In 2006 verscheen zijn non-fictieboek Over het islamisme (De Geus)

Vertaling: Rob van Erkelens