Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Tussen jou en de waarheid staat je ego’

‘Wie zijn authenticiteit wil bewaren mag nooit afgaan op het applaus of fluitconcert van de kudde’, houdt Martin Simek zijn kinderen voor. Zelf liep hij ook nauwkeurig uit de maat.

Medium dscn5093

Als iedereen om een sterke leider roept, wat doet u dan, meneer Simek? Roept u mee of stelt u zich kandidaat?

Een onmogelijke keuze. Wat de massa voortbrengt verslindt hij even later. Om dat nooit te vergeten heb ik in ons Calabrese huis een staatsieportret van Mussolini opgehangen. Nu we kinderen hebben komt dat extra goed uit. Ze stellen vragen waar we op in kunnen gaan. Wat de keuze betreft: zolang de waanzin duurt, kun je je maar liever in de massa verstoppen en wachten op een kans. Die komt er, vroeg of laat. Als kind al verafschuwde ik de massa meer dan Stalin. Die tekende ik als een éénkoppig monster, de massa als een oneindig-koppige draak.

Mijn eerste gelukte perspectieftekening was een tekening van zo’n draak, die tot aan de horizon reikte. Mijn vader moest er erg om lachen, toen ik vertelde wie of wat de draak voorstelde. Alleen op de ridder die klaarstond om het tegen de massa op te nemen, had hij aanmerkingen. ‘Heeft die ridder niets beters te doen?’ vroeg hij. ‘Hoezo?’ vroeg ik teleurgesteld. ‘Engels studeren, of tennissen bijvoorbeeld’, zei hij. Pas een jaar of vijftien geleden drong het besef tot me door dat mijn minachting voor de massa de reden is waarom het me gelukt is mijn eigenheid te bewaren.

Zou u dat moment van inzicht willen beschrijven?

Op een zomerdag in een strandtent hier waren Calabrese kinderen aan het dansen. Ze deden allemaal exact dezelfde bewegingen, die ze waarschijnlijk van de tv hadden afgekeken. En hun ouders maar foto’s nemen. Ik was stomverbaasd. Akelig vond ik het. Hoe kun je zoiets vrijwillig doen? In mijn jeugd dwongen de communisten ons op school gelijksoortige, uniforme bewegingen op muziek in te studeren, om ze eens in de vier jaar tijdens de Spartakiade in het megastadion Strahov in Praag aan de wereld te tonen. Ook de fabrieken moesten meedoen, de arbeiders moesten in hun vrije tijd oefenen, als ze tenminste niet aan een gigantisch monument van Stalin op een heuvel boven de Moldau moesten meebouwen. Vrijwillig uiteraard.

De Spartakiade was een soort Olympiade voor ideologisch dementen. Onze regering en partijleiding zaten samen met alle bevriende regeringen en partijleidingen dagenlang op de eretribune. De gymnasten moesten vreugde uitstralen en bewijzen dat we in navolging van onze grote broer en voorbeeld de Sovjet-Unie onderweg waren naar het betere morgen.

Het viel niet mee om het juiste aantal keren uit de maat maar niet in de gaten te lopen. Net fout genoeg om niet uitgekozen te worden. Overdrijven was uit den boze, dan riskeerde je van sabotage beschuldigd te worden en werd je van school gestuurd. Ik had het extra moeilijk, omdat ik de school met basketbal vertegenwoordigde en er zodoende bij mij enig coördinatie- en maatgevoel werd verondersteld. Dat ik onder de Spartakiade wist uit te komen, beschouw ik tot vandaag als een van mijn topprestaties.

Nu ik zelf schoolgaande kinderen heb, lijd ik als ze kuddeneigingen vertonen. Gamen, modieus taalgebruik, gevoelig voor reclame zijn. ‘Vet cool’, ‘mega-nice’, ‘kapot-stom’, en ‘ziek nummer’ voor een heel goed liedje, linkt mijn getraumatiseerde brein aan het stupide partijjargon, verbindt reclame met propaganda. Geloof me, in de 48 jaar die ik in het Westen ben, is alle reclame aan me voorbij gegaan. Behalve ‘Vakmanschap is Meesterschap’ dan. Voor één keer dacht ik: hé, dat klopt. Dat geldt ook voor tennis. Als je het vakmanschap ontstijgt – wat niet betekent overslaat – dient het meesterschap zich aan. Of althans bij sommigen.

