Overleven in verdeeld Jeruzalem

Tussen Klaagmuur en Al-Aqsa

Wonen in Jeruzalem, waar de politieke situatie uitzichtloos en treurig makend is, is lastig voor een expat. Want aan welke kant sta je? Er is een uitweg. Koester de Israëliërs én de Palestijnen.

Jeruzalem, de oude stad gezien vanaf de Olijfberg © Chris McGrath / Getty Images

Ineens herinner ik me een citaat uit Hipsters, baarden, martelaren van Anna Krijger, het boek waarin ze schrijft over haar tijd in Israël en de Palestijnse gebieden. Toen ze net aankwam, hoorde ze van een expat de nogal cynische opmerking: ‘Het eerste jaar dat je hier woont, haat je de Israëli’s, het tweede jaar haat je de Palestijnen en het derde jaar haat je ze allebei. Het vierde jaar ga je jezelf haten.’

Ik woon nu twee jaar met mijn gezin in Jeruzalem. Over een paar maanden vertrekken we weer.

Toen ík hier net aankwam, zei een expat tegen mij: ‘Je moet ieder weekend naar Tel Aviv, anders houd je het niet vol in Jeruzalem.’ Het leven in Jeruzalem is inderdaad dikwijls nogal zwaar en bedrukkend – compleet anders dan in Tel Aviv. Nou helpt het wel dat mijn interesse in politiek altijd nogal beperkt is geweest. Ik kan daardoor als een gelukkige onwetende door de oude stad zwerven en genieten van de pracht en praal van Jeruzalem. Voor mijn vrouw is dat anders: die moet door haar werk als diplomaat nauwkeurig op de hoogte zijn van wat er dagelijks gebeurt.

Tijdens het eerste jaar was ik vooral gericht op de Palestijnse cultuur in het oostgedeelte van de stad, waar we ook wonen. Oost-Jeruzalem vormt maar een klein onderdeel als je het vergelijkt met West, dat ik vooral in het begin een erg onoverzichtelijk stadsgedeelte vond. Ik kwam eigenlijk alleen af en toe in de overdekte Yehudamarkt, om boodschappen te doen en een broodje sabich te eten.

Mijn dochter (mijn zoon was toen nog niet geboren) ging naar een Palestijnse crèche op de Olijfberg. Het deed een beetje denken aan een Nederlands kinderdagverblijf in de jaren tachtig. De juffen waren niet erg proactief: als ik er in de ochtend aankwam, zat een van hen in de hoek van de ruimte op een stoel. Ik kwam binnen en zette mijn dochter bij haar op schoot. Als ik haar tussen de middag weer ophaalde zat de juf nog steeds op die stoel. Al heb ik haar zichzelf ook weleens traag zien verplaatsen naar de wc.

Maar mijn dochter had het er naar haar zin en de locatie was erg mooi. De school bevindt zich op het complex van het Augusta Victoria Ziekenhuis, gebouwd in opdracht van keizer Wilhelm II en vernoemd naar diens vrouw. Door het hoogteverschil met de rest van Jeruzalem is het er minder warm en stoffig. Het voelde altijd buitengewoon aangenaam om de heuvel op te rijden en daar aan te komen. De cipressen ruisten in de wind. Het drukke autoverkeer van beneden was ineens ver weg. En vanaf de rand van de Olijfberg keek ik uit over de hele Westelijke Jordaanoever, tot aan de Dode Zee en Jordanië daarachter.

Tegenover de crèche was een café met een groot en over het algemeen leeg terras onder de wijnranken. Het werd gerund door christelijke Duitse vrijwilligers, van wie er sowieso nogal wat rondlopen in deze stad. Elke ochtend bracht ik mijn dochter naar het kinderdagverblijf en stak vervolgens de straat over naar het terras. Ik ging zitten en opende mijn laptop. Om tien uur kreeg ik – zonder dat ik er nog om hoefde te vragen – een Kaffee mit Milch. En om twaalf uur de lunch van de dag. Het zijn tot dusver de productiefste maanden uit mijn schrijversleven geweest.

