Essay: Otto Klemperer inn het sanatorium

Tussen kunst en kuur

Begin vorige eeuw werden schilder Ernst Ludwig Kirchner en dirigent Otto Klemperer opgenomen in het sanatorium van huisarts en neuroloog Oskar Kohnstamm. Voor beide kunstenaars roerige tijden, «aber der Arzt ist nett».

Oskar Kohnstamm (1871-1917) was van oorsprong een internist, opgeleid in Giessen en Straatsburg, en gepromoveerd in Berlijn. Al vroeg in zijn carrière merkte hij dat hij psychisch lijden kon verzachten. Vooral in het reactiveren van depressieve patiënten had hij succes. Na zijn promotie, in 1894, vestigde hij zich als huisarts in het landelijke stadje Königstein in het Taunusgebergte. Daar raakte hij steeds meer geïnteresseerd in psychiatrie en neurologie. Zijn vrouw, Eva Gad, dochter van een van zijn hoog leraren in Berlijn, vond het goed dat hij zo nu en dan depressieve patiënten in huis nam, die dan een taak kregen in de huishouding en kinderverzorging. Geleidelijk rijpte het idee voor de bouw van een klein sanatorium.

De villa kwam in 1905 — geheel in Jugendstil — gereed. Zeven jaar later volgde een uitbreiding. Al spoedig kreeg dit sanatorium als «Heilstätte» een goede naam en van heinde en verre stroomden de neurotische patiënten toe, meest vrouwen uit de betere kringen. Kohnstamm moest niets van Freud en de psychoanalyse hebben, maar werkte wel veel met hypnose. Zijn jongste zoon, Peter, schreef in diens autobiografie dat veel van zijn vrouwelijke patiënten hem met «religiöser Begeisterung» waren toegedaan. Volgens deze zoon kon vader menstruatiestoornissen, veroorzaakt door psychische trauma’s, met telehypnose verhelpen, per brief en zelfs per telegram (zie kader).

Ofschoon dit nu Jomanda-achtig klinkt, was Oskar een echte wetenschapper die voortdurend in contact stond met de bekendste neurologen uit zijn tijd en door veel van zijn collega’s werd geacht. Zeker is dat hij met sterk persoonlijk gezag zijn patiënten zo kon beïnvloeden dat zij de hun opgelegde leefregels aanvaardden.

In het huis mocht niet worden gerookt en geen alcohol worden gedronken. Werken in de moestuin was voor iedereen verplicht en iedereen moest meedoen aan groepsspelen tijdens een Luftbad. Er werden lange wandelingen gemaakt in de heuvels rond Königstein. De maaltijden werden gezamenlijk genuttigd in de grote eetzaal, waarbij Oskar en Eva aanzaten. Oskar maakte iedere ochtend de tafelschikking voor de dag. Na de lunch was een siësta voorgeschreven.

Patiënten met een rijke achtergrond betaalden forse pensionprijzen, maar Oskar nam ook armlastige mensen op wanneer hun ziektegeschiedenis hem interesseerde. De patiënten kwamen overwegend uit een joods milieu. Maar niet allemaal. Een vrouw uit een familie van oude Saksische adel, barones E. von W., beschreef in haar autobiografie haar eerste dagen in het sanatorium, samen met haar dochter. «Alle andere patiënten lijken met Mozes door de Rode Zee getrokken te zijn. Ons blonde uiterlijk maakte dus dat wij nogal opvielen, zodat wij zonder dat wij dat hadden verdiend een bijzondere behandeling kregen. Aan tafel kreeg ik een plaats tussen dokter Kohnstamm en een dokter Goldschmidt. Anderen heetten Rosenthal, Seligsohn, Joffe, Regensburger, Lasker, enzovoort, maar ik moet toegeven dat het met iedereen prettig omgaan was en dat ik een paar vooroordelen ben kwijtgeraakt.»

Peter Kohnstamm verhaalt ook van de tragische dood van baron Von X. Uit de slaapkamer van een welgestelde patiënte was een kostbare halsketting verdwenen en deze werd verstopt teruggevonden in de slaapkamer van de baron. Kennelijk werd de politie erbij gehaald want kort daarop kreeg de baron bezoek van twee officieren van zijn regiment in Frankfurt. Bij hun vertrek lieten zij een geladen revolver op zijn tafel liggen. Met het volgens de erecode van Pruisische officieren verwachte gevolg. Naar hedendaagse maatstaven ondenkbaar, en wat Kohnstamm betreft ook bijzonder verwijtbaar, maar toen kennelijk nog mogelijk, zelfs in een zenuwinrichting.