Arme kinderen.

Wat arme kinderen? Wáren we maar arm! Daar zouden ze veel van opsteken. Neem nou schaamte, ook zoiets. Waarom zou je je moeten schamen, of op applaus hopen? Applaus van wie? Van een zo groot mogelijk publiek? Op YouTube? Weet je waar het grote publiek voor warm loopt? ‘Voor Justin Bieber!’ roepen mijn jongetjes dan in koor. Ik zag me dus gedwongen me in het fenomeen te verdiepen en kocht op het Waterlooplein een documentaire van tien jaar geleden, toen hij aan het begin van zijn carrière stond. Een marionet in handen van bloedzuigers. Nu, op zijn 22ste, heb ik laatst gelezen, is hij van het podium weggelopen omdat hij er niet bovenuit kon komen. Iedereen stond te gillen of viel flauw.

Dan zeg ik tegen Chacha van twaalf: ‘Stel je voor dat het de reactie van de meisjes uit je klas zou zijn als je ’s ochtends binnenkomt. Dat is toch niet leuk?’ Dan zie ik hem denken. Afgelopen zomer paradeerde een type uit Milaan vol tatoeages over ons Calabrese strand. ‘Nuru’, zei ik tegen mijn zoontje van tien, ‘hier heb je het telefoontje van mama, en als je terugkomt met foto’s van die tatoeages krijg je vijf euro van me. Je zegt dat je een oude vader hebt die je verboden heeft tatoeages te nemen voor je zestiende. En dat je in de tussentijd tatoeages fotografeert en verzamelt om te zijner tijd beslagen ten ijs te komen.’

Iedereen krijgt les, nog voor het kind de kans heeft gehad zelf wat aan te rommelen met het instrument of de bal

Begreep hij die uitdrukking?

Nou en of. Of in ieder geval stapte hij op de man af. Ze waren samen wel veertig minuten bezig. Toen het type ook zijn zwembroek naar beneden schoof wilde Iris, de moeder, ingrijpen. ‘Niets ervan!’ hield ik haar tegen, met een stelligheid die ik deze laatste jaren van onze relatie niet meer van mezelf ken. ‘Dit is een investering in Nuru’s toekomst.’ Even later keerde Nuru terug naar ons. Hij gaf het telefoontje weer aan zijn moeder met de woorden: ‘Wat een loser.’ Voor één keer gaf ik geen commentaar op zijn taalgebruik, al verdient ‘zielepiet’ mijn voorkeur. Ik hield de vijf euro voor zijn neus. ‘Hou maar’, zei hij, ‘het hoeft niet. Ik heb me geamuseerd.’ Op zo’n moment denk ik: er is nog hoop.

Zegt hij dat niet om u naar de mond te praten?

Al zou het, hij kan beter mij naar de mond praten dan de kudde. Wat een mazzel, besef ik nu, dat ik als kind altijd heb moeten vechten om mezelf te mogen blijven, tegen de stroom in. Wat ben ik toch trots op de klassenfoto, ik had toen de leeftijd van Nuru nu, waar ik, samen met Vasek Strnad, als enige geen wit hemd en rode halsdoek draag. Alle andere kinderen waren uit angst lid geworden van Pionyr, de communistische jeugdorganisatie.

‘Iedereen’, houd ik onze kinderen voor, ‘is uniek geboren. Wie zijn authenticiteit en spontaniteit wil bewaren mag nooit afgaan op het applaus of fluitconcert van de kudde.’ Wat is vrijheid anders dan jezelf volledig te mogen uiten? Dat heb ik dankzij het regime begrepen. Anders bezat ik vandaag waarschijnlijk ook een tweede huis aan de Côte d’Azur of in Toscane en had geen tijd om er te zitten vanwege het onderhouden en verder uitbouwen van mijn netwerk. Nooit was ik anders in Calabrië beland, waar het begrip tweede huis volmaakt onbekend is.

