Debat over catastrofes tussen Robert Wright en Robert Kaplan

Tussen orde en chaos

Is de wereld over tien jaar een chaos of een oord van vrede? Catastrofes zijn niet uitgesloten, zegt Robert Wright, optimist. Crisis leidt tot oplossingen, zegt Robert Kaplan, pessimist. Amerikaanse auteurs in debat over de toekomst.

Locatie: Manhattan. Het publiek: VN-diplo maten, academici, journalisten, bedrijfsleiders en afgevaardigden van niet-gouvernementele organisaties. De sprekers: Robert Kaplan en Robert Wright, beiden invloedrijke auteurs wier bekendste werken, The Coming Anarchy respectievelijk The Moral Animal, onlangs in het Nederlands werden uitgebracht. Onderwerp: orde en chaos in de wereld. Organisator: de Amerikaanse Carnegie Council on Ethics and International Affairs.

Aan Robert Wright de taak om de orde- thesis te verdedigen. Gespreksleider James Hoge, hoofdredacteur van het gezaghebbende blad Foreign Affairs, geeft hem een zetje met een passend citaat: «Onder diegenen die een ordelijke toekomst verwachten, zitten meer gekken.»

«Ik ben de optimist in dit debat», zegt Wright, «maar dat is natuurlijk relatief als je tegenstander Robert Kaplan is. Mijn optimisme is voorwaardelijk: het hangt af van de vraag of de wereldleiders mijn raad zullen opvolgen.» Droogjes voegt hij eraan toe: «Er bestaat een kans dat ze dat niet zullen doen.»

Wright leent concepten uit de speltheorie. Er zijn zero sum-spelen, zoals tennis waarbij de overwinning van de ene speler het verlies van de andere betekent, en er zijn non-zero sum-spelen die een positief (win-win) of negatief (lose-lose) resultaat opleveren. «Iedereen baseert zijn leven op non-zero-relaties», betoogt Wright. De hele geschiedenis van de mensheid ziet hij als een evolutie naar een wereld die steeds meer non-zero wordt. De globalisering heeft die evolutie versneld. «Kijk naar de recente Aziatische crisis. Slecht nieuws in Thailand zet een kettingreactie van financiële schokken in gang die zich als een lopend vuur verspreidt naar de rest van de wereld. Iedereen verliest. Het is een typische verlies-verlies-situatie.»

Groeiende wederzijdse afhankelijkheid maakt het voor landen steeds logischer om samen te werken, hun beleid te coördineren en een deel van hun soevereiniteit af te staan. Wright verwijst naar de Europese Unie en naar internationale akkoorden volgens welke de ondertekenaars zich onderwerpen aan internationale inspecties, zoals het verdrag dat chemische wapens verbiedt. Deze neiging tot coördinatie en zelfs wereldregering zal volgens hem op de lange termijn blijven toenemen.

Over de korte termijn is Wright minder zeker, maar hij bekijkt de dingen graag van een afstand. Hij beschrijft hoe de groei van de wederzijdse afhankelijkheid de politieke structuren vergroot heeft— van de autonome dorpjes in het stenen tijdperk naar de grote staten en supranationale structuren van tegenwoordig. «Transport- en communicatietechnologie en ironisch genoeg ook wapentechnologie zijn de drijvende krachten», betoogt hij. Nucleaire wapens hebben van oorlog een verlies-verlies-spel gemaakt en daarmee de Verenigde Naties een essentiële rol gegeven; de ontwikkeling van vernietigingstuig als biologische wapens dwingt ons de noodzaak van internationale controle ernstig te nemen.