De crècheclientèle bestond voornamelijk uit kinderen van westerse ontwikkelingswerkers. Er zat één Palestijns jongetje in de klas. Dat deze samenstelling niet bij iedereen bekend was, bleek toen met Pasen verlate kerstcadeautjes werden uitgedeeld, verstuurd door een kerkgemeenschap in Arkansas en bedoeld voor de arme Palestijnse kinderen op de Olijfberg. Mijn dochter kreeg een heleboel nieuwe potloden en gummetjes. Om geen illusies te verstoren hebben we de begeleidende brief van een gezin uit Little Rock maar onbeantwoord gelaten.

Twee ochtenden in de week ging ik niet naar het Duitse café maar naar Arabische les. Een paar maanden lang zwoegden een Schot en ik gebroederlijk op het Palestijnse dialect. Onze juf was heel aardig, maar het viel ons allebei al snel op dat ze wel erg vaak ‘dat weet ik niet’ antwoordde als we iets vroegen. Ook zei ze vaak: ‘Dat is gewoon zo.’ Een tijdje geleden kwam de Schot haar tegen op een feestje. Het was inmiddels een jaar na onze laatste les. Tijdens een drankje biechtte de juf hem op dat ze helemaal geen juf was. Ze werkte als secretaresse op het taalinstituut.

Toch kon ik dankzij haar hulp al snel een stuk of zes Arabische zinnen uitwisselen met de winkeliers in Oost-Jeruzalem. Daarna werd het lastig. Maar dan stond ik over het algemeen alweer buiten.

Regelmatig wandelde ik naar de oude stad. Het is vreemd om terug te denken aan die pre-coronatijd, toen ik me op de Via Dolorosa nog een weg moest banen door de massa’s pelgrims, die dikwijls een enorm houten kruis met zich mee zeulden. Als ik er nu weleens kom, zie ik alleen wat straatkatten. De luiken van de winkels zijn gesloten. En helemaal bovenaan, in de Heilig Grafkerk, is het uitgestorven.

Ook in de rest van de oude stad zijn de meeste straten verlaten. Het is vreemd om in een stad te zijn die tot voor kort werd overspoeld door over het algemeen christelijke toeristen uit alle uithoeken van de wereld. Nu die wegblijven, en alle hotels leeg zijn, is Jeruzalem ineens niet meer van iedereen. De stad is, en misschien wel voor het eerst, uitsluitend nog het domein van de bewoners. De Klaagmuur en de Al-Aqsamoskee zijn geen toeristische attracties meer, maar louter nog gebedsplaatsen.

Als ik nu op het terras van de Educational Bookshop ga zitten, een van de fijnste plekken van Oost-Jeruzalem, komt er geen christelijke Amerikaan meer naast me zitten die vraagt of ik in Jezus geloof. De straten worden niet meer klemgezet door touringbussen. De verkopers van christelijke parafernalia zijn niet meer te vinden. In deze stad, die tot voor kort moest worden gedeeld door christenen, joden en moslims, zijn, lijkt het nu, alleen de laatste twee overgebleven.

De westmuur, Al-Buraqmuur of Klaagmuur is een gedeelte van de muur in de oude stad Jeruzalem die het plateau omringt en ondersteunt waarop de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee staan © Wang He / Getty Images

In de zomer vliegen we terug naar Nederland voor de geboorte van onze zoon. Als ik in de auto stap, moet ik me de eerste dagen afleren om als een Palestijn te rijden – of als een Israëliër, want als het om hun rijgedrag gaat, vinden ze elkaar prima.

Agressie in het verkeer lijkt een 'mode de vie'. Men haat elkaar, snijdt elkaar de pas af, maar er wordt niet openlijk tegen elkaar geschreeuwd of gescholden

Die gemeenschappelijke rijstijl komt samengevat neer op: nooit voorrang geven, toeteren als iemand niet onmiddellijk wegrijdt bij groen, idealiter rechts inhalen en zoveel mogelijk auto’s van de weg drukken.

