Nobelprijs

Tussen laagland en hoogland

De Nobelprijs voor Bob Dylan leverde nogal wat gemor op. Is hij een ‘onzuivere indringer’ in de literatuur? Nee hoor. De koppeling van woord aan muziek is altijd kenmerkend geweest voor wat we nu literatuur noemen.

Medium hh 59796013

Het is niet helemaal duidelijk waaraan de Nobelprijzen hun enorme prestige te danken hebben, want net als alle andere eerbewijzen worden ze toegekend door een willekeurig samengestelde jury, die zich bovendien willens en wetens blootstelt aan schaamteloos gelobby uit alle betrokken vakgebieden. Waar het om de natuurwetenschappen gaat wordt de prijs doorgaans toegekend aan ideeën of uitvindingen die in de loop der jaren hun bruikbaarheid hebben bewezen, terwijl de vredesprijs vaak gezien moet worden als een aanmoediging – als een poging tot politieke beïnvloeding dus. In beide gevallen is de maatschappelijke relevantie evident. Bij de prijs voor literatuur is dat onmogelijk vast te stellen, aangezien er nu eenmaal geen universele criteria zijn waaraan je zou kunnen afmeten hoe geslaagd, effectief of nuttig een schrijverschap is geweest, laat staan zal worden.

Sterker nog, het is niet eens duidelijk welke teksten wel en welke niet tot de literatuur behoren. Het Nobelcomité heeft daar nooit moeilijk over gedaan. Bertrand Russell (1950), Winston Churchill (1953) en Svetlana Aleksijevitsj (2015) zijn onderscheiden voor weliswaar voortreffelijk geformuleerde geschriften, maar romans of gedichten zijn het niet. Dario Fo (1997) was zelfs niet in de eerste plaats schrijver, maar veeleer een theatermaker. Is de laureaat een reguliere dichter of romancier, dan lopen de meningen vaak al uiteen over de vraag of de bekroning terecht is, iedereen heeft immers zijn eigen favorieten in gedachten, maar wanneer de gelukkige niet tot het internationale literaire circuit behoort, klinkt er alom gemor. Dat de bekroning van Bob Dylan emoties zou losmaken was dus voorspelbaar, maar dat overigens weldenkende lieden zich zo lieten gaan als we de afgelopen week hebben gezien, is verbazingwekkend. Moet het literaire bedrijf weer beschermd worden tegen ‘onzuivere’ indringers? Of is Dylan gewoon niet goed genoeg?

Met zijn verwijzing naar Homerus en Sappho is het comité de kritiek al voor geweest. De luttele fragmenten van Sappho’s poëzie worden alom gezien als het ontroerende begin van de Europese lyriek, terwijl zij toch een singer-songwriter was. De homerische epiek, die aanvankelijk gezongen, later gereciteerd werd, komt voort uit een eeuwenoude orale traditie. Zowel de koppeling van woord aan muziek als het voortbouwen op een fundament van anonieme bouwstenen is wereldwijd altijd kenmerkend geweest voor wat we nu literatuur noemen. De geschreven tekst waarop auteursrecht rust is een betrekkelijk moderne vinding en zou wel eens een atypisch incident in de geschiedenis van de menselijke cultuur kunnen blijken. Waar moderne media de manier van overdracht van ideeën in hoog tempo ingrijpend veranderen, verliest het boek zijn geprivilegieerde status. En dankt zelfs Josip Brodsky (Nobelprijs 1987) zijn roem niet evenzeer aan zijn levensgeschiedenis en zijn voordrachtskunst als aan zijn poëzie? Ik heb er dus geen enkele moeite mee dat Bob Dylan dit jaar die tien miljoen Zweedse kronen op zijn rekening krijgt bijgeschreven.

De inmiddels 75-jarige bard debuteerde een halve eeuw geleden met de bundel Tarantula, een hallucinerende combinatie van proza en poëzie in de beste traditie van Arthur Rimbaud, maar dat is natuurlijk niet het werk waarom hij bekend is geworden. Dat geldt evenmin voor de als autobiografisch gepresenteerde Chronicles: Volume One (2004), een boek als een stomende roadmovie van nergens naar nergens, dat begint met een taxirit in New York City en eindigt met een alinea waarin deze veelzeggende zinnen staan: ‘The road out would be treacherous, and I didn’t know where it would lead but I followed it anyway. It was a strange world ahead that would unfold, a thunderhead of a world with jagged lightning edges.’ Het gaat Dylan helemaal niet om tekst als een stabiel medium. Schrijven, spreken en muziek maken vertegenwoordigen een beweging: ‘A song is like a dream, and you try to make it come true. They’re like strange countries that you have to enter. You can write a song anywhere, in a railroad compartment, on a boat, on horseback – it helps to be moving. Sometimes people who have the greatest talent for writing songs never write any because they are not moving.’

Honderden liedjes schreef Dylan sinds hij zich in 1961 in Greenwich Village vestigde, daarnaast vertolkte hij nogal wat traditioneel materiaal uit alle uithoeken van de Amerikaanse muziek. Hoezeer hij geworteld is in die bodem blijkt verder uit het programma Theme Time Radio Hour dat hij gedurende enige jaren maakte voor XM Satellite Radio, waarin hij op orakelende wijze commentaar leverde op een schat aan juweeltjes uit de Amerikaanse muzikale traditie. En het blijkt vanzelfsprekend ook uit zijn laatste twee cd’s met nummers die geassocieerd worden met zangers als Frank Sinatra.