Op zich is het toenemende non-zero sum-karakter van de wereld goed noch slecht, vindt Wright. Het vergroot de kans op win-win-situaties, maar ook op verlies-verlies-resultaten. «De menselijke geschiedenis beschikt over een expansief moreel kompas, en dat is positief. In het oude Griekenland beschouwden de inwoners van de afzonderlijke staten aanvankelijk alleen zichzelf als menselijk. Alle anderen waren in hun ogen ondermensen. Later beschouwden ze de Grieken als mensen en de Perzen als niet-menselijk. Die expansie bleef doorgaan en vandaag is moreel universalisme de norm. Ik weet het, in de praktijk wordt die norm vaak met voeten getreden, maar het feit dat zij officieel overal belijd wordt, getuigt van vooruitgang. Eigenbelang drijft de vooruitgang. De Grieken moesten hun onderlinge verschillen opzij zetten om de gezamenlijke Perzische vijand het hoofd te bieden. Het moreel universalisme van tegenwoordig is een product van onze wederzijdse afhankelijkheid. Ik wil niet dat de Japanners gebombardeerd worden, want zij maken mijn auto. De evolutie brengt met zich mee dat het steeds dommer wordt om het welzijn van de rest van de wereld te negeren. Het gevaar van besmettelijke ziekten is zo groot dat het onverstandig is om zich geen zorgen te maken over Afrika. We zitten in een climaxfase. Of we geven ons rekenschap van de implicaties van onze wederzijdse afhankelijkheid óf we riskeren een verlies-verlies-situatie van de ergste soort. Ook catastrofes kunnen globaal zijn.»

Zo optimistisch klinkt Wright dus ook weer niet.

Robert Kaplan, «mister Chaos», distantieert zich van de hem toegemeten rol van pessimist. «Amerika is een land van optimisten», zegt hij, «maar dat steunde juist op doemdenken. Na de revolutie schreven onze stichters een grondwet die gebaseerd was op worst case scenario’s. Juist door te voorzien wat er verkeerd kon gaan, ging het de goede kant uit. De Franse Revolutie daarentegen begon vol optimisme, maar resulteerde in de guillotine. Als je het ergste wilt vermijden, kun je er maar beter op rekenen dat het komt.»

Het is zeven jaar geleden sinds The Coming Anarchy, het essay waarmee Kaplan wereldfaam verwierf, voor het eerst gepubliceerd werd. Zijn stelling dat de wereld zich opsplitst in een kleiner wordend hoogtechnologisch welvarend deel en een resterend deel dat ten prooi valt aan chaos, was niet origineel. Toch gaven zijn boeiende argumenten en hallucinante beschrijvingen van de voortschrijdende ontwrichting in West-Afrika en elders het essay een onmiskenbare stootkracht. Zelfs Bill Clinton verklaarde zich na lezing geschokt. Zijn toegenomen belangstelling voor Afrika in de tweede helft van zijn regeerperiode was volgens sommigen mede aan Kaplan te danken.

Volgens Kaplan heeft de werkelijkheid zijn voorspellingen bevestigd. De kloof tussen het welvarende deel der mensheid en de rest blijft groeien, de chaos neemt toe. De onttakeling van staten die door hun koloniale erfenis stabiel waren, gaat voort.

Kaplan somt een aantal oorzaken op van dit verval. Versnelde modernisering kweekt onrust, zegt hij. Een land als India kon lang stabiel blijven doordat de massa bestond uit ongeletterde plattelandsbewoners. Modernisering verhoogt de verwachtingen en betrekt meer mensen bij het politieke proces. De maatschappij wordt dan te dynamisch voor de regerende instituties. De verstedelijking die met de modernisering gepaard gaat, maakt het die instituties nog lastiger. Stedelijke maatschappijen zijn veel moeilijker te regeren dan rurale. De laatste genereren hun eigen voedsel, de eerste moeten gevoed worden. Metropolen hebben een complexe infrastructuur. Zowel de dynamische stedelijke elites als het groeiende stedelijke subproletariaat zijn haarden van onrust.

Een tweede oorzaak van de onttakeling van voorheen gekoloniseerde landen is volgens Kaplan de overbevolking. Hij geeft toe dat de bevolkingsgroei op de langere termijn zal meevallen, maar wat de komende tien, vijftien jaar betreft, blijft de demografische groei juist hoog in de landen die zich dat het minst kunnen veroorloven. Deze landen krijgen een «youth bulge», een jeugdbult, in hun bevolkingscurve, en de acteurs van onrust en geweld zijn vooral jongemannen tussen de 14 en 29 jaar.

Verder benadrukt Kaplan de ontwrichting van het milieu en het dreigende tekort aan natuurlijke middelen. «Schaarste aan water, wat ook schaarste aan elektriciteit betekent, is een probleem dat steeds groter wordt. Het leidt tot woede die zich ent op andere conflicten.» Ook is er het broeikaseffect. Zelfs bij twijfel of het wel zo’n vaart loopt, valt niet te ontkennen dat steeds meer mensen op ecologisch fragiele plaatsen leven. Zo woont tweederde van China’s industriearbeiders in gebieden die met overstroming bedreigd worden. Voorts is er de democratiseringsgolf. Democratie houdt volgens Kaplan een maatschappij stabiel, maar democratisering ziet hij als destabiliserend, vooral in de context van al die andere ontwrichtende factoren.

