Stedenbouw van onderop

Tussen modder en model

Nederland was altijd het land van de tekentafels, maar de regelzucht en de crisis hebben de top-down-planning lamgelegd. Wat kunnen we leren van andere landen? Voorbeelden van stedenbouw van onderop uit het krimpende Liverpool en de booming Balkan.

IN HET CENTRUM van Pristina, de hoofdstad van Kosovo, egaliseert een graafmachine een hoekperceel. Het terrein is zo klein dat de machine er nauwelijks kan keren, het is een van de laatste vrije stukken in het dichtbebouwde stadshart. Vol trots laat eigenaar Qazim Babatinca de bouwtekeningen zien. Vier verdiepingen zal het huis gaan tellen dat hij hier samen met zijn broer bouwt, het ontwerp en de vergunningen hebben hem vijftienduizend euro gekost. ‘Ik wilde het legaal doen en dat is duur’, zegt hij. Waarom al die moeite, wil ik weten, hier bouwt toch iedereen illegaal? Hij grinnikt: 'Ik heb blijkbaar te lang in Londen gewoond, dan pas je je toch aan.’
Na de capitulatie van de Serviërs in 1999 kwam in Pristina een overweldigende bouwexplosie op gang. Kapitaal was er genoeg, afkomstig van Kosovaarse Albanezen die in het buitenland werken en van de georganiseerde misdaad. Toezicht ontbrak; toen het hoofd stadsplanning in 2000 probeerde een dam op te werpen tegen de illegale bouwsels werd hij simpelweg vermoord.
Pristina roept gemengde reacties op bij het gezelschap architecten, stedenbouwers, critici en kunstenaars dat op uitnodiging van het fonds BKVB deelneemt aan de studiereis What’s Up, What’s Down - Cultural Catalysts in Urban Space. Afkeer van de wildgroei en lelijkheid, maar ook bewondering voor de vitaliteit en misschien zelfs wel jaloezie op de ongebreidelde mogelijkheden.
Omdat Nederland geen echte grote steden heeft, kiest de studiereis bewust voor secondary cities, steden die net als Amsterdam van de tweede orde zijn. In twee weken tijd doen we negen Europese steden aan die een ingrijpende transformatie doormaken. Wat kan Nederland van deze steden leren, welke inspiratie bieden ze? Want Nederland, met zijn roemruchte traditie op het gebied van ruimtelijke ordening en stedenbouw, is op zoek naar nieuwe bakens. De Nederlandse planningsmachine is vastgelopen in zijn eigen complexiteit en regelzucht. Dat een nieuw perspectief ontbreekt, werd tijdens de kabinetsformatie nog eens pijnlijk duidelijk. Bij de nieuwe indeling van de ministeries is de ruimtelijke ordening geheel geëlimineerd: tegenwoordig hebben we alleen nog het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
Gedwongen door de economische crisis zijn bovendien veel plannen in de ijskast gezet en het is de vraag of ze daar ooit weer uit komen. De tijd van de masterplanning is in ieder geval voorbij, er wordt tegenwoordig steeds vaker gepraat over bottom-up-planning, spontane planvorming en tijdelijke invullingen. Maar niemand weet nog goed wat dat betekent, een eeuw tekentafel-denken schud je niet zo makkelijk van je af.
In Pristina is het wilde wonen de afgelopen decennia heel letterlijk genomen: complete wijken verrezen hier illegaal. Maar 'turbo urbanism’, zoals de Duitse stedenbouwer Kai Vöckler het noemt, is geen exclusief Kosovaars verschijnsel, het heeft opgeld gedaan op de hele Balkan. Grote, internationale investeerders komen er nauwelijks aan te pas. Vaak delen grondeigenaar en aannemer het risico en houden ze na oplevering allebei één verdieping voor zichzelf, de rest van het gebouw wordt verkocht of verhuurd. En wat er uiteindelijk in komt - een winkel, kantoor, werkplaats of woning - dat is afhankelijk van de markt. Een architect komt er zelden aan te pas, het is al heel wat als een constructeur zich over de deugdelijkheid van het plan mag buigen.
Zo'n ongeplande, onbeteugelde verstedelijking brengt natuurlijk grote problemen met zich mee, zoals de sloop van cultureel erfgoed, overbelaste infrastructuur, burenruzies, een schrijnend gebrek aan voorzieningen en een moedeloos stemmende smakeloosheid. Maar het is verrassend dat de bouwwoede niet zoals bijna overal elders ter wereld tot sloppenwijken heeft geleid.