Oskar Kohnstamm verbond zijn bio-psychiatrische denken met de erfenis van grote Duitse schrijvers en denkers: Schiller, Kant, Nietzsche. Goethe aanbad hij; boven de ingang prijkte diens opdracht Edel sei der Mensch, hülfreich und gut. Een grote kopie van Holbeins Erasmus van Rotterdam hing achter zijn schrijftafel. De architect Henry van de Velde (Bauhaus) kwam er als patiënt en werd een huisvriend. Oskar was een sociaal-democraat en een patriot. Ook dat ging toen nog samen.

Vanzelfsprekend trok de oudste zoon, Rudolf, vrijwillig ten strijde tegen de Fransen. Als jonge officier nam hij de partituur van de Figaro mee de loopgaven in. Hij sneuvelde al in het voorjaar van 1916, voor Verdun. In zijn afscheidsbrief aan zijn ouders, die hij uit voorzorg bij zich had gedragen, schreef hij: «Als u deze brief krijgt weet dan waarvoor ik gestorven ben en weet dan ook dat ik daartoe niet gedwongen was maar dat ik mit frohem Mut gegaan ben… Leve het land van Goethe, ons Duitse vaderland! Niemand is te goed om daarvoor te sterven.»

Rudolf werd met militaire eer op het kerkhof van Königstein begraven. Op de weg erheen speelde de fanfare Chopins treurmars, en Ich hatt’ einen Kameraden. Broer Peter, toen acht jaar, herinnert zich dat de fanfare op de terugweg weer vrolijke marsen speelde: «Alsof op weg een levende te verwelkomen. Ik dwong mezelf te huilen en zwoer me op de Fransozen te zullen wreken.»

Vader Oskar kwam niet over het verlies van zijn oudste zoon heen. Een jaar later stierf hij, 46 jaar oud, maar niet voordat hij Henry van de Velde gevraagd had een familiegraf te ontwerpen. Zoon Peter herinnert zich uit die dagen het lichten van het helse vuurwerk aan de hemel, veroorzaakt door de bombardementen op Frankfurt, de eerste luchtaanvallen uit de geschiedenis waarbij burgers werden gedood.

Ernst Ludwig Kirchner (1880 — 1938), een van de oprichters van de expressionistische kunstenaarsgroep Die Brücke, was een veelzijdig en gedreven kunstenaar. De in het najaar van 2001 aan hem gewijde tentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam beperkte zich tot zijn werk van na 1916, en dan speciaal zijn ontwerpen voor wandtapijten.

In de Zwitserse bergen vond Kirchner rust en herstelde hij psychisch en lichamelijk van een ernstige crisis. Deze begon toen hij in 1915 was opgeroepen voor de militaire dienst. Als rekruut was hij bang naar het front gestuurd te worden en daar te sterven. Zijn gezondheid was toen al heel slecht, mede door het kettingroken en het overmatig gebruik van drank en slaapmiddelen.

Een officier herkende in de rekruut de toen al beroemde schilder en ontfermde zich over hem. Op zijn voorspraak werd Kirchner na enige maanden met ziekteverlof gestuurd, op voorwaarde dat hij zich onmiddellijk in een sanatorium zou laten opnemen. Hoe beroerd hij er tijdens zijn korte diensttijd ook aan toe was, hij maakte er prachtige schilderijen, onder andere van een groep soldaten onder de warme douche, een zelfportret met geamputeerde hand en cavaleristen te paard.