Het is verleidelijk om dit rijgedrag, dat stoelt op de overtuiging dat alle andere weggebruikers je vijand zijn, als een uiting te zien van het conflict. Ook omdat de agressie in het verkeer min of meer een mode de vie lijkt te zijn geworden. Men haat elkaar, men snijdt elkaar de pas af waar dat kan, maar er wordt niet openlijk tegen elkaar geschreeuwd of gescholden.

Toch was ik, al rijdend in mijn auto, een keer getuige van een vredelievende scène. Ik was onderweg naar de supermarkt in de wijk Beit Hanina, waar ik altijd weer sta te kijken van de hoeveelheid vlees die mensen er inkopen (ik gok zo’n twintig kilo per persoon). Midden op een kruispunt stopte een auto. Een Arabische bestuurder stapte uit – hij was in nood; hij kreeg, leek het, geen lucht. Uit de auto naast me snelde een dwergachtige man toe, met een keppel op zijn hoofd, een pistool onder zijn riem en de draden van zijn tsietsiet wapperend in de wind. De jood bood de Arabier succesvol hulp. Er werd uitvoerig bedankt. De man stapte weer achter het stuur en het incident was voorbij. Het kruispunt werd heroverd door het voortrazende, toeterende verkeer.

Ik heb nog vaak aan deze scène teruggedacht.

Dat pistool onder de riem is geen uitzonderlijk beeld in Jeruzalem. Het is enigszins treurig hoe snel je blijkbaar gewend kunt raken aan al die wapens om je heen. Als ik in de tram zit en mijn ogen laat ronddwalen, tel ik er altijd wel een stuk of acht, negen, de helft gedragen door mannen in burger. Je hoeft in Israël maar een blauwe maandag vrijwilligerswerk bij de politie te hebben gedaan of je krijgt al een wapenvergunning.

Toch zijn er nog plekken in dit land waar de aanblik van een wapen onverwacht is. Althans, voor mij.

Op een hete zaterdagochtend zit ik met mijn gezin aan de oever van een idyllische wadi. In de omtrek is niemand te bekennen. Uit het niets verschijnt een man. Hij springt vlak bij ons in het water. Uit de zak van zijn zwembroek steekt een pistool.

Als ik mijn dochter naar haar nieuwe school in West breng (zie hieronder), kom ik daar een keer een vader tegen die een pistool draagt. Mijn dochter heeft weleens verteld dat ze zo leuk met zijn zoontje had gespeeld. Als ik de school later op de dag een berichtje stuur met de vraag of zij niet ook vinden dat een kinderdagverblijf geen plek is voor wapens, krijg ik het volgende antwoord: ze kunnen ouders die hun wapen moeten dragen voor hun werk niet verbieden hun kind te brengen of te halen. En het is bij wet verboden om het wapen in de auto te laten liggen. Hm. Tja. Voor iemand die nog niet zo lang in Jeruzalem woont, is het niet helemaal het antwoord waarop ik had gerekend.

Gelukkig vinden we een oplossing: de pistool dragende vaders (nooit moeders) geven hun kind vanaf nu bij de deur af en mogen niet meer naar binnen. Peacebuilding op de crèche.

Een paar weken na de geboorte van onze zoon vliegen we, en nu met z’n vieren, terug naar Israël. Al op Schiphol worden we uitvoerig ondervraagd, en net als de vorige keer ben ik onder de indruk van Quintin, de hoofdpersoon van De ontdekking van de hemel, die erin slaagde om ondanks al deze beveiligingsmaatregelen de Stenen Tafelen mee naar Tel Aviv te smokkelen. Voorwaar een hele prestatie.

Als het zwangerschapsverlof van mijn vrouw erop zit, zorg ik nog een aantal maanden overdag voor mijn zoon, zoals ik dat ook bij mijn dochter heb gedaan toen we nog in New York woonden. We maken wandelingen door de oude stad (niet ideaal met een kinderwagen) en door de parken die zich net buiten de ring bevinden en waar autogeruis zich vermengt met het gezang van vogels.

