De volgende Amerikaanse revolutie: de coöperatieve economie

Tussen kapitalisme en socialisme

Voor economische verandering kijkt hoogleraar Gar Alperovitz al lang niet meer naar het Amerikaanse politieke systeem. Hoopvol beziet hij de opkomst van een ‘gedemocratiseerde’ economie.

Medium 480951863

‘Verandering hing in de lucht’, zegt de historicus, politicoloog en econoom Gar Alperovitz (1936) over de jaren zestig. De jonge Alperovitz werkte destijds in Washington voor de liberale Democratische senator Gaylord Nelson, de man die als oprichter van Earth Day medeverantwoordelijk was voor de opleving van milieu-activisme in die tijd, en hij zag van dichtbij hoe het Amerikaanse politieke systeem serieuze veranderingen genereerde. De Clean Air Act (1963) en de Civil Rights Act (1964) werden getekend en president Johnson riep een ‘oorlog tegen de armoede’ uit. ‘Het land worstelde ook toen met serieuze problemen, maar net als de meeste Amerikanen had ik het gevoel dat we in staat waren er iets aan te doen.’

Dat potente gevoel heeft Alperovitz, tegenwoordig hoogleraar politieke economie aan de Universiteit van Maryland, niet meer. ‘Van het onvermogen iets aan klimaatverandering te doen tot de extreme economische ongelijkheid: de crises in dit land zijn al lang niet meer van strikt regulerende aard’, zegt hij. ‘We staan voor een systeemcrisis, waarbij we de vraag moeten stellen: is het kapitalisme in diepe problemen?’

Alperovitz vindt van wel, zo blijkt alleen al uit de twaalf boeken die hij aan de mankementen van het kapitalisme wijdde, waaronder America Beyond Capitalism (2004). Tegelijkertijd ziet hij de opkomst van een ‘coöperatieve economie’, een economie die van onderaf wordt opgebouwd aan de hand van op democratische leest gestoelde organisaties als coöperaties, gemeenschappelijke investeringsfondsen in grond (community land trusts) en municipale instituties (zie ook het kader bij dit artikel). In zijn laatste boek, What Then Must We Do? (2013) onderzoekt Alperovitz of deze coöperatieve economie, zoals hij het ook noemt, de basis kan leggen voor een systeem dat geen kapitalisme en geen socialisme is maar iets totaal nieuws.

‘Behalve dat coöperaties eigendom zijn van leden die er ook werken, in plaats van aandeelhouders of individuen, verschillen ze van gewone bedrijven in hun waarden en motieven’, zegt Alperovitz. ‘Ook zijn ze niet verplicht te groeien, hoewel ze dat wel kunnen, mochten ze dat willen. Vooral dat laatste is belangrijk voor het ontwikkelen van een alternatief voor kapitalisme. We moeten immers af van de noodzaak om altijd te groeien, zoals de huidige economie vereist, omdat dit leidt tot verspilling van natuurlijke hulpbronnen en het produceren van steeds meer afval, waartoe ik uiteraard ook de uitstoot van CO2 reken.’

Gar Alperovitz raakte voor het eerst geïnteresseerd in alternatieven voor het kapitalisme in 1977, toen het staalbedrijf Youngstown Sheet and Tube uit Ohio failliet ging en vijfduizend arbeiders hun baan verloren. ‘Dergelijke massaontslagen zijn tegenwoordig normaal, vooral omdat multinationals hun kapitaal steeds verplaatsen, maar in 1977 was dat groot nieuws’, vertelt hij. ‘Het mooie was: de lokale leiders en de staalarbeiders smeedden een coalitie om de staalfabriek terug te kopen en hem voortaan zelf te runnen. De gemeenschap en de arbeiders werden de eigenaren van de fabriek.’ Alperovitz raakte geïnspireerd en bood zijn hulp aan. Mede dankzij zijn contacten in Washington maakte de Democratische regering van president Carter geld vrij voor experts die de arbeiders konden helpen met de technische aspecten van het runnen van een staalfabriek. Toen de Republikeinen de tussentijdse verkiezingen van 1978 wonnen, werd de hulp teruggetrokken. De fabriek redde het niet. Daarmee was het verhaal nog niet uit. ‘De coalitie begreep dat wat in Youngstown gebeurd was, ook elders in het land zou gaan gebeuren. Dus lanceerden ze een educatieve campagne door heel Ohio en begonnen overal te praten over alternatieve vormen van eigendom als een manier om steden, dorpen en andere gemeenschappen voor verval te behoeden.’

Zo was het experiment in Youngstown toch niet mislukt, concludeert Alperovitz: ‘Nu, zo’n veertig jaar later, zijn er tientallen grote coöperaties in Ohio en het ondersteuningssysteem ervoor is een van de beste in het land.’