Zo belandde hij half december 1915, op aanraden van vrienden, voor een eerste verblijf in het sanatorium te Königstein. Een van die vrienden was de kunstverzamelaar professor Botho Graef, zelf op dat moment werkzaam als tolk in de kampen voor krijgsgevangenen, en tevens een oude vriend van Oskar Kohnstamm. Omdat Kirchner al een beroemd kunstenaar was, werden sommige huisregels voor hem verzacht, zoals het rookverbod. Desondanks beklaagde hij zich in brieven over het feit dat hij in zijn werk steeds gestoord werd voor de bij de kuur horende activiteiten en voor de gemeenschappelijke maaltijden. Ook dat hij met andere patiënten moest omgaan, meest geen kunstenaars, hinderde hem. «Aber der Arzt ist nett, en de Taunusbergen zijn heel interessant, zoals ook het observeren van al die zenuwzieke mensen. Ik word door zoveel beelden bestormd dat ik niet weet waar te beginnen.»
Kohnstamm is blij met elk glas melk dat Kirchner binnenkrijgt. Kirchner verblijft vijf weken in het sanatorium en komt in de loop van 1916 twee keer terug, voor perioden van vier tot zes weken. Hij schildert er voor het eerst berglandschappen, waarmee hij een jaar later in de Zwitserse bergen verdergaat. Ook maakt hij portretten van andere patiënten, onder andere zeven van Otto Klemperer, en van een groepje Nervöse beim Diner. Tussen de kuurperioden door is Kirchner terug in Berlijn en in Jena, waar zijn lichamelijke conditie verder verzwakt. Rijke verzamelaars en liefhebbers van zijn werk verschaffen het geld voor zijn derde verblijf in Königstein.

Tijdens zijn tweede verblijf ontstaat het plan voor grote muurschilderingen in het sanatorium. Het liefst wil Kirchner het gewelfde plafond van de eetzaal beschilderen, en Oskar, die inmiddels zijn werk erg is gaan waarderen, vindt dat goed, mede uit therapeutische overwegingen. Maar Kohnstamms vrouw Eva en de medepatiënten willen niet telkens onder een plafond vol naakte lichamen aan tafel zitten en wijzen de ontwerpschetsen af. In plaats daarvan worden Kirchner de grote wanden van het trappenhuis van een bijgebouw, het bronwaterbad, aangeboden, onder een lichtkoepel. In Berlijn ontwerpt hij de muurschilderingen gebaseerd op zijn geliefde Oostzee-eiland Fehmarn, en tijdens zijn derde kuur in de voorzomer van 1916 brengt hij ze aan op 32 vierkante meter. «Daar stond hij op een stelling te schilderen», schrijft Peter Kohnstamm, «een sigaret in zijn mondhoek, en voor een achtjarig toekijkend jongetje, dat in een Jugendstilomgeving was opgegroeid, waren de scènes van al die in zee badende naakte meisjes met grote borsten, meeuwen daarboven en witte zeilen van boten, in helgele en donkerblauwe tinten, tamelijk ongewoon en opwindend.»

In 1937 namen de nationaal-socialisten meer dan zeshonderd werken van Kirchner, zijnde entartete Kunst, in beslag. Daarvan werden er vervolgens 32 in een reizende tentoonstelling van entartete Kunst opgenomen. De toenmalige eigenaar van het huis liet daarop uit voorzorg de muurschilderingen overschilderen. Naoorlogse pogingen de schilderingen te restaureren zijn op niets uitgelopen. Wat ervan rest zijn enkele zwart-wit foto’s.

Wat ook niet meer bestaat is Kirchners olieverfschilderij van Oskar Kohnstamm in witte dokterskiel, met naast zich een vissenkom vol helgele urine. Eva vond het schilderij minder geschikt voor de woonkamer. Niemand weet waar het is gebleven.

Tijdens Kirchners derde verblijf in Königstein sneuvelt niet alleen Rudolf Kohnstamm, maar ook Kirchners goede vriend Hugo Biallowons. In depressieve toestand breekt Kirchner zijn kuur af, terugverlangend naar zijn atelier in Berlijn. Half augustus schrijft hij in Friedenau aan kunstverzamelaar Gustav Schiefler, zijn vriend en mecenas met wie hij tot zijn zelfgekozen dood in 1938 blijft corresponderen: «Mijn kuur is nog niet afgerond en ik ben hier eigenlijk tegen de wil van de dokter. Maar ik hield het niet langer uit en had werk te doen. Spoedig ga ik weer terug. Mijn zenuwen en lichaam zijn nog niet in orde (en de kuren helpen mij onvoldoende). Ik voel me heel zwak. (…) Een goede, eerlijke vriend van mij is gesneuveld en de oorlog komt maar niet tot een einde. En wie de wereld aanziet moet zich toch afvragen: waarom, waarom? Wozu noch diese grausame Brutalität?»

