Zijn de Filippijnen een broeinest van terrorisme?

Tussen Mekka en Gomorra

Volgens de Amerikaanse ambassadeur Joseph Mussomeli is het Filippijnse eiland Mindanao «het nieuwe Mekka voor het terrorisme». Maar het leven op het eiland laat zich niet zo zwart-wit duiden.

BUUG/COTABATO – Of ze problemen hebben? De inwoners van het Filippijnse vissersplaatsje, per motor een uur rijden van het stadje Buug in Zuidwest-Mindanao, barsten on-middellijk los over het illegaal vissen met dynamiet, het ontbreken van schoon water, het ontbreken van een middelbare school in de buurt, en wat is er trouwens met het overheidsgeld gebeurd voor de weg die naar hun dorp zou komen? «En de grote families die in veel te kleine huisjes wonen», voegt de plaatselijke politieman, tevens vertaler, eraan toe. Zijn geweer komt tot ver boven zijn middel en in zijn mond ontbreken een paar tanden. «De gezinnen zijn al groot, en dan wonen ook nog de ouders in huis. Én de schoonouders.» De mannen, gezeten aan de rechterkant van de dorpsplaats, stoten elkaar aan.

Nooit eerder kwamen westerlingen naar hun vissersdorp, een verzameling houten paalhuisjes op een smalle strook wit strand. Van dit bezoek zullen ze in naburige dorpen mooi op hun neus kijken, hopen ze. Een broeinest zou dit zijn van het Moro Islamitisch Bevrijdingsfront (MILF), de islamistische guerrillaorganisatie die strijdt voor een onafhankelijke moslimstaat op Mindanao. Veel te gevaarlijk dus. Een gastvrij onthaal van de buitenlanders moet het tegendeel bewijzen. Het hele dorp heeft zich verzameld rond het dorpspleintje. Links de vrouwen, van wie een kleine meerderheid overhaast een hoofddoekje heeft omgeslagen. De mannen rechts, op twee jongens na dan die dicht tegen elkaar aangekropen tussen de dames hebben plaatsgenomen.

De politieagent komt ook aan tafel zitten. Hij vertelt hoe moeilijk het is een baan te krijgen bij de politie. «Op elke plaats die beschikbaar komt, solliciteren honderden mensen. Dus moet je geld betalen. Of een motor.» Soms zelfs een auto, weet de voorzitster van de vrouwenorganisatie. Natuurlijk kun je dat niet van je salaris betalen, vervolgt de agent. Het zijn daarom volgens hem vaak zakenmensen en politici die de sollicitatie van hun zoon sponsoren. «Die kan dan als politieman voor het huis en de bezittingen van zijn familie heen en weer gaan lopen.»

Om nog maar te zwijgen van de zeepiraten die de kusten onveilig maken. De dorpelingen moeten een maandelijkse premie betalen om met rust gelaten te worden. Desondanks is er geen reden om bang te zijn, zegt de agent, kloppend op zijn geweer. Zijn collega’s in christelijke dorpen hebben het drukker. Hier wordt in ieder geval niet gedronken, lacht hij. «Maar ga vandaag niet verder naar naburige plaatsen, want je zag die jongens net al allemaal sms’en.» Hij staat op om per boot een rondleiding te geven.

Vooral de zeewierplantage, opgezet met steun van een lokale ngo, is een must. Het succes daarvan is een van de redenen dat we hier zomaar kunnen rondlopen, vertelt opbouwwerker Jun die meevaart. «Verderop, in de dorpen waar de Saoedi’s de projecten betalen, zijn de mensen veel meer gesloten. Daar krijgen ook wij geen voet aan de grond.» Met een corrupte en machteloze centrale staat, waarvan alleen al de jaarlijkse schuldaflossing grofweg de helft van het publieke budget opslokt, hebben lokale potentaten, politieke groeperingen en buitenlandse donoren vrij spel, zeker in de buitengewesten.