U bent tennisleraar.
Italianen noemen een leraar ‘maestro’. Dat vind ik mooi, en ik hoop dat het woord inmiddels ook op mij slaat, want ik houd niet van ‘leraar’. Leraren pronken met hun kennis en verstikken je met informatie. Daaronder begraven ze jouw eigenheid, nieuwsgierigheid, net zoals hun ouders en hun leraren waarschijnlijk ook bij hen hebben gedaan. Leraren beantwoorden vragen die de leerlingen niet hebben gesteld. Helaas gebeurt het ook op tennisscholen.

School is verplicht, tennis niet. Dat helpt, zou je toch zeggen?

Helaas, de speelsheid sterft uit. Het wordt beslist niet onderwezen. Zelfs straatvoetbal komt in Europa nauwelijks nog voor. Iedereen ‘zit op’ voetbal, ‘zit op’ tennis, piano, viool, noem maar op. Iedereen krijgt les, nog voordat het kind überhaupt de kans heeft gehad zelf wat aan te rommelen met het gereedschap, instrument of de bal. Lopen is zo ongeveer het laatste wat kinderen nog zelf mogen ontdekken. Wie weet komt nog de tijd dat we loopcoaches voor peuters gaan introduceren.

Wat is er nou tegen kennis en kennisoverdracht?

Ooit waren Columbus en de resten van zijn bemanning de enige Europeanen die wisten waar Amerika lag. Vandaag denkt iedereen te weten waar Amerika ligt. Op het Clingendael Instituut zitten vele Amerika-experts. Een van hen mocht ik ooit interviewen. Door mijn vraagstelling, door mijn geklier, raakte hij zo in de war dat hij opeens toegaf dat hij nooit in Amerika was geweest vanwege zijn vliegangst. Onvoorstelbaar. Die man beïnvloedde jarenlang op tv ons beeld van Amerika. Hij was vol van kennis die niet op ervaring was gebaseerd. Een wijd verbreid verschijnsel. Diploma’s rechtvaardigen de titelhouders om dat soort kennis te etaleren en zich erop voor te laten staan. Al die diploma’s doen hun ego’s groeien, terwijl als iets tussen jou en de waarheid staat het je ego is. Vandaar dat ik me ook aan het vervelen was met de expert van Clingendael en dus ging klieren.

Tweedehands weetjes zijn saai, al zijn ze correct. De westerse wereld is vol van zoveeldehandse weetjes. Iedereen staat op zenden, iedereen heeft een cursus gehad. Niemand durft toe te geven: ik snap het niet, zou u het in uw eigen woorden kunnen uitleggen? Dat valt niet mee, als je het van horen zeggen hebt, of van ergens gelezen, onderstreept met een gele marker. Pas als je de dingen waar je het over hebt zelf hebt doorleefd, worden je uitspraken cruijffiaans: ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt.’ En de waarheid zit dan ook nog niet zozeer in die woorden, maar in de ruimtes ertussen, net zoals de stilte en het onbewogen gezicht van Ivan Lendl op de tribune zijn discipel Andy Murray meer helpen dan peptalk.

Een volwassen speler-coach-relatie is een fascinerende paringsdans tussen de discipel en zijn meester

Je hebt maar één Cruijff.

Iedere sporttopper is een schatkist van wijsheden, alleen heeft niet iedereen de drang van Cruijff om ze onder woorden te brengen. Ze zijn er te bescheiden voor en verbaal onzeker. Zo heb ik ooit Wim Ruska, onze Nederlandse Muhammad Ali van de judo, het hemd van het lijf gevraagd. Hoe hij toch in de finale van alle categorieën tijdens de Olympische Spelen 1972 in München die 130, 140 kilo zware Rus meters door de lucht wist te gooien. Uiteindelijk blafte Ruska me geïrriteerd toe: ‘Een uit balans gebracht lichaam weegt niets!’