Ook zijn vrienden vinden dat Kirchner in Königstein te weinig vooruit gaat — het verdriet om de oudste zoon maakt het huis minder geschikt voor depressieve patiënten — en dus keert hij er niet meer terug. Na opnamen in twee andere inrichtingen, eerst in Berlijn en daarna in het Zwitserse Kreuzlingen bij de beroemde psychiater Binswanger, komt Kirchner uiteindelijk in Davos terecht waar zijn herstel begint met afkicken van veronal en morfine, onder streng toezicht van een door hem meegenomen verpleegster. Enkele maanden later sterft in het sanatorium van dokter Kohnstamm eerst professor Botho Graef en kort daarna Oskar zelf. De vitaliteit van Kirchners erotische wandschilderingen hebben hun niet mogen baten.

Otto Klemperer (1885-1973) leed in zijn jeugdjaren aan manisch-depressieve stoornissen. In 1910 was hij junior dirigent (Kapellmeister) aan het Stadttheater van Hamburg. Hij raakte oververmoeid door het grote aantal uitvoeringen, soms vijftien per maand, en gefrustreerd door de talloze artistieke compromissen waartoe hij zich gedwongen zag. Eind 1910 speelde hij zelfs met de gedachte het dirigeren er geheel aan te geven.

In september van dat jaar was de zangeres Lotte Lehmann nog op slag verliefd geworden op deze «magere jonge man, lang als een lantaarnpaal, met bedroefd brandende ogen en bleke wangen». Voorjaar 1911 raakte Klemperer zo gedeprimeerd dat hij zijn oudere neef Georg Klemperer, een vooraanstaand arts te Berlijn en medisch directeur van het Moabit-ziekenhuis aldaar, om raad ging vragen. In Hamburg zagen ze hem pas anderhalf jaar later terug. Neef Georg raadde Klemperer aan een paar weken naar het sanatorium in Königstein te gaan. Dat werd het begin van een vriendschap met Oskar Kohnstamm, die duurde tot aan diens dood.

Oskar begon ermee Klemperer voor te houden dat zijn ziekte gezien moest worden als het psychologisch equivalent van groeipijnen. Klemperers biograaf, Peter Heyworth, merkt op dat ofschoon manisch-depressiviteit dikwijls een jeugdziekte is waar men met het vorderen der jaren minder last van heeft, dit bij Klemperer niet het geval was, omdat hij tot zijn dood de grote stemmingswisselingen bleef ondergaan, van Himmelhoch jauchzend bis zum Tode betrübt. Hoewel Kohnstamm later tot de conclusie kwam dat het ging om strikt lichamelijke oorzaken (een endogene depressie), liet hij Klemperer aanvankelijk aan het gewone psychotherapeutische regiem van het huis deelnemen. En, zoals Heyworth meent, met aanmerkelijk succes.

Maar Oskar wilde Klemperer ook psychisch stimuleren en liet hem gedichten uit het hoofd leren. In een poging Klemperers belangstelling voor muziek opnieuw te wekken, vroeg hij hem mee te gaan naar een uitvoering van de Matthäus Passion in Frankfurt. Eerst weigerde Klemperer, maar Oskar stond erop dat hij toch meeging. Binnen vijf weken zat Klemperer weer achter de piano die Oskar voor dat doel in een kamer boven in de villa had laten neerzetten. Toen hij in mei 1911 in een krant las dat Mahler, zijn grote mentor en inspirator, was gestorven, pas vijftig jaar oud, dreigde hij opnieuw in de depressie te geraken waar hij juist was uitgekomen. Daarom bleef hij tot de zomer in Königstein.

Hoe vaak Klemperer in de jaren daarna terugging naar dit sanatorium is niet precies bekend. Peter Kohnstamm beschrijft Klemperers manische perioden, in 1912 en later. Als een tornado wervelde hij dan door de eetzaal tijdens de gemeenschappelijke maaltijden, liet tafelkleed en vloer achter in grote chaos, onderwijl zijn tafelgenoten met scherpzinnige opmerkingen en stormachtig enthousiasme vermakend. De piano stond in de kamer naast de kinderkamer. In zijn bed hoorde Peter Klemperer de partituur voor zijn opera In het sanatorium spelen, daarbij alle zangpartijen brullend, terwijl een uitgelezen gezelschap van medepatiënten ademloos zat te luisteren. Helaas — of misschien maar goed ook — lijkt de partituur voor die opera verloren te zijn gegaan. Maar Peter kende nog wel een aria van de «dokter» voor een aan slapeloosheid lijdende patiënte. Hij herinnerde zich de jonge Klemperer als «ongelooflijk lang, met een heel hoog voorhoofd, sardonische onderlippen, vlammende ogen en een scheefzittende vlinderdas».