Gespreksleider Hoge vraagt zich af of de standpunten van Wright en Kaplan wel zo tegenstrijdig zijn. Wright voorspelt orde op langere termijn — maar vreest ook hij niet dat daar grote instabiliteit aan zal voorafgaan? Kaplan heeft het over de sombere ontwikkelingen van de komende vijftien jaar, maar lijkt niet echt pessimistisch over de verdere toekomst. Benadrukken beiden niet louter andere momenten in dezelfde evolutie? De heren lijken Hoge aanvankelijk gelijk te geven. «In de nabije toekomst zullen er heel wat staten ineenstorten», zegt Wright heel kaplaniaans. Kaplan stelt dat crisis tot oplossingen leidt, «maar de zaken moeten nog heel wat slechter worden eer ze kunnen verbeteren».

Heen en weer pratend trekt elk het laken echter een andere kant uit. Wright ziet de mensheid evolueren tot een internationale orde die logisch voortvloeit uit rationeel eigenbelang en wereldwijde belangenverstrengeling. De wereld zal altijd vol problemen zijn, maar omdat oorlog steeds duidelijker verlies voor beide kampen betekent, vereist eigenbelang andere methoden om de problemen op te lossen. De rol van internationale gezagsorganen moet dus groter worden. «Een wereldregering komt er zeker», voorspelt Wright, «het is alleen de vraag of ze geleidelijk tot stand zal komen of snel, na een catastrofe.»

Kaplan vindt deze redenering naïef. Rationeel bekeken is oorlog misschien nutteloos geworden, maar mensen handelen volgens hem vanuit hun passies. Oorlogen ontstaan doordat leiders zich misrekenen en doordat mensen die in iets geloven, bereid zijn daar een ontzettend hoge prijs voor te betalen. En de expansie van de communicatietechnologie waar Wright zijn hoop op richt, bevordert niet noodzakelijkerwijs de vrede. Voor de Eerste Wereldoorlog ging de communicatietechnologie ook sprongsgewijs vooruit. Hoe meer mensen kunnen communiceren, des te meer ze kunnen ruziën. Het was tenslotte de drukpers, Gutenbergs bijbel, die de Reformatie lanceerde.

Kaplan ziet Wrights wereldregering niet zitten. Internationale instellingen kunnen enige stabiliteit bevorderen, maar meer ook niet. «De VN kunnen alleen maar een nuttige rol spelen als de VS hun aanbevelingen overnemen en voor eigen doeleinden gebruiken. Niet om de wereld te regeren, maar om hun macht te projecteren. Alleen vanuit naakt eigenbelang kom je tot resultaten. De VN kunnen slechts een grotere rol spelen als ze een verlengstuk worden van de Amerikaanse macht.»

Wright steigert. «We moeten juist de onafhankelijkheid van de VN bevorderen», zegt hij. «Dat is in ons eigenbelang. Door de VN te gebruiken als verlengstuk van onze macht, ondergraven we hun geloofwaardigheid.» Hij verwijst naar het gezichtsverlies van de VN toen uitlekte dat Amerikaanse leden van het VN-wapeninspectieteam in Irak informatie inzamelden voor de CIA. «Dat was ongelooflijk dom. Zo’n aanpak ondermijnt de VN in plaats van ze te versterken zodat ze ons kunnen helpen de orde in de wereld te handhaven.» Amerika zal volgens Wright zijn macht juist minder openlijk gaan gebruiken omdat unilaterale machtsprojectie Amerika tot mikpunt van agressie maakt. «Na elke kruisraket die op Ben Laden wordt afgeschoten, rekruteert hij nieuwe terroristen. Kleine groepen kunnen enorme schade veroorzaken aan de VS.»