Op een avond, als mijn zoon slaapt, ontmoet ik een geestverwant: een Nederlandse schrijver en soldaat (ja, dat dan wel weer) die ik via een gemeenschappelijke vriend leer kennen. We spreken af in een Ierse pub in West. Hij rookt dunne sigaren en drinkt whisky. Een week later komt hij bij mij thuis met een fles gin onder de arm. We praten over Springer en Toergenjev en over een ontdekkingsreiziger die volgens mij niemand kent behalve wij, stom toevallig (Johan Eilerts de Haan). Helaas is vluchtigheid nu eenmaal een kenmerk van het expatleven en niet lang na onze ontmoeting repatrieert hij. Een bromance in de kiem gesmoord.

Op een bepaalde manier komt het me ook wel weer goed uit dat mij hierdoor vele in whisky of gin doordrenkte avonden worden bespaard, want onze zoon wordt over het algemeen nog eerder wakker dan de muezzin.

Ik snap nog altijd niet hoe het kan dat moslims zo vroeg al gaan bidden, maar dat de winkels in de oude stad pas om een uur of negen à tien opengaan. Waarschijnlijk gaan ze weer naar bed. Helaas is dat met de muezzin bij ons thuis geen optie.

Als gevolg hiervan breng ik mijn dagen in Jeruzalem constant slaperig door, alsof ik een personage van Albert Cossery ben. Toch blijf ik weerstand bieden aan mijn lethargie en zo begeef ik me op een ochtend naar het joodse kerkhof, om het graf van Jacob Israël de Haan (1881-1924) te bezoeken. Aad Meinderts, directeur van het Literatuurmuseum, ging me een aantal jaar geleden voor. Er staat een filmpje online waarop te zien is hoe Meinderts een witte roos op het graf legt.

Het is verwarrend dat alle kinderen in hetklimrek Benjamin lijken te heten. Onze Benjamin is wel de enige zonder keppeltje op

Het informatiecentrum van het kerkhof heeft me een kaart gestuurd waarop het graf is aangevinkt, maar die is erg onduidelijk en bovendien niet gedetailleerd. Eerlijk gezegd heb ik er een hard hoofd in dat ik De Haans rustplaats zal kunnen vinden te midden van die duizenden zerken met Hebreeuwse inscripties. Ik kijk het filmpje van Meinderts terug om te zien of hij dezelfde toegangspoort heeft genomen als ik. Ja, het komt overeen. Aan mijn voeten strekt zich de begraafplaats honderden meters uit. Geen levende te zien. Er heerst een complete stilte.

Ik loop wat rond tussen de grafstenen, nog steeds met het idee dat ik aan een heilloze zoektocht ben begonnen. Ik kijk nog eens naar het filmpje en zie nu vijf kenmerken aan de hand waarvan ik De Haans zerk zou kunnen onderscheiden: hij is rechthoekig, opvallend wit, wat hoger en bovendien beduidend nieuwer dan de meeste andere stenen en er staat veel tekst op. Ik loop nog wat verder en ineens denk ik dat ik het heb gevonden. Ik laat Google Translate de tekst vertalen. Voor de zekerheid pak ik het filmpje van Meinderts er nog eens bij en dan weet ik het zeker: ik sta bij het graf van Jacob Israël de Haan.

Misschien komt het doordat ik de avond ervoor tot laat zijn kwatrijnen heb zitten lezen, of door mijn vreugde over het onverwacht vinden van het graf, of gewoon uit mededogen met deze bijzondere, fascinerende figuur uit de Nederlandse literatuur, maar ik raak ineens ontroerd. Ik kijk uit over de oude stad van Jeruzalem en denk aan De Haans kwatrijn ‘Onrust’:

Die te Amsterdam vaak zei: ‘Jeruzalem’

En naar Jeruzalem gedreven kwam,

Hij zegt met een mijmrende stem:

‘Amsterdam. Amsterdam.’

Het gedicht staat op een monument in Amsterdam, vlak bij de plek waar we vroeger woonden. Ik voeg een steentje toe aan de zeven keitjes die al op het graf liggen. Op de grond vind ik nog twee opgebrande theelichtjes. En dan loop ik vervuld weg.