Als voorbeeld noemt Alperovitz de Evergreen Cooperatives in Cleveland, gevestigd in de wijk Glenville, een arme, voornamelijk zwarte wijk met een hoge werkloosheid. Daartoe behoort onder meer de Green City Growers Cooperative, Amerika’s grootste kassencomplex dat jaarlijks meer dan drie miljoen kroppen sla produceert; de Evergreen Cooperative Laundry, dat de was doet voor lokale ziekenhuizen en verzorgingstehuizen, en Evergreen Energy Solutions, dat zonnepanelen installeert. ‘Wat dit collectief van coöperaties zo interessant maakt, is de wijze waarop het verankerd is in de lokale gemeenschap’, zegt Alperovitz. ‘Midden in deze zeer arme buurt staan twee grote ziekenhuizen die samen voor zo’n drie miljard dollar per jaar aan goederen en diensten inkopen. Tot voor kort deden ze dit uitsluitend buiten de gemeenschap, maar nu gebeurt dit deels bij de coöperaties.’

De ziekenhuizen uit dit voorbeeld noemt Alperovitz ‘ankerinstituten’: ‘Anders dan grote bedrijven zullen deze niet zomaar hun boeltje oppakken en verkassen. Hetzelfde geldt voor de coöperaties die ze bedienen: de mensen die er werken zijn tevens eigenaar en wonen in de buurt. Zo stuwen ze de lokale economie voort.’

‘We moeten af van de noodzaak om altijd te groeien, zoals de huidige economie vereist’

Het ‘Cleveland-model’, zoals Alperovitz het noemt, werkt ook elders in het land, bijvoorbeeld in Boulder, Colorado. ‘De inwoners van die stad gaven in een referendum aan dat ze voor hun energievoorziening niet meer afhankelijk willen zijn van fossiele brandstoffen. De stad is nu bezig de energievoorziening over te nemen van Xcel Energy, een private onderneming. De achterliggende gedachte is dat het geen zin heeft om te proberen bedrijven te reguleren, omdat de macht over die bedrijven toch in handen blijft van de aandeelhouders. Door haar eigen nutsbedrijf te creëren, een vorm van democratisering, keert de bevoegdheid beslissingen te nemen over het algemeen welzijn terug bij de gemeenschap.’ Het Cleveland-model wordt ook toegepast in Atlanta, in de regio van Washington DC, in Pittsburgh, Cincinnati, de Bronx – en op grotere schaal dan je zou denken, benadrukt Alperovitz: ‘De meeste mensen realiseren zich niet dat een kwart van alle Amerikaanse energie via gemeentelijke eigendomsvormen wordt geleverd, waarvan een groot deel in het traditioneel conservatieve Zuiden. Kredietunies, die deel uitmaken van de coöperatieve sector, hebben gezamenlijk evenveel kapitaal als elk van de vijf grote Wall Street-banken. Al meer dan twintig staten hebben wetgeving geïntroduceerd die het mogelijk maakt om banken te creëren die eigendom zijn van het publiek. De Bank of North Dakota heeft bijvoorbeeld het publiek zeggenschap gegeven over investeringen in de staat.’

Het past volgens hem allemaal in een bredere ontwikkeling in de richting van meer democratische controle over de economie. Als historicus is hij zich daarbij bewust van het belang van de vraag: wie controleert de rijkdom? ‘Eigendom speelt door de geschiedenis heen een belangrijke rol in het politieke proces en dus in het nemen van beslissingen over de toekomst. Op dit moment hebben de vierhonderd rijkste Amerikanen meer rijkdom dan de onderste 180 miljoen tezamen. Daarom zijn de pogingen om de eigendomspatronen in steden als Cleveland te veranderen zo belangrijk: zo bouw je politieke macht op. Op buurtniveau, via coöperatieve vormen, bouwen ze langzaam nieuwe instituties op, die geïnjecteerd worden met een andere cultuur en ethiek en met oog voor milieukundige problematiek.’

Medium gar alperovitz

Hoe kan een coöperatieve economie de krachten van de markteconomie weerstaan?

‘In aanvulling op hun relaties met ankerinstituten beginnen sommige co-ops bij elkaar in te kopen, teneinde hun markten te stabiliseren. Zo zijn ze beter in staat de druk van concurrerende, “gewone” bedrijven te weerstaan. Een stabiele markt betekent ook dat de co-ops niet per se hoeven te groeien, wat belangrijk is in termen van ecologische duurzaamheid. Bedrijven willen meestal groeien uit angst voor instabiliteit: wie niet investeert en groeit, wordt weggeconcurreerd. Bedrijven eten elkaar op. De winnaars verdrijven de verliezers. De verliezers worden weggegooid.’

