Tussen Lenin en Lucebert

Het was even schrikken toen ik de titel zag van Igor Cornelissens biografie van de communistische kunstcritica Mathilde Visser: Tussen Lenin en Lucebert. Welke onthullingen gingen daar nu weer achter schuil? Had Lucebert nog meer op zijn kerfstok dan ‘Heil Hitler’ en zich in een geheime brief bij haar aangemeld als bewaker in de Goelagarchipel? Het was bekend dat de even rijke als excentrieke Mathilde dik bevriend was met Lucebert. En dat ze er stalinistische opvattingen op nahield. Kende ze Luceberts geheim en heeft ze dat in het mausoleum van Lenin verstopt?

Onzin, uiteraard. De titel van de zeer leesbare en interessante biografie is door Cornelissen kennelijk gekozen omdat hij zo mooi allitereert. Of hij wilde aanhaken bij de ophef over Luceberts oorlogsverleden. Want van de ruim driehonderd pagina’s die het boek over het bewogen leven van Mathilde Visser telt, zijn er maar een paar gewijd aan de door haar bewonderde dichter-schilder. De recente onthulling over zijn nazisympathieën ‘is haar bespaard gebleven’, schrijft Cornelissen. ‘Het is niet waarschijnlijk dat zij zijn politieke voorkeur als “jeugdzonde” zou hebben vergeven.’

Dat lijkt me zwak uitgedrukt.

Mathilde Visser (1900-1985) was de dochter van mr. L.E. Visser die in 1941 door de Duitse bezetter werd ontslagen als voorzitter van de Hoge Raad. Alle andere raadsheren hadden de ariërverklaring ondertekend. Ze lieten hun president zonder een woord van protest vallen. Een godgeklaagd schandaal. Niet verwonderlijk dat Mathilde, die als enige van haar joodse familie de holocaust overleefde, vooraan stond bij acties tegen personen die fout waren geweest.

Zij pikte geen enkele vorm van toegeeflijkheid op dat punt. Het bestuur van het Concertgebouw nodigde in 1951 de in de jaren dertig tot Duitser genaturaliseerde dirigent Paul van Kempen uit. De man had opgetreden voor rijkscommissaris Seyss-Inquart. In die tijd, schreef Mathilde Visser in een protestbrief aan het Concertgebouw, ‘hebben zijn nieuwbakken landgenoten en vrienden, ónze bezetters en kwellers, mijn broer van de steengroeve in Mauthausen gesmeten, dood – en mijn moeder, de weduwe van ’s lands eerste magistraat, in het kamp Westerbork opgesloten, waar zij overleed’.

‘Het is niet waarschijnlijk dat Mathilde Luceberts politieke voorkeur als “jeugdzonde” zou hebben vergeven’

Het concert met Van Kempen ging weliswaar door, maar moest worden afgebroken omdat tientallen orkestleden demonstratief het podium verlieten en er stink- en rookbommen werden gegooid. Op initiatief van Mathilde Visser.

Ze ontmoette Lucebert in 1964 toen ze hem als kunstcriticus van De Waarheid bezocht in zijn atelier. In de krant zette ze hem neer als sympathisant van de CPN omdat hij een schilderij had geëxposeerd op de kunsttentoonstelling van het Waarheid-festival. Ze schreef lovend over zijn werk in De Waarheid en in Het Financieele Dagblad en bezocht Lucebert en zijn vrouw in 1977 in hun huis in Spanje. Dat zou ondenkbaar zijn geweest als ze had geweten wat hij verzweeg.

Cornelissen heeft gelijk dat Mathilde Visser geen clementie zou tonen. Een heel andere vraag is hoe zij het door haar zo hoog geschatte werk van Lucebert zou hebben beoordeeld als de onthulling over zijn antisemitische uitlatingen haar niet bespaard was gebleven. De auteur speculeert er niet over en dat is maar goed ook.

Ik verbaas me over de stelligheid van een Mario Molegraaf. In een column voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde schrijft hij dat het van ‘goed fatsoen’ zou getuigen als Luceberts onderscheidingen, waaronder de P.C. Hooftprijs, worden ingetrokken. Nu er van hem ‘brieven vol Sieg Heil’ zijn opgedoken vindt Molegraaf zijn poëzie bij herlezing ‘één grote vervalsing’.

‘Brieven vol’? Ik heb alleen weet van losse citaten die Wim Hazeu in zijn Lucebert-biografie heeft opgenomen. Die rabiate zinnen zijn weerzinwekkend, maar voor Hazeu geen reden om zijn oeuvre te verguizen: ‘Lucebert heeft een fout gemaakt, waarmee hij later goed aan het werk is gegaan’, zegt hij in de VPRO Gids. ‘Zonder deze zwarte periode was hij niet die kunstenaar geworden. Geen duisternis zonder licht; geen Lucebert zonder oorlog.’

Weten doen we dat niet. Hazeu betoogt dat Lucebert zich in zijn werk zo fel en overtuigend verzet tegen totalitaire regimes omdat hij zelf heeft ‘gezien en ervaren hoe je door macht en ideologie kan worden verblind’. Zou kunnen. Maar blijkt dat uit de oorlogsbrieven van Lucebert die Hazeu als enige heeft ingezien en weigert met anderen te delen?

Wat zou nu, om met Molegraaf te spreken, van ‘goed fatsoen’ getuigen? Ik herhaal: de openbaarmaking van de brieven. Alleen dan kunnen kunsthistorici en letterkundigen tot een gewogen oordeel komen. Misschien kan Igor Cornelissen een handje helpen om ze boven water te krijgen.