Grapjes moet je snappen

Tussen Joep Meloen en Freek de Jonge

In humor worden maatschappelijke scheidslijnen scherp zichtbaar: sekse, leeftijd, stad versus platteland. Verreweg de scherpste scheiding is klasse. Hoger opgeleiden gieren om Hans Teeuwen, arbeiders vinden André van Duin hilarisch, en ‘veel gezelliger’.

Het belang van een gedeeld gevoel voor humor is het duidelijkst wanneer het ontbreekt. Het is bijna onmogelijk een relatie op te bouwen met iemand die nooit een grapje maakt, nooit lacht om jouw grappen, of het ergste: die wel grappen maakt, maar altijd net de verkeerde. Humor is een van de scherpste, maar subtielste vormen van sociale begrenzing. Wie de grappen niet snapt, of niet weet hoe grappig te zijn, valt buiten de groep. Wie lacht hoort erbij.

Dit bindende en scheidende effect was het uitgangspunt voor mijn promotieonderzoek naar sociale verschillen in humor. Tussen 1995 en 2001 reisde ik heel Nederland door om mensen te ondervragen over hun gevoel voor humor. Ik wilde kijken hoe smaken op het gebied van humor verschilden, en hoe dit samenhing met sociale scheidslijnen. In totaal sprak ik uitvoerig met 66 mensen, van Wieringen tot Heerlen tot Pendrecht, van hoogbejaarde tot tiener, van havenarbeider tot zakenman en van bijstandsmoeder tot psychiater. Daarnaast vulden 340 mensen een vragenlijst in, en zocht ik in archieven naar de evolutie van het Nederlandse gevoel voor humor door de eeuwen heen. Zelfs ik, als socioloog, was verbaasd – zelfs teleur­gesteld – hoe scherp maatschappelijke scheidslijnen zichtbaar werden in humor: sekse, leeftijd, klasse, stad versus platteland. Verreweg de scherpste scheiding was klasse. Het gevoel van mensen uit de hogere middenklasse verschilde in alle opzichten sterk van de humor van mensen uit de arbeiders- en lagere middenklasse. Min of meer onbedoeld ging mijn proefschrift Goede humor, slechte smaak niet alleen over Nederlandse humor, maar vooral over Nederland als klassenmaatschappij.

In de jaren negentig was Nederland ‘af’, en klasse geen issue meer. Sindsdien is het thema helemaal terug op de politieke en journalistieke agenda, nu bekend als ‘de kloof’ tussen hoger en lager opgeleiden. Een misleidende aanduiding (al gebruik ik hem ook bij gebrek aan beter). Hoewel opleiding tegenwoordig de belangrijkste indicator voor klasse is gaat het om een fundamenteler sociaal proces: generationeel overgedragen verschillen in vaardigheden, bezit en levensstijlen die zich omzetten in individuele achterstanden en voorsprongen – waaronder het hoogst bereikte opleidingsniveau.

Klassenverschillen op het gebied van humor zitten in de waardering van de gestandaardiseerde, professionele humor van komieken en televisieprogramma’s, maar vooral in het gebruik van humor in het dagelijks leven. Als ik mensen uit de hogere middenklasse vroeg een bekende te beschrijven met een opvallend goed gevoel voor humor was dat steeds hetzelfde type: scherp, snel, gevat. Ironisch. Relativeringsvermogen. Maakt scherpe, soms pijnlijke grappen. Niet noodzakelijkerwijs een aardig iemand, maar zonder meer geestig. Hun eigen gebruik van humor benaderde dit ideaal: hun grapjes hadden vaak een scherp randje. Als ze iets grappigs zeiden was dat niet altijd aan hun gezicht te zien; en ze lachten niet vaak hardop of uitbundig. Ze hielden (toen nog wel) van Freek de Jonge, Absolutely Fabulous, Van Kooten en De Bie, en de jongeren van Hans Teeuwen – ongemakkelijke humor met een ondertoon van schaamte, pijn of boosheid. Vaak beleden ze hartgrondig hun afkeer van ‘platte’ humor: simpele of flauwe grappen ‘die je van een kilometer ziet aankomen’.