Neem de wijk Shutka in Skopje, de hoofdstad van het land dat vanwege de Griekse gevoeligheden officieel de 'Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië’ heet. Shutka is de enige zigeunerwijk die ik ooit bezocht waar je als vreemdeling noch als sinterklaas wordt binnengehaald, noch op een afwijzende of zelfs dreigende reactie stuit. Je lijkt gewoon niet opgemerkt te worden.
De wijk met twintig- tot vijftigduizend inwoners - niemand weet ook maar bij benadering hoeveel mensen er echt wonen - is een mengelmoes van vervallen houten huizen en protserige villa’s, lege percelen en betonnen huizen, kleine winkeltjes en gepleisterde panden van drie verdiepingen in alle kleuren van de regenboog. Er rijden ezelwagens en zelfgebouwde brombakfietsen, maar ook Mercedessen en bestelbusjes. Zelfwerkzaamheid is de motor achter deze wijk en het resultaat is van een fleurige vitaliteit.

ALBANIË, WAAR het proces van het turbo urbanism al in de jaren negentig van start ging, is inmiddels de volgende fase ingegaan. En hier vinden we een antwoord op de vraag hoe om te gaan met zulke 'spontane wijken’. Meer dan de helft van de hoofdstad Tirana is illegaal gebouwd, zo ook de wijk Bathore, die in de vroege jaren negentig ontstond doordat boeren uit het noorden van Albanië massaal naar de stad trokken. Bathore werd een begrip in Albanië, het werd zelfs een werkwoord: de verbathorisering van het land, zoals we in Nederland de vervinexing hebben.
Inmiddels is de wijk vol en wonen er zeventig- tot tachtigduizend mensen. Op het eerste gezicht is het moeilijk voor te stellen dat de wijk illegaal gebouwd is. Hij is misschien wat chaotisch in Nederlandse ogen, maar de huizen zijn groot en goed onderhouden, er zijn scholen en winkels, en de wegen zijn verhard en breed genoeg voor bussen.
De illegale bewoners volgden het slotenpatroon van het braakland dat hier lag. Maar hoe zorgden ze ervoor dat er ruimte overbleef voor de infrastructuur? Waren ze zo goed georganiseerd? 'De wegen zijn later toegevoegd’, vertelt Dritan Shutina, directeur van Co-Plan, een non-gouvernementele organisatie die inhoudelijke steun kreeg van het Nederlandse Berlage Instituut en geld van Cordaid.
Letterlijk met de poten in de modder heeft Co-Plan het stedenbouwkundig plan voor Bathore gemaakt. 'Planning gaat niet over tekenen, maar over het opsporen van mensen en het bij elkaar brengen van belangen.’ Drie jaar kostte het om de bewoners te overtuigen van de noodzaak een deel van 'hun’ grond af te staan voor wegen. 'We enquêteerden ze over de vraag wat ze het belangrijkste vonden en iedereen zei: “De toekomst van mijn kinderen.” Daar hebben we op ingespeeld, we zeiden: “Als je kind ziek wordt, hoe moet de ambulance hier dan komen om het naar het ziekenhuis te brengen?”’
Het was praten, praten, praten en dat was niet altijd makkelijk, de tribale leefwijze zat de bergbewoners nog in het bloed, ze hadden bijna allemaal een geweer onder hun bed liggen. Drie jaar kostte het, maar het lukte, mede omdat Co-Plan niet alleen het stratenplan opzette, maar ook de strijd aanbond met de gemeente om de wijk als geheel te legaliseren. Aanvankelijk stuitte dit streven op ongeloof bij de machthebbers: de wijk moest eenvoudig van de kaart verdwijnen, maar inmiddels weten politici dat ook de bewoners van Bathore potentiële stemmers zijn. Bovendien is elke straat die wordt aangelegd en elke school die wordt gebouwd onvermijdelijk een stap richting legalisering.
Bathore was het eerste project van Co-Plan, dat inmiddels in heel Albanië actief is. Aan de basis van de organisatie staan nog steeds sociaal werkers, maar de werkzaamheden omvatten tegenwoordig ook de masterplanning van complete steden en een nationale ruimtelijke agenda. In 2006 richtte Co-Plan zelfs een particuliere universiteit op, dit jaar studeren aan deze Polis University de eerste dertig studenten af. Het is juist deze verbinding tussen hoog en laag, tussen model en modder en tussen bewoners en politiek die het werk van Co-Plan inspirerend maakt. Lullen, maar ook poetsen.

CO-PLAN HOUDT zich niet alleen bezig met de onstuimige groei van het land, maar ook met krimp: het platteland en de kleine steden van Albanië lopen namelijk leeg. Voor echte voorbeelden van krimp - een probleem waarvoor ook Nederland de komende decennia gesteld wordt - leidt de studiereis echter naar Noord-Engeland.