Zoals bekend kreeg Klemperer eind november 1912 in Hamburg een affaire met de zangeres Elisabeth Schumann. Zij verliet daarvoor haar echtgenoot Puritz, en samen doken zij voor enkele weken onder. Na hun terugkeer in Hamburg, begin januari, daagde Puritz Klemperer uit tot een duel met pistolen. Toen Klemperer daar niet op wilde ingaan, sloeg Puritz, die overigens een zachtaardig mens geweest moet zijn, hem in de orkestbak met een rijzweep, terwijl Klemperer daar, niet geheel op zijn gemak, Lohengrin stond te dirigeren («Klemperer, umdrehen!»). Ooggetuige Lotte Lehmann heeft later verteld dat Klemperer, nadat hij in de orkestbak was gevallen, als een reusachtige zwarte spin weer te voorschijn kwam en Puritz wilde aanvallen. Omstanders verhinderden dit en na de verwarring richtte Klemperer zich tot het publiek met de woorden: «Meneer Puritz heeft mij aangevallen omdat ik zijn vrouw liefheb. Goedenavond.» Gelach in de zaal, maar geen Lohengrin meer en zowel Klemperer als Schumann werd ontslagen.

De verhouding duurde niet lang. Klemperers euforie, veroorzaakt door een manische periode die bij hem altijd tot verhoogde sensualiteit leidde, ging al na enkele maanden over. Zijn liefde voor Elisabeth bekoelde. Samen gingen zij naar Königstein, maar Oskar Kohnstamm vond het niet goed dat zij beiden hun intrek namen in het sanatorium; voor Elisabeth werd een kamer in het stadje gehuurd.

Tijdens een wandeling liepen ze een doodlopend bospad in. Klemperer zei tegen Elisabeth dat dit hun relatie typeerde: «Dit is ons leven.» Oskar Kohnstamm moest daarna aan Elisabeth uitleggen door welke sterke gemoedswisselingen haar minnaar werd geplaagd en dat de bekoelde liefde het gevolg was van het einde van een manische fase. Otto werd weer depressief en Elisabeth keerde in augustus terug naar haar man. In 1914 kreeg zij een zoon. Haar huwelijk hield stand tot 1917. In haar herinnering bleef Klemperer haar grote liefde en op haar sterfbed, bijna veertig jaar later, noemde ze hem «de rode draad in haar leven».

Na Oskar Kohnstamms dood bleef Klemperer bevriend met diens weduwe, Eva, en haar kinderen. Toen Peter later in Berlijn studeerde zag hij Klemperer geregeld. Bij een van hun ontmoetingen vertelde Klemperer aan Peter dat hij het best dirigeerde in een depressieve fase, niet in een manische, zoals men wellicht zou verwachten.

Klemperer trouwde in 1919 met de sopraan Johanna Geissler. Zij kregen kinderen. Toen hij in 1933 ten slotte besloot nazi-Duitsland te ontvluchten om naar Zwitserland uit te wijken, probeerde hij desondanks de mooie Micha Blunim met zich mee te nemen. Zij was 25 jaar, afkomstig uit Vilnius, Litouwen, en studeerde medicijnen in Berlijn. Eind 1932 was hij verliefd geworden op haar. Zoals Klemperers biograaf Heyworth schrijft: «The manic fires were raging wildly.»

Enigszins pijnlijk was dat Micha tevens de vriendin was van de pas afgestudeerde arts Peter Kohnstamm, en dat die twee spoedig zouden gaan trouwen. Johanna kreeg lucht van haar mans voornemen en vroeg de professor van Micha, Georg Klemperer, te interveniëren. Deze, gedachtig aan wat twintig jaar eerder met Elisabeth Schumann was gebeurd, vertelde haar dat de euforie van het moment onvermijdelijk gevolgd zou worden door depressie en spijt, en dat zij dus de uitnodiging om mee te gaan naar Zwitserland maar beter kon afslaan.