Is concurrentie tussen bedrijven niet juist gezond?

‘Absoluut – tot op zekere hoogte. Maar stabiliteit binnen de gemeenschap is ook belangrijk. Dat bewijst de huidige economie wel. Cleveland was bijvoorbeeld ooit de vestigingsplaats voor meer Fortune 500-bedrijven dan welke stad dan ook, na New York dan. Tegenwoordig zijn bijna al die bedrijven vertrokken. De bevolking is van 900.000 inwoners naar 400.000 gegaan en dat allemaal omdat de economische beslissingen in handen waren van die bedrijven. Het is een slagveld nu – we hebben de huizen, scholen en lokale ondernemingen voor een half miljoen mensen gewoon weggegooid. In steden als St. Louis, Detroit en Baltimore is hetzelfde gebeurd. Het is dit soort economische pijn waar de opkomst van de coöperatieve economie op drijft.’

Wanneer denkt u dat het punt bereikt is waarop een alternatief economisch systeem zich aan gewone Amerikanen presenteert?

‘Pas als we een fundering van ideeën en cultuur hebben neergelegd, is het tijd om politieke macht te oogsten en aan te wenden. Zo ging het ook in de Progressive Era, met de vrouwenbeweging en de burgerrechtenbeweging. Er is in dit _bottom-up-_proces ook iets heel Amerikaans aan de gang, iets wat helemaal niet lijkt op het oude, rond staatsmacht gecentreerde Europese model. Integendeel, het begint door de vraag te stellen: wat kun je doen in jouw buurt? Wat kun je doen in jouw stad? Kunnen we op het niveau van de buurt, stad en staat een hele cultuur van instituties opbouwen die als referentie dient voor een nieuw, groter systeem?’

Bedoelt u een lans te breken voor ‘bioregionalisme’, het idee dat een economie wat betreft grootte moet passen bij bepaalde ecologische regio’s?

‘Schaal is inderdaad erg belangrijk. Laten we niet vergeten hoe groot de Verenigde Staten zijn, vergeleken met andere landen: heel Duitsland past in de staat Montana. Het is erg moeilijk om democratische politiek in zo’n groot systeem te bedrijven. Zoals we dagelijks zien, kunnen grote bedrijven de media en de politiek domineren. Zo wijst de logica in de richting van enige vorm van regionale structuur: New England, de Pacific Northwest of alleen California, die staat is al groot genoeg om als economische regio te worden beschouwd. Al in de jaren dertig vonden hierover debatten plaats onder liberalen, conservatieven en radicalen. Toch moeten we zowel klein- als grootschalig denken. Ook in de toekomst zullen mensen het continent willen doorkruisen en treinen en vliegtuigen zullen niet op buurtniveau worden gebouwd. Dergelijk werk vereist grotere, meer geavanceerde organisaties. Ook daarover moeten we nadenken.’

Hoe kunnen we de uitdagingen van klimaatverandering aangaan?

‘Ik heb het over het opnieuw opbouwen van gemeenschap in dit land – en het gevoel dat daarbij hoort’

‘We zullen uiteindelijk iets moeten doen aan de macht van het grootbedrijf, omdat die het politieke systeem verlamt. Het is nu zo goed als onmogelijk om de uitstoot van broeikasgassen te reguleren: bedrijven redeneren, vooral als de economie verslechtert, dat ze de kosten van regulering niet aankunnen. Zo faalt de politiek op dit vlak en blijft de uitstoot toenemen. Het is interessant om te zien hoe de Chicago School of Economics in de jaren dertig en veertig naar het hieronder liggende probleem keek. De macht van het grootbedrijf, zo redeneerden de leermeesters van de conservatieve econoom Milton Friedman, is in een vrije markt simpelweg te overweldigend. Grote bedrijven zijn zelfs zo machtig dat ze de markt verstoren en concurrentie in de kiem smoren. Als je ze probeert te reguleren, dan nemen ze gewoon de regulerende instanties over. Zelfs opbreken werkt niet, want de nieuwe delen kopen elkaar daarna toch weer op – zo is het ook gegaan met AT en Standard Oil. De enig overgebleven optie is om er publieke bedrijven van te maken. Je kunt Friedmans leermeesters moeilijk socialisten noemen, maar dat is wat sommigen onder hen concludeerden.’

Is de democratisering van rijkdom, beginnend op gemeenschapsniveau, een vorm van socialisme?