Als ik mijn informanten uit de arbeiders- en lagere middenklasse vroeg naar een bekende met veel gevoel voor humor beschreven ze een heel ander type: een uitbundige grappen­maker. Komt binnen en maakt meteen een geintje. Soms plagerig, maar altijd gezellig en nooit echt kwetsend. Een moppentapper of een verhalenverteller. Zo probeerden ze zelf ook te zijn, al lukte dat niet altijd: vrolijk en uitbundig, nooit om een grapje verlegen, een gangmaker. Deze interviews kwamen pas echt op gang als er hardop gelachen werd. Ze hielden van André van Duin en van sitcoms op televisie. Freek de Jonge vonden ze raar, Youp van ’t Hek vaak onnodig kwetsend. De meeste cabaretiers waar hoger opgeleiden om lachten kenden ze niet.

Dit verschil in gevoel voor humor registreerde ik niet alleen, ik voelde het ook. Tijdens de interviews met de lager opgeleiden voelde ik me vaak onhandig, geremd en nogal humorloos. Het lukte me vaak niet om met mijn informanten mee te lachen, hoe graag ik het ook wilde. Het was ongemakkelijk om over humor te praten terwijl de lach maar niet op gang kwam. Bovendien vond ik hun kijk op humor behoorlijk plausibel. Waarom zou humor ‘een beetje moeilijk’ moeten zijn, zoals een lerares Nederlands me voorhield tijdens een interview? Wat is er eigenlijk mis met makkelijke, uitbundige humor, verhalen met stemmetjes en grote armgebaren? Met een duidelijke clou? Met een grap waarvoor je niet de krant hoeft te hebben gelezen? Met een grap die ‘gewoon leuk’ was? Waarom kon ik daar niet gewoon om lachen?

Op het onderzoek kwamen veel reacties, ook uit de media. Deze reacties volgden – en volgen nog altijd – een vast patroon. Steevast gaan de meeste vragen over man-vrouwverschillen. Dat ik tussen vrouwen- en mannenhumor eigenlijk meer overeenkomsten vond dan verschillen komt op een of andere manier nooit in interviews terecht. Op de grootste bevinding, het opvallende klassenverschil, is de respons steevast lauw. ‘Dat weten we toch allemaal al lang.’ (Ook wel: ‘Een typische sociologische open deur.’) En bovendien: ‘In Nederland is toch eigenlijk geen klassenverschil meer.’

Deze twee uitspraken lijken met elkaar in tegenspraak. We weten best dat er verschil is, maar ‘eigenlijk’ is er geen verschil. Zulk soort redeneringen komen vaak voor als het om klassen­verschil gaat. Door het te duiden als een (overbekend) smaakverschil maken we het persoonlijk: we halen de politiek eruit. Maar mijn interviews leerden me dat verschil in gevoel voor humor juist belangrijk is omdat het zo persoonlijk is. Gedeelde humor maakt meteen duidelijk dat je op dezelfde golflengte zit. Het ontbreken ervan maakt voelbaar dat je niet uit dezelfde wereld komt: je deelt geen vanzelfsprekendheden, het gesprek loopt stroef. Dit ongemak van de niet-gedeelde humor markeert een scherpe sociale grens: het opgetelde effect van decennia, zelfs eeuwen van sociale scheiding en mijding.

Niemand heeft dat beter door dan sociale stijgers en dalers. Door hun levensloop zijn zij vaak een soort natuurlijke sociologen. Een grafisch ontwerper uit een arbeidersmilieu noemde zijn huidige universitair geschoolde milieu ‘steriel’, en hij vroeg zich hardop af waar de ‘weerstand tegen humor’ in de hogere midden­klasse vandaan kwam. Een lerares op een middelbare school vertelde over het ongemak op familie­feestjes: het lukte haar niet meer te lachen om haar vader, broers en ooms die in de bouw werkten. Deze mensen hadden aan den lijve ondervonden hoe bepalend humor is voor het cultuurverschil tussen sociale klassen. Deze cultuur­verschillen verklaren gedeeltelijk waarom sociale mobiliteit – opwaarts of neerwaarts – zeldzaam is. Sociale mobiliteit heeft vaak een hoge prijs. Veel sterke stijgers en dalers voelen zich ontheemd in hun oude milieu, hun nieuwe milieu, of in allebei.

De Franse socioloog Bourdieu betoogde in zijn klassieker La distinction dat smaak in moderne samenlevingen de belangrijkste markering is van sociale klasse. Smaak en stijl – ‘cultureel kapitaal’ – vormen in veel opzichten een effectiever distinctiemechanisme dan banksaldo of bezit. Zoals het voorbeeld van humor laat zien: je weet bijna meteen of iemand ‘een van ons’ is of niet. Goede smaak is bovendien waarde­vast: je verliest het moeilijker dan geld. En zoals gezegd: onderscheid maken op basis van smaak haalt de politiek uit de sociale verhoudingen. Zo kunnen we subtiel onderscheid maken en tegelijkertijd geloven dat klasse er niet meer toe doet. Smaak is immers individueel, persoonlijk: een kwestie van keuze.