Op de achtergrond klinken de geluiden van de moskee. Onverstoorbaar blijft iedereen zijn gang gaan. Terug uit het water blijft de agent plotseling stilstaan. Hij wijst op het stuk strand onder hem. Tranen stromen over zijn wangen. «Hier, in deze omgeving, de kogels van de christenen.» Hij stamelt. Het waren de jaren zeventig, toen onder de dictatuur van Marcos de religieuze conflicten op Mindanao hoog oplaaiden. In de burgeroorlog sindsdien zijn tot nu toe ruim 120.000 doden gevallen. Hij toont de littekens in zijn nek en op zijn bovenbeen: «Ik werd ook geraakt. Maar dat was niet het ergste. Ik zag mijn moeder voor mijn ogen sterven.»

Zo erg als toen is het niet meer. Toch is het eeuwenoude religieus-nationalistische conflict op Mindanao, dat als enige eiland van de voor negentig procent katholieke Filippijnen een aanzienlijke moslimminderheid (de moro’s) kent, springlevend. En ook hier gaat de onafhankelijkheidsstrijd met de laatste mode mee. Het klassiekere bevrijdingsnationalisme van het Moro Nationaal Bevrijdingsfront (MNLF), dat enkele jaren geleden akkoord ging met gedeeltelijke autonomie voor het zuidwesten van Mindanao, heeft plaatsgemaakt voor het islamisme van het afgesplitste MILF. Op straat lopen jongeren met een stoere zonnebril en in T-shirt met Osama bin Laden erop. Ook onder de kleinsten is de politieke trend zichtbaar. Waren voorheen namen als Marx, Stalin of botweg ML in trek, tegenwoordig zijn zeker in dit deel van het land Osama en Saddam populair.

Volgens de Verenigde Staten zijn er duidelijke connecties tussen de moslimstrijders in het Midden-Oosten en het Verre Oosten. Sommige leiders en onderdelen van het MILF, dat volgens onbetrouwbare schattingen beschikt over een legermacht van enige tienduizenden guerrillastrijders, zouden banden hebben met terroristische groepen als al-Qaeda en het Indonesische Jemaah Islamiyah. De organisatie zelf ontkent dit in alle toonaarden en neemt afstand van de talrijke bomaanslagen op burgers die de Filippijnen de afgelopen jaren troffen.

Het radicalere Abu Sayyaf («Dragers van het zwaard») heeft daar minder moeite mee. Om deze groep aan te pakken, zijn sinds enkele jaren weer Amerikaanse soldaten actief op de Filippijnen. Als «adviseurs», luidt de uitleg van officiële zijde.

Alle ingrediënten voor een stevig potje botsende beschavingen lijken dus aanwezig op Mindanao. Maar wie de situatie op het eiland tracht te begrijpen als een blauwdruk van de war on terror komt bedrogen uit. «Die jongens met T-shirts aan van OBL weten niet wat hij daadwerkelijk vindt», denkt Joseph, een jongerenwerker uit het net buiten de autonome moslimzone gelegen Illigan. Net als de meeste van zijn collega’s wil hij liever niet zijn achternaam zeggen. «Hij mag dan een door de CIA getrainde miljonair zijn die de dood van tal van onschuldige mensen op zijn naam heeft, voor hen kan hij sinds 11 september niets meer fout doen. Hij is een verzetsheld, net als Saddam Hoessein. Alles wat niet strookt met dat beeld wordt afgedaan als imperialistische propaganda.»

Niemand die gelooft dat de bomaanslagen in Davao enkele jaren geleden, waarbij tientallen doden vielen, het werk van fundamentalisten was. Ook Abu Sayyaf is een mythe, een excuus van het leger en de VS om hun militaire aanwezigheid hier op te voeren. En natuurlijk is 9/11 een set-up. Joseph, kind uit een islamitisch-christelijk huwelijk, kent nog meer van dergelijke wilde geruchten. De inwoners van Basilan, zijn geboorte-eiland en een van de plaatsen waar Abu Sayyaf en het leger actief strijd voeren, beweren volgens hem Amerikaanse militaire adviseurs te hebben gezien. Dood.