‘Co-ops zoals we die nu in de VS kennen, zijn zeker geen socialistische entiteiten. Maar een gemeentelijk nutsbedrijf of een land trust die eigendom is van een buurt kun je best socialistisch noemen. Maar het essentiële verschil tussen wat ik beschrijf en wat algemeen als socialisme wordt beschouwd, is dat in het socialisme eigendom, rijkdom en macht traditioneel in handen zijn van de staat en zijn nationale regering. De visie achter de overal in het land opspringende experimenten is daaraan tegenovergesteld. De coöperatieve economie begint op lokaal niveau – in gemeenschappen, buurten, steden en staten. Het gaat juist om het decentraliseren van macht.

De zorgen over socialistische retoriek zijn sowieso een overblijfsel van de Koude Oorlog. De mensen onder de dertig die in de komende decennia een nieuwe politieke structuur gaan bouwen, zijn op zoek naar praktische antwoorden en hebben geen oog voor dergelijke retoriek. Voor hen is bijvoorbeeld essentieel dat het Cleveland-model voor banen zorgt en mensen een aandeel geeft in de toekomst van hun gemeenschap.’

U gebruikt vaak de term ‘evolutionaire reconstructie’ wanneer u het heeft over het te verrichten werk in de komende decennia. Wat bedoelt u daarmee?

‘Ik heb het over het opnieuw opbouwen van gemeenschap in dit land – en het gevoel dat daarbij hoort. Dat is iets anders dan het hervormen van instituties of het beginnen van een revolutie. Ik denk dat vooral jongere mensen dit op een instinctief niveau begrijpen. Daarbij moeten we onszelf als historische actoren beschouwen. We staan voor systematische problemen, zoals klimaatverandering, die historisch zijn in omvang. En een systeem verander je niet zonder in decennia te denken. Vergeet niet, grote verschuivingen vinden continu plaats in de wereldgeschiedenis: de Amerikaanse Revolutie, de Franse Revolutie, zelfs de moderne milieubeweging waren stuk voor stuk minstens dertig jaar lang in ontwikkeling voordat ze explodeerden. Al in de jaren dertig en veertig dachten mensen wier namen we niet eens meer kennen na over een visie op burgerrechten die de gebeurtenissen van de jaren zestig mogelijk maakte.

Ook het ontwikkelen van een democratisch georiënteerd alternatief voor kapitalisme gaat niet over één nacht ijs. Dit is werk dat een groot besef van tijd en een diepe betrokkenheid vergt. Maar de verschuivingen vinden al plaats in steden als Cleveland en Boulder. Wat we zien is mogelijk de voorgeschiedenis van de volgende grote verandering, waarin van de grond af een beweging wordt gebouwd die de fundering van een nieuw tijdperk wordt. Ik zeg altijd tegen mijn jonge studenten: als je dat spel wilt spelen, realiseer je dat het je een paar decennia van je leven gaat kosten.’


De coöperatieve economie

De meest voorkomende vorm in Gar Alperovitz’ coöperatieve economie is de employee-owned corporation, ook wel co-op genoemd, en wat wij een coöperatie noemen. Hiermee wordt doorgaans een organisatie of bedrijf bedoeld waarvan de leden eigenaar zijn en een stem hebben in de bedrijfsvoering. Co-ops komen voor in verschillende sectoren, waaronder landbouw, voedsel, energie, zorg en huisvesting, maar ook in de financiële sector – denk aan verzekeringen en kredietunies. Ongeveer 130 miljoen Amerikanen zijn lid van één of meer co-ops. Daaronder vallen zo’n tien miljoen werknemers die op een of andere manier mede-eigenaar van hun bedrijf zijn. Meestal betreft dit kleine tot middelgrote bedrijven, maar ook supermarktketen Publix Super Markets is worker-owned.

Een tweede, grootschaliger vorm van gedemocratiseerd eigendom zijn municipal enterprises, oftewel bedrijven die eigendom zijn van lokale overheden. Vaak runnen lokale overheden – steden, gemeentes, counties – water- en elektriciteitsbedrijven, helpen ze bij het aanleggen van infrastructuur voor internet en telefonie en investeren ze in openbaar vervoer. Steeds vaker wenden stadsbesturen zich tot lokale bedrijven om lokale banen en economische stabiliteit te promoten.

Een derde veel voorkomende vorm zijn community land trusts. Dit zijn doorgaans non-profitorganisaties die woningen en ander vastgoed (inclusief grond) in eigendom hebben, bijvoorbeeld om gentrification tegen te gaan of om huisvesting voor lage inkomensgroepen te ondersteunen. In totaal vertegenwoordigt de non-profitsector ongeveer tien procent van de Amerikaanse economie.


Beeld: De Green City Growers Cooperative in Cleveland (Duane Prokop / Getty Image); (2) Gar Alperovitz – ‘Grote bedrijven verstoren de markt’ (garalperovitz.com)