Gevoel voor humor past echter niet helemaal in de gangbare sociologische theorievorming over smaak en klasse. Deze theorieën stellen dat de klassenstructuur overeind blijft omdat de bovenlagen met succes hun eigen smaak als superieur weten te presenteren. Maar mijn informanten uit de arbeiders- en lagere midden­klasse hadden helemaal niet het gevoel dat hun humor ‘minder’ was. Ze waren trots op hun ‘volkse’ humor, en spraken vaak wat meewarig over ‘stijve’ hoger opgeleiden die ‘altijd met hun neus in de boeken zitten’, en hun leiding­gevenden, altijd in vergadering of anders alleen op hun kantoor, ‘die wel wat vaker mochten lachen’. Van de intellectuele vpro-komieken die ze op tv zagen snapten ze vaak weinig, maar daar leden ze niet erg onder. Kortom: ze hadden weinig last van ‘opwaartse aspiraties’ of ‘statusangst’. Ze geloofden ook niet erg in de vanzelfsprekende superioriteit van de intellectuele smaak. Integendeel: humor is voor leden van de arbeiders- en lagere middenklassen een bron van trots en zelfbewustzijn, een manier om zich beter te voelen dan intellectuelen, rijken, en bazen. ‘Bij ons is het veel gezelliger.’

Ergens in het eerste decennium van de 21ste eeuw is klasse met een klap teruggekeerd in het publieke discours. Ineens staan kranten en opiniebladen vol over de ‘kloof’ tussen hoger en lager opgeleiden, de diplomademocratie, en de ‘elite’ die haar smaak wil opleggen aan ‘gewone mensen’. Ook andere maatschappelijke breuklijnen zijn veel zichtbaarder geworden: leeftijd, sekse, maar ook etnische achtergrond en wat ik maar even samenvat als ‘kosmopolitische oriëntatie’: een ingevoerdheid in internationale kringen die tegenwoordig ook fungeert als cultureel kapitaal.

Als ik mijn onderzoek nu zou doen, zou ik waarschijnlijk scherpere scheidslijnen vinden dan dertien jaar geleden. Humor is onverminderd klassegebonden, mogelijk meer dan voorheen. Stijlverschillen in alledaags gebruik van humor zijn weinig veranderd. De sociale afstand tussen de klassen is eerder af- dan toegenomen, en de sociale mobiliteit in Nederland stokt. Dit betekent dat uitwisseling tussen klassen – de beste manier om elkaars humor te leren kennen – terugloopt. Ook de fragmentatie van het media­landschap betekent dat mensen steeds minder in aanraking komen met ‘andere werelden’, ook op het gebied van humor.

Shows als Ik hou van Holland en sitcoms als Gek op Jack worden vooral gewaardeerd door lager opgeleiden: humor die primair uitbundig, gezellig en ‘om te lachen’ is. Onder jongeren is hardhandige humor à la de New Kids geliefd: minder gezellig, maar ook van de uitbundige lach. De hogere middenklasse houdt nog altijd van ironische, scherpe en wat ongemakkelijke humor en houdt dus van Micha Wertheim, Theo Maassen, Toren C, maar ook van oudgedienden als Youp van ’t Hek. Het verschil met vijftien of twintig jaar geleden is dat de kans kleiner is dat mensen uit verschillende milieus elkaars humor in de media tegenkomen. Er zijn zoveel televisie­zenders en mediakanalen dat je vooral zoekt op de bekende plek, en minder snel buiten je eigen wereld komt.

Toenemende internationalisering van de humorconsumptie zet verschillen binnen Nederland verder aan. Verschillen tussen leeftijds­groepen worden groter. Jongeren zoeken en delen veel humor online. Nederlandse en internationale, professionele en amateur-humor lopen daar door elkaar en vormen een humorcultuur waar dertig- of, vooruit, veertigplussers weinig mee kunnen. Tegelijkertijd blijft de onderliggende logica van de klassegebonden humorculturen intact. Nederlandse smaak­culturen worden, vooral door jongeren, aangevuld met bijpassende internationale – Engels­talige – humor.