Het complotdenken is wijd verbreid op Mindanao. Toch zijn er tussen alle anti-Amerikaanse en naar antisemitisme neigende bagger ook een paar feiten die tot twijfel leiden. De beschuldiging dat niet de fundamentalisten achter de bomaanslagen in Davao zaten, maar het leger kwam in de zomer van 2003 van een groep muitende jonge officieren. Door de terroristische dreiging uit te ver groten, zou het uitbouwen van de Filippijnse en Amerikaanse troepenmacht op het grondstofrijke Min danao worden gerechtvaardigd, is het idee. En dat Abu Sayyaf, sinds de dood van oprichter en Afghanistan- veteraan Abdurajak Abubakar Janjalani in 1998, geen fundamentalistische groepering meer is maar vooral een op losgeld azende kidnapbende, wordt ook door veel westerse media bevestigd. Maar wat er van het overige waar is?

«Ik ben geen moslim, ik ben moro», zegt Sunny uit Cotabato City. Zijn vrienden, allen vroeg in de twintig, knikken instemmend. Ze zitten rond de tafel in het plaatselijke honk van jongerenorganisaties die zich inzetten voor vrede tussen de drie «volkeren» op Mindanao (moslims, christenen en de inheemse volkeren). Na enige aarzeling legt Sunny uit: «Ik geloof wel in Allah, maar ik bid niet vijf keer per dag. Dus ben ik geen moslim.» Maar kan dat wel, moro zijn zonder jezelf als moslim te zien? «Natuurlijk», meent Chai, wiens bureaublad wordt opge fleurd met plaatjes van gespierde mannen uit onderbroeken reclames. «Moro is een politieke identiteit, geen religieuze.» Op de vraag wat er dan gebeurt als een moro besluit zich tot christen te bekeren, blijft het eerst stil en praat vervolgens iedereen door elkaar. Uiteindelijk vindt Chai dat je dan toch geen moro kunt zijn. Etniciteit op basis van een religieuze keuze dus, niet door geboorte. Merkwaardig.

Af en toe opgeschrikt door hun «Hello Garci»-ringtone – een fragment uit het iets te vriendschappelijke telefoongesprek tussen verkiezingsofficial Garcillano en de hierdoor in opspraak geraakte president Arroyo – vertellen de jongeren over het leven in Cotabato City, het hart van het semi-autonome moslimgebied op Mindanao. De recente regionale verkiezingen waren relatief rustig. Slechts wat granaatontploffingen en geschiet, niets ernstigs. De jongeren zijn meer gewend. Van goed verlopen verkiezingen was desondanks geen sprake. De Philippine Daily Inquirer maakte melding van fraude in diverse regio’s, onder andere met vooraf ingevulde stembiljetten. «Natuurlijk verkoop ik mijn stem als ik er duizend peso (circa vijftien euro – kh) voor kan krijgen», provoceert Chai. «Dat is de enige manier om zeker te weten dat ik nog ietsje beter word van mijn stem.»

«Saddam», staat er in blauwe verf op de muren van Cotabato. De jongeren in het taxibusje slaan er geen acht op. Het leven op Mindanao is uitzichtloos door armoede en geweld, dus wat doe je? Het liefst emigreren, wat tien procent van de Filippijnse bevolking al heeft gedaan. Zolang dat niet mogelijk is, is er de karaokebar. Zelfverkozen naïviteit; goedkope opium van vijf peso voor twee liedjes. Bij de ingang hangt Het melkmeisje van Vermeer, binnen in het met kerststukjes versierde zaaltje kan gezongen worden. Zittend op plastic stoelen en met dodelijke ernst voeren de aanwezigen hun performance uit. Lionel Richie, Whitney Houston, Abba, de Carpenters. En dat alles ondersteund door B-film-fragmenten van elkaar omhelzende mannen en vrouwen op tv-schermen. Een jongen probeert boven een bord rijst met afgekloven vis een liedje van een boyband te janken. Zijn vriendinnetje kiest voor Zombie van de Ierse Cranberries, de enige verwijzing naar de boze buitenwereld op deze avond. Tijd om naar huis te gaan? Nog één andere tent: plastic rozen aan het plafond, knipperende kerstverlichting, begeleidende filmpjes van westerse vrouwen rollend door het zand in veel te kleine bikini’s. In de hoek ligt boven op een tafeltje met roze kleedje een poes.

Terwijl de inwoners van de moslimhoofdstad van de Filippijnen naar bed gaan, wipt een zwaar opgemaakte travestiet in zwarte minirok even binnen om een sigaretje te roken met de serveersters. De mannen nemen nog wat halve liters, en Chai en Sunny zingen Take That.