En Ruud Krol kon pas na lang aandringen formuleren waarom zijn toenmalige clubgenoten van FC Napoli zijn befaamde pass over veertig meter alleen op de trainingen konden imiteren: ‘Omdat ik het in de wedstrijd ook niet altijd kan’, zei hij. ‘Maar wíj zien je die pass haast nooit missen’, zei ik. ‘Dat klopt, want als ik het niet kan, dan geef ik hem niet’, zei Krol. Dat is misschien de mooiste omschrijving van het bewustzijn op het sportveld die ik ooit heb gehoord. Topsporters zijn zonder het zelf te beseffen vaak Einsteins die hun formules met hun lichamen in de lucht schrijven. Je moet het doorhebben om ze te kunnen lezen.


Wat leert tennis ons? Hoezeer is de speler van zijn coach afhankelijk? De blik van de tennis-ster zoekt op beslissende momenten de coach, al mag die geen aanwijzingen geven.

De relatie tussen de proftennisser en zijn coach is een heel aparte. Hij kan je maken of breken, maar jij hebt hem aangenomen dus het blijft je eigen verantwoordelijkheid. Jij beslist aan wie je je geeft. Een volwassen speler-coach-relatie is een fascinerende paringsdans tussen de discipel en zijn meester. Als het goed is, zijn ze aan elkaar gewaagd en verbonden door onvoorwaardelijke liefde voor tennis en door wederzijdse afhankelijkheid bij het bereiken van een gezamenlijk gesteld doel.

Op de baan gaat het vaak mis in de prille jeugd. Het spelertje is dan nog alles behalve eigen baas. Hij mag blij zijn dat hij les heeft, hij moest eens weten hoeveel het allemaal kost. Doet het kind het goed, dan heeft hij al helemaal niets meer te vertellen, dan heeft iedereen het beste met hem voor, niet alleen zijn ouders: coaches, conditietrainers, tennismanagers en de tennisfederatie. Tennisonderricht, wat een afschuwelijk woord, begint steeds eerder, liefst nog voordat het kind kan praten. Dan is de tegenspraak het kleinst. Op de jeugdtoernooien zie je kinderen veel vaker huilen dan glimlachen. Wie zich amuseren zijn hun bezitters, alsof het om kemphanengevechten gaat. Iedereen voelt zich heel wat, behalve het kind zelf.

Maar dat is toch afschuwelijk! En u had het over liefde voor tennis.

Al die misstanden hebben niets met tennis te maken. Het is een fascinerende sport. Je spreekt toch ook geen kwaad over seks vanwege porno?

Zeg eens eerlijk: nooit deel uitgemaakt van de tennis-porno-industrie?

Nooit. Mijn afkeer van het regime en van het systeem heeft me ervoor behoed. Voor mij is de tennisbaan een speelplek gebleven waar je jezelf leert kennen, je tegenstander omarmt, omdat hij je tot het uiterste liet gaan en dat terwijl je vertrekt uit en eindigt in dezelfde kleedkamer. Op de tennisbaan heb ik mezelf ontmoet, discipline ontdekt, maar ook de vrijheid, het kleine stapje van sportief naar onsportief. Daar heb ik mijn meerderen leren kennen, maar ook geleerd de baas over mijzelf te zijn. Een coach kon ik niet betalen en toch heb ik dankzij tennis talloze meesters ontmoet.

En nog, vanochtend weer bij de slager. Terwijl hij zijn mes in het vlees zette moest ik aan de Kroaat Ivo Karlovic denken, die ’s werelds hardste service heeft. 251 kilometer per uur. Tijdens zijn service houdt hij het racket opvallend los vast, net zoals de slager van Sant’Andrea sullo Ionio zijn mes. Zo blijft hun pols optimaal vrij. Kracht ja, maar met losheid als tegenhanger. De aandacht en de rust van de plaatselijke imker die zonder masker zijn korf vol bijen openmaakt, of de aandacht van een olijfboer die een wilde olijf ent, daar kunnen niet alleen tennissers veel aan hebben. Ze verlaten in hun hebzucht naar scoren vaak de beweging nog voor ze voltooid is en betalen dat met een misser. Ik heb om me te verbeteren als tennisser ooit leren stelen, met mijn ogen en oren. Dus als ik vandaag ook buiten de baan op ontvangen sta, dan bedank ik tennis.


Beeld: (1) Italianen noemen een leraar ‘maestro’, (2) Martin traint Colin en Sidney in Calabrië