Al vanaf midden vorige eeuw neemt de bevolking van de bakermat van de industriële revolutie dramatisch af. Zo liep het aantal inwoners van Liverpool terug van 850.000 tot 440.000, bijna een halvering. Het dieptepunt van de crisis lag in de jaren tachtig, sindsdien zit de stad economisch en cultureel weer in de lift. Tenminste, als je naar het centrum kijkt.
Al vanaf 1998 organiseert de stad de vermaarde Liverpool Biennial, een succes dat in 2008 uitmondde in de uitverkiezing tot culturele Hoofdstad van Europa. In datzelfde jaar kreeg het hart van de stad een shopping mall van 25 voetbalvelden groot: meer dan 160 winkels, veertien bioscopen en een compleet busstation. De pakhuizen aan de haven staan er strak gerenoveerd bij, het stralend moderne gebouw voor het Museum of Liverpool is bijna klaar. Om het geheel nog meer cachet te geven is het centrum omzoomd door grote parken met fraaie hoogteverschillen die uitzicht bieden op de stad. Navrant detail: de heuvels zijn gemaakt van het puin van de uitgestrekte arbeiderswijken die hier vroeger lagen.
Verder naar het oosten staan deze wijken deels nog overeind. In Anfield bijvoorbeeld, waar verlaten panden van twee verdiepingen zich straat na straat aaneenrijgen. De ramen zijn dichtgelast met stalen platen, op elk pand hangt een waarschuwingsbordje voor inbrekers: 'Alle voorwerpen van waarde zijn verwijderd’.
De stadsvernieuwing is hier krakend tot stilstand gekomen: een deel van de wijk is geëgaliseerd, maar nu ontbreekt zelfs het geld om de rest van de panden te slopen - zo'n 2500 euro per stuk. De spookhuizen liggen letterlijk op een steenworp afstand van het wereldberoemde voetbalstadion van FC Liverpool, waardoor de verlaten straten eens in de twee weken stampvol geparkeerde auto’s staan.
Op uitnodiging van de Liverpool Biennial werkt de Nederlandse kunstenares Jeanne van Heeswijk twee jaar lang in Anfield. Om de lethargie te doorbreken laat Van Heeswijk, die bekendstaat om haar sociale interventies, werkloze jongeren een ideaal woonblok ontwerpen én bouwen. Ze heeft inmiddels al vrijwilligers geregeld en een kavel waar vroeger 24 huizen stonden, nu is ze in gevecht om de balken en bakstenen uit slooppanden te mogen gebruiken. Sloopbedrijven willen die namelijk zelf houden, in Londen zijn ze gewild bij de renovatie van luxe appartementen.
Van Heeswijk is een ster in het aanpakken van praktische problemen, maar de vraag blijft of haar interventie is opgewassen tegen de massieve schaal van verloedering en leegstand. Do it yourself is een prachtig uitgangspunt, dat bovendien goed past bij de punktraditie van deze streek, maar op de lege vlaktes van Anfield kan het ook moedeloos stemmen. Toch steunen de actieve buurtbewoners van de Anfield and Breckfield Steering Group het plan. 'We hebben geen andere keuze dan optimistisch blijven’, zegt een van de vrijwilligers, doelend op het feit dat het herstructureringsplan, dat acht jaar geleden is goedgekeurd en dat voorziet in de sloop van ruim veertienhonderd huizen, uit hun eigen koker kwam.
Meer vechtlust vinden we bij een groep oude bewoonsters van de veel kleinere wijk Granby, die dicht tegen het centrum van Liverpool ligt. Ook Granby staat op de nominatie om gesloopt te worden, al vijftien jaar, en halve straten zijn dichtgespijkerd. Hier overweegt het eigen-woningbezit en in elke straat wonen nog wel een paar mensen die weigeren zich uit te laten kopen. Om de buurt op te fleuren schilderde een groepje oude bewoonsters een paar panden op en toen dat aansloeg vroegen ze iedereen in de buurt de huizen naast en tegenover hen een verfbeurt te geven.
Op deze studiereis hebben we het al vaker gezien: verf als middel voor sociale rehabilitatie, of op z'n minst ter decoratie. Met als toppunt Tirana, waar burgemeester Edi Rama hele wijken bont liet schilderen. Inmiddels heeft zijn project internationale kunstenaars als Olafur Eliasson gelokt. Oké, er zitten mooie werken bij, maar een inspirerende manier om de stad nieuw leven in te blazen is het al lang niet meer. Het is precies wat de naam al zegt: het façadeproject.