Klemperer ging 4 april per trein, alleen, op weg naar een kliniek in Zürich, Johanna in tranen op het perron achterlatend. Zij zou hem kort daarna met de kinderen volgen. Bij het passeren van de Zwitserse grens voelde Klemperer zich net zo opgelucht «als toen de joden de Rode Zee waren doorgestoken».

Peter Kohnstamm, als kind van een joodse vader uitgesloten van een functie als arts, trouwde 30 april met Micha. Zij reisden enkele dagen later via de Hoek naar Londen, waar Peter kon rekenen op de steun van twee Engelse ooms.

_____________________________

Een voorbeeld van wat Oskar Kohnstamm zelf Fernhypnose noemde, zoals we tegenwoordig de internettherapie kennen. Patiënte X. was al verschillende keren in het sanatorium geweest en kende dokter Kohnstamm goed.

14.III.1916

Lieber Herr Doktor!

Wilt u mij alstublieft aanraden wat ik doen moet. De laatste tijd word ik om de drie weken ongesteld en sinds 12 dagen ben ik het voortdurend. Ik voel me daardoor erg zwak, heb dikwijls hoofdpijn, en zou wel steeds kunnen huilen. Zo kan het niet verder gaan, ik weet niet hoe ik er uit moet komen.

X.

15.III.1916

Liebes Fräulein X.!

Zojuist kreeg ik uw brief en haast me u te antwoorden. U zult op de avond van de dag waarop u deze brief ontvangt zo tijdig naar bed gaan dat u om 9 uur kunt inslapen, en dan diep en droomloos tot 6 uur ’s ochtends. Dan zult u de oorzaak van uw kwaal kennen en bent u ter plekke genezen. De ongesteldheden zullen in de toekomst weer regelmatig om de vier weken komen. In de loop van diezelfde dag zult u mij uitvoerig schrijven over de gedachten die bij u zijn opgekomen toen u wakker werd. Daarna zult u mijn brief verscheuren en de inhoud vergeten.

Dr. K.

17.III. 1916

Lieber Herr Doktor!

Nadat ik vannacht erg rustig en verkwikkend heb geslapen viel me vanochtend in waarmee de verstoringen in mijn ritme samenhangen. Ik voel me nu weer helemaal gezond. Alles is goed nu. Onlangs kreeg ik bezoek van een familielid en die vertelde me over haar grote zorgen om haar moeder. Door dat nieuws raakte ik geheel van stuk. Toen zij het over een hartvergroting had zei ik tegen mezelf «dat heb jij ook», maar die gedachte heb ik toen meteen verdrongen. Toen het bezoek weg was vroeg mijn zuster mij wat er met me aan de hand was omdat mijn stemming opeens zo veranderd was. Ik kon het haar niet zeggen, omdat ik het niet wist. Meteen daarna raakte ik ongesteld en kwamen de periodes zo kort achtereen. Ik denk nu dat alles te maken had met toen ik 16 jaar oud was en in het ziekenhuis lag vanwege ernstige menstruatiestoornissen. De zuster vertelde me dat de dokter had gezegd dat ik door een hartvergroting niet lang meer te leven had. Het was een vreselijke tijd. Ik huilde steeds omdat ik nog niet dood wilde gaan (…).

Ik voel me erg gelukkig en dank u voor uw snelle en trouwe hulp. 7 April begint de paasvakantie. Ik verheug me daar op. Godlof ben ik niet meer levensmoe en ook tegen mijn werk zie ik niet meer op.

X.

Oskar Kohnstamm tekende bij deze korte gevalsbeschrijving aan dat de patiënte 46 jaar was en wist dat zij in haar jeugd door de ziekte van Basedow een hartvergroting had gekregen, evenwel zonder blijvende negatieve gevolgen.

Bovenstaande tekst komt uit een aangekondigde lezing voor het genootschap van Zuidwest-Duitse neurologen en «Irrenärzte» (mei 1916). De lezing werd echter niet gehouden, vermoedelijk omdat Oskar Kohnstamm overmand was door verdriet na het bericht van zijn bij Verdun gesneuvelde oudste zoon. De tekst is later postuum verschenen in zijn verzameld werk Erscheinungsformen der Seele.