Komt Dylan voort uit de folk revival van de jaren vijftig, aanvankelijk werd zijn werk vooral in verband gebracht met de protestbewegingen van de vroege jaren zestig. Dat is niet geheel onterecht, want hij werd beroemd met liedjes als Blowin’ in the Wind (1962) en The Times They Are A-Changin’ (1963), maar al voordat hij 25 was had hij zich uit die subcultuur losgemaakt. Hoewel hij tot in zijn meest recente eigen liedjes op het meesterwerk Tempest (2012) regelmatig refereert aan politieke misstanden doet hij dat vrijwel altijd indirect. Vermoedelijk is dat Dylans kenmerkende eigenschap: zijn ongrijpbaarheid. ‘I’m not there’, zingt hij op de Basement Tapes (1967), ‘I’m gone.’

Geen ander oeuvre binnen de populaire muziek is zo uitvoerig en grondig becommentarieerd en geïnterpreteerd als dat van Dylan. Dat komt, als we even afzien van de muziek, niet alleen door de rijkdom aan beelden en verrassende formuleringen, maar zeker ook door het intertekstuele karakter ervan. De dichter alludeert graag op teksten uit de wereldliteratuur, van de bijbel tot Shakespeare en van de blueszanger Robert Johnson tot de Cantos van Ezra Pound. Zelfs zijn pseudoniem is een citaat. Het aanwijzen van ontleningen garandeert echter geenszins een eenduidige uitleg van wat er staat of klinkt, en ook het naspeuren van de biografische context leidt niet tot sluitende interpretaties. Dylan construeert zijn teksten op zo’n manier dat ze nooit zijn vast te pinnen op één betekenis, net zo min als dat zou lukken bij T.S. Eliot, Paul Celan, Lucebert of H.H. ter Balkt.

Neem nu Sad-Eyed Lady of the Lowlands van het dubbelalbum Blonde on Blonde (1966), een van de langste nummers die Dylan ooit schreef en dat hij, vreemd genoeg, slechts eenmaal live heeft gespeeld. Dat hij het (midden in de nacht) schreef voor zijn toenmalige vrouw Sara staat vast, maar met die informatie schieten we weinig op. Het begint zo:

With your mercury mouth in the missionary times

And your eyes like smoke and your prayers like rhymes

Het gaat Dylan niet om tekst als een stabiel medium. Schrijven, spreken en muziek maken vertegenwoordigen een beweging

And your silver cross and your voice like chimes,

Oh, who among them do they think could bury you?

Door overdadig te rijmen in een tekst die het vermogen daartoe aan de droefogige dame toeschrijft, bewerkstelligt de dichter meteen een identificatie tussen haar en het lied zelf. In het refrein treedt bovendien een ‘sad-eyed prophet’ op die keer op keer verzekert dat het Laagland – wellicht een Onderwereld? – voor niemand toegankelijk is, zelfs niet voor de dichter, die zich in arren moede afvraagt of hij zijn ‘warehouse eyes’ en zijn ‘Arabian drums’ niet beter bij de poort kan achterlaten, al overweegt hij ook om net zo lang te blijven wachten tot er iemand opendoet. Door zijn herhaalde verwijzing naar ogen en door de meeste zinnen als vragen te formuleren thematiseert de tekst niet alleen de onmogelijkheid in het meisje door te dringen, maar ook zijn eigen ondoorgrondelijkheid.

Op de huiveringwekkende plaat Time out of Mind (1997), vaak beschouwd als Dylans comeback na een minder creatieve periode, staat het langste nummer uit zijn oeuvre tot nu toe. Highlands is een trage blues in twaalf maten, gebaseerd op een motiefje van Charley Patton, en duurt zestienenhalve minuut. De twintig strofen vertellen een verhaal dat nergens heen lijkt te gaan, maar het is zonneklaar dat de verteller een gedesillusioneerde, eenzame man is. De eerste regel roept direct een lied van Robert Burns op. Deze schreef in 1789: ‘My heart’s in the Highlands, my heart is not here;/ My heart’s in the Highlands a-chasing the deer’. De Schotse dichter neemt afscheid van zijn dierbare Hooglanden, die hij nooit zal kunnen vergeten. Dit is wat Dylan ervan maakt:

Well, my heart’s in the Highlands gentle and fair

Honeysuckle blooming in the wildwood air

Bluebelles blazing where the Aberdeen waters flow

Well, my heart’s in the Highlands

I’m gonna go there when I feel good enough to go.

In Sad-Eyed Lady slaagde de spreker er niet in toegang te krijgen tot de Lowlands, hier vertegenwoordigt het Hoogland een wereld van geluk die al even onbereikbaar is. Bovendien is het een landschap van poëzie, waar de fluistering van de wind rijmt op de paardenkastanje. Het contrasteert genadeloos met de situatie waarin de ik zich in werkelijkheid bevindt: het gesprek dat hij in een troosteloos restaurant in Boston aanknoopt met de serveerster, die een kunstenaar in hem vermoedt, levert slechts misverstanden op. ‘The party’s over’, kortom, ‘and there’s less and less to say.’ Alleen in zijn gedichten kan hij wonen.

Het is niet verwonderlijk dat een man die zulke dingen schrijft vrijwel permanent op reis is. Wat zou hij thuis moeten doen? Staren naar de oorkonde van de Nobelprijs aan de muur? Zo eindigt Tarantula: ‘there are only three things that continue: Life – Death the lumberjacks are coming’. Alles gaat uiteindelijk tegen de vlakte. Dan maar liever on the road, zolang het nog kan.


Beeld: Bob Dylan, Woodstock, New York. Infraroodfilm, 1968 ( Elliott Landy / Magnum / HH