In Granby is echter meer aan de hand, juist omdat bewoners zich niet laten ringeloren door de wetten en normen van de moderne kunst en ongegeneerd op zoek zijn gegaan naar troost en lieflijkheid. Daarbij schuwden ze het cliché niet en dus zijn de blinde gevels beschilderd met kinderlijke gordijnen en brievenbussen, maar ook met sterren en bloemen in alle kleuren van de regenboog. Aan het project is geen kunstcommissie te pas gekomen, geen workshop, geen masterplan, geen analyse, niets. En het resultaat is pure poëzie, het doet denken aan een licht dementerende vrouw die zich heeft opgemaakt en weer even het kokette meisje wordt dat ze vroeger was.
De ingreep past perfect bij de Victoriaanse wijk met zijn lage huizen met erkers, bij de goed geproportioneerde straten, de oude bomen en de minieme voortuintjes. Het legt de kwaliteit ervan bloot, je ziet het voor je dat de gentrification hier op gang komt. Je waant je in de Jordaan, vlak voordat die werd ingenomen door jonge professionals. Dat beeld wordt nog eens versterkt door de aanhangwagentjes met plantjes die her en der op de stoep staan en de boerenmarkt die de dames elke eerste zaterdag van de maand organiseren. 'Je kunt in de buurt geen verse groente meer krijgen’, luidt hun kordate motivering.
Of de actievoersters-op-leeftijd in staat zullen zijn de bulldozers tegen te houden? Ze wanhopen vaak, maar tegelijk weten ze dat de leefbaarheid nu al sterk is verbeterd. Elk jaar dat ze volhouden vergroot de kans dat de buurt wordt herontdekt en het nieuwe leven van onderop op gang komt. Een recept is hun pretentieloze activisme niet, wel een begin.

DE TEGENSTELLING tussen Noord-Engeland en de Balkan is groot: dramatische neergang versus explosieve groei. Op kleinere schaal vinden beide processen echter ook in Nederland plaats. In 2040 zal meer dan de helft van de Nederlandse gemeenten zijn gekrompen. De afname van de bevolking speelt het sterkst aan de randen van het land: Noordoost-Groningen, Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen verliezen volgens het CBS samen 150.000 inwoners. De bevolking van Parkstad Limburg - waarvan Heerlen en Kerkrade deel uitmaken - zal dan met vijftien procent gedaald zijn.
Tegelijkertijd blijven de Randstad en Midden-Nederland sterk groeien; met een bevolkingstoename van ruim 35 procent is Utrecht de sterkste groeier. Maar zelfs de meest succesvolle steden kampen tegelijk met neergang. Neem Amsterdam: de stad als geheel groeit met een achtste, maar op dit moment is de stadsvernieuwing in de naoorlogse westelijke tuinsteden geheel tot stilstand gekomen. Een soortgelijk verschijnsel zie je op extreme schaal in Liverpool: een booming center en stervende buitenwijken.
De vraag is wat Nederland kan leren van de bezochte steden. De voorbeelden van grootschalige krimp zijn weinig bemoedigend. In een stadsdeel als het Amsterdamse Nieuw-West, waar kale vlaktes getuigen van de duizenden woningen die zijn gesloopt, kun je niet verwachten dat bewoners zelf het initiatief nemen om de verloedering een halt toe te roepen. Evenmin is het reëel te denken dat kunstprojecten het tij kunnen keren. Maar als je inzoomt zijn er wel degelijk kansen: op buurtniveau, of zelfs op blokniveau, kunnen de energie en strijdlust van bewoners aangrijpingspunten bieden. Kunst kan daarbij een rol spelen, maar alleen als ze niet zichzelf centraal stelt, maar inspeelt op de lokale gemeenschap.
Spontane verstedelijking ligt in het verlengde daarvan: nu de grote projectontwikkelaars en bouwcombinaties afhaken moeten lokale initiatieven en kleine investeerders de ruimte krijgen. Maar dat kan alleen als we afstappen van een vast eindbeeld: erken dat het onmogelijk is om vast te leggen hoe een gebied er in pakweg 2030 uit moet zien.
Heel langzaam begint dat besef door te dringen in beleidskringen. Zo pleitte de Amsterdamse wethouder Maarten van Poelgeest onlangs voor stedenbouw van onderop. In de nota Na de bouwstop verstandig verder verwees hij het plan voor de Sluisbuurt op het Zeeburgereiland naar de prullenbak. In plaats daarvan zal het gebied 'voorlopig met tijdelijke functies worden gevuld en langzaam groeien naar een definitief programma. (…) Om dit te faciliteren is een nieuw plan in ontwikkeling onder de noemer “Sluisbuurt-Vrijstaat”.’
Misschien moet Van Poelgeest het Albanese bureau Co-Plan in de arm nemen om het proces te begeleiden en te zorgen voor een goede verbinding tussen top en bottom, tussen up en down. Dat zou bovendien een fraai staaltje van omgekeerde ontwikkelingshulp zijn.