Palestijnse vrouwen bidden bij de Rotskoepel, een islamitische gedenkplaats naast de Al-Aqsa­moskee © Ahmad Gharabli / AFP / ANP

Als mijn zoon zes maanden is, vinden we het tijd om hem naar de crèche te brengen. Helaas blijkt hij te jong voor het schooltje op de Olijfberg (dat lijkt me net zoiets als te oud voor een bejaardentehuis, maar goed) dus we moeten op zoek naar een nieuw kinderdagverblijf. We komen uit bij een montessorischool in West, aan de rand van de ultraorthodoxe wijk Mea Sjearim. Het tweede jaar van onze tijd in Jeruzalem is dan aangebroken en het is alsof ik alleen al door de locatie van deze nieuwe school meer op West georiënteerd raak. Om te beginnen volgen we vanaf nu de Israëlische weekindeling, waardoor ons weekend op vrijdag en zaterdag valt. Omdat ik meer in West kom, begin ik de topografie van dit stadsdeel te begrijpen. Steeds vaker rij ik met mijn kinderen naar een speeltuin aan de andere kant van de demarcatielijn. Bijkomend voordeel is dat het er schoon is, terwijl je aan de oostkant nooit helemaal zeker weet of je in een speeltuin of op een vuilnisbelt bent. Het is alleen verwarrend dat alle kinderen in het klimrek Benjamin lijken te heten. Onze Benjamin is wel de enige zonder keppeltje op.

Ik begin Israëlische auteurs te lezen als Oz en Grossman. Ik krijg oog voor joodse gebruiken, waarvan ik er sommige overneem, zoals het kopen van bloemen en challe aan het begin van de sabbat. De directheid en vaak ook botheid van Israëliërs, die me in het eerste jaar afschrikte, zeker in contrast met de Arabische hartelijkheid, vind ik niet langer intimiderend en maak ik (daardoor?) ook bijna niet meer mee. Trouwens, als het gaat om directheid en lompheid ben ik als Hollander wel wat gewend.

Kortom, het is bij mij niet zo gegaan dat ik het eerste jaar de Israëliërs haatte en het tweede jaar de Palestijnen. Maar iets soortgelijks heb ik wel ervaren: in het eerste jaar voelde ik vooral sympathie voor de Palestijnse cultuur, in het tweede jaar verschoof mijn interesse naar de Israëlische. En daarna gebeurde er iets wezenlijk anders dan wat de expat aan Anna Krijger vertelde, en het overkwam me niet pas na twee jaar, maar al eerder: in plaats van dat ik zowel de Palestijnen als de Israëliërs ging haten, voelde ik juist steeds meer sympathie voor hen allebei – en dat voelde, om bij het thema van dit nummer te blijven, als een verlossing.

Als je als buitenstaander in Jeruzalem woont, kun je het beste begrip blijven houden voor beide partijen. Maar dat is soms lastig. Want zelfs ik krijg weleens iets van de politiek mee. En als twee groepen elkaar naar het leven staan, ontstaat er de neiging om partij te kiezen. Ik ervoer het als een bevrijding toen ik die neiging kwijt was.

Nog altijd koester ik de eerste weken na onze aankomst in Jeruzalem, toen alles nog nieuw en exotisch was. Maar nu we bijna weer weggaan, besef ik dat deze laatste periode minstens zo waardevol is. Ik leef inmiddels niet meer alleen in Oost maar ook in West. Ik ervaar de rijkdom van het leven in een stad waar twee culturen samenkomen.

Tegelijk is de politieke situatie in deze stad, en in dit land, zo uitzichtloos en treurig makend, dat een mens maar beter niet te lang in Jeruzalem kan wonen. Ook kan het onmogelijk goed zijn voor je geestelijk welzijn om voortdurend tussen de religieuze fanatici te leven. Na twee jaar in Jeruzalem weet ik in ieder geval één ding heel zeker: religie is niets voor mij.


Merijn de Boer is schrijver. In augustus verscheen bij Querido zijn roman De saamhorigheidsgroep