Veel van mijn studenten kijken naar The Daily Show en zijn spin-offs: de deadpan presentatie en ironische mediakritiek van Jon Stewart of Stephen Colbert passen naadloos in hun Nederlandse highbrow humorstijl. Op andere schooltypen (en ook onder wat ouder publiek) is de Amerikaanse poppenspeler en buik­spreker Jeff Dunham populair, dankzij internet maar vooral door televisiezender Comedy Central. Dunhams typetje Achmed the Dead Terrorist (‘Silence! I kill you!’) was een tijdlang een gewilde ringtone (ik vind het trouwens ook een geestige sketch). In 2011 trad Dunham op in Ahoy, en 2013 komt hij terug naar de Ziggo­dome met – aldus de ticketsite – ‘de knotsgekke Peanut, zelfmoord-terrorist Achmed of oude brombeer Walter. Jeff Dunham zal u zeker de hele avond laten genieten van de leukste sketches samen met zijn beroemde poppen.’ Dit citaat – waarvan ik vermoed dat het de meeste _Groene-_lezers nogal afschrikt – laat zien hoe Dunham, compleet met typetjes, stemmetjes en een schaterend publiek zich makkelijk laat voegen in de Nederlandse populaire humorstijl.

Zo delen Nederlanders steeds meer van hun humor met mensen buiten Nederland. Maar tegelijkertijd neemt de sociale afstand binnen Nederland toe. Waar vijftien jaar geleden iedereen nog wist om wie men in andere milieus lachte, loopt de Ziggodome nu vol voor een komiek waar de meeste hoger opgeleiden waarschijnlijk nooit van gehoord hebben.

Humor voelt als een deel van onszelf. Je vindt iets leuk of niet, en lacht bijna automatisch, zonder erbij na te denken. Daardoor lijkt ons gevoel voor humor onveranderlijk en onwrikbaar: dit vind ik ‘nu eenmaal’ leuk. Hier kan ik ‘nu eenmaal’ niet om lachen. Vooral hoger opgeleiden, die gevoel voor humor lokaliseren in het geestige, gevatte individu – in dan met name zijn of haar hoofd – hebben de neiging gevoel voor humor te verabsoluteren. Lager opgeleiden zoeken gevoel voor humor eerder in het sociale, in een vrolijk-uitbundige sfeer: iemand met gevoel voor humor probeert die sfeer te creëren of is daar opvallend goed in. Maar iedereen kan daaraan meedoen. Sterker nog: de grappen­maker kan het niet af zonder de lach en aanmoediging van anderen.

‘Lachen’, schreef de Franse filosoof Bergson in 1900, ‘heeft een echo nodig.’ In tegenstelling tot zijn tijdgenoot Freud zag Bergson humor niet als een individueel-psychisch, maar als een door en door sociaal verschijnsel. Een grap is een uitnodiging voor een reactie: de lach.

Mijn lager opgeleide informanten zitten op de lijn van Bergson, en ze hebben gelijk. Humor is eerder een vorm van communicatie dan een eigenschap. Het zit meer in interactie dan in het individuele hoofd van de grappenmaker. Gevoel voor humor is dus ook niet in steen gehouwen, maar wendbaar, kneedbaar, en afhankelijk van relaties en situaties.

Ook dit heb ik geleerd tijdens mijn onderzoek, niet alleen in Nederland maar ook in de Verenigde Staten en diverse Europese landen waar de sociale afstand vaak nog groter was. Niet-gedeelde humor is pijnlijk en ongemakkelijk, dat is waar. De eerste respons is misschien de vermijding: weg uit deze schutterige situatie. Maar als je dat niet doet, komt het verrassend vaak goed. Mensen willen in het algemeen heel graag humor delen. Op het moment dat een situatie een zekere onvermijdelijkheid heeft gekregen gaan mensen aftasten: op zoek naar de grap die wel werkt, en doorgaan tot er gelachen wordt. Hierdoor kan je gevoel voor humor ook geleidelijk aan veranderen. Tegen het eind van mijn onderzoek was mijn humorsmaak breder dan eerst, en kon ik zelfs best aardig moppen vertellen (al zeg ik het zelf).

Dat humor sterk samenhangt met klasse wijst dan ook niet alleen op een groot cultuurverschil binnen Nederland. Het laat ook zien dat we niet zo vaak proberen over sociale scheidslijnen heen te stappen. Humor kan binden en scheiden. Als het vooral scheidt komt dat vooral doordat we dat zelf hebben laten gebeuren.


Giselinde Kuipers is hoogleraar cultuur­sociologie aan de Universiteit van Amsterdam