Tijd voor vragen uit het publiek. Al snel blijkt dat niet Kaplan maar Wright de controversiële denker is. Kaplans chaostheorie ondervindt geen kritiek; met Wrights visie waarin de hang naar orde de boventoon voert, hebben de aanwezigen het moeilijk. De VN-ambassadeur van Pakistan spreekt van een Amerikaanse monocultuur die wereldwijd verspreid wordt en een onstuitbare backlash uitlokt. Nieuwe massavernietigingswapens kunnen volgens hem niet gecontroleerd worden en zullen vroeg of laat worden gebruikt. Zijn sombere litanie eindigt met een vraag aan Wright: «Hoe kunt u optimistisch zijn terwijl alle feiten uw thesis ontkrachten?»

De zaal lacht en mompelt instemmend. Wright vindt het monoculturalistische argument overdreven. Binnen de globalisering ontstaat er volgens hem meer ademruimte voor kleinere culturen. Er is nu Gaelic televisie in Ierland, er is zelfs Koerdische televisie, en in breder Europees verband kunnen re gio’s hun culturele autonomie manifesteren. Maar Wright geeft toe dat globalisering een tegenreactie oproept en dat de Amerikaanse arrogantie die dreigt te versterken. «Cata strofes zijn niet uitgesloten.»

Ook alle volgende vragen zijn voor Wright. Een scepticus wijst erop dat voor de Eerste Wereldoorlog al werd gezegd dat de wederzijdse afhankelijkheid van staten oorlog onmogelijk maakte. «Ook toen was er een periode van enorme technologische verandering. De politieke leiders kozen echter niet voor samenwerking maar voor vijandigheid en autarchie. Waarom zou dit niet opnieuw kunnen gebeuren?»

«Snelle technologische evolutie is inderdaad ontwrichtend», zegt Wright. «Dat baart me zorgen. Maar de belangenverstrengeling is tegenwoordig veel groter dan voor de Eerste Wereldoorlog. Het is waar dat we vanuit onze passies handelen, maar dat kan in ons voordeel werken. De banden die de globalisering smeedt tussen de elites van verschillende landen zijn ook emotioneel en weerhouden de elites ervan om elkaar als vijand te zien.»

«Maar die elites hebben slechts een fragiele controle over hun volk», merkt Kaplan op. «Misschien neemt het aantal oorlogen tussen staten af. Dat betekent nog niet dat er minder oorlog, minder geweld zal zijn.»

De Duitse VN-ambassadeur mag de laatste vraag stellen. «Ik ben het eens met wat u zegt over de noodzaak om soevereiniteit af te staan aan de VN», zegt hij tegen Wright. «Maar overtuig eerst eens uw eigen regering.» Hij somt alle internationale akkoorden op waartegen Washington zich verzet, zoals het verdrag tegen landmijnen, de verklaring van de rechten van het kind en de oprichting van een internationale strafrechtbank. Bitter klaagt hij bitter dat de VS eenzijdig hun bijdrage aan de VN hebben verlaagd zonder iemand te raadplegen. «Dat hebben wij moeten slikken. Als het machtigste land zich zo gedraagt, hoe kunnen de VN dan doen wat ze moeten doen?»

Bedremmeld zegt Wright te sympathiseren met de ambassadeur. «We zouden de supranationale instellingen moeten koesteren», zucht hij. Kaplan haalt de schouders op. «De VS hoeven niet met alles akkoord te gaan», zegt hij ijzig. «Wij zijn het mach tigste land ter wereld en dat maakt ons tot mikpunt. Bij zo’n internationale strafrechtbank zouden voortdurend bij de haren erbij gesleepte klachten worden ingediend.» Zelfs het landmijnenverdrag kan zijn goedkeuring niet krijgen. «Vergeet niet dat Sarajevo met landmijnen werd verdedigd.» Hij besluit met een Republikeins klinkend pleidooi voor een buitenlandse politiek waarin Amerika «zich niet terugtrekt uit de wereld, maar er zijn macht unilateraal op projecteert».

James Hoge zet vrij abrupt een punt achter het debat. Geen van beide heren heeft ook maar een woord verspild aan de economische evolutie. Hoe kunnen ze over de toekomst praten zonder vragen te stellen over de wereldeconomie? Hebben ze er zoveel vertrouwen in dat die zal blijven groeien zonder te crashen, zonder zware financiële schokken? «Onze tijd was beperkt», zegt Kaplan, «we konden niet over alles praten.» «We zijn geen van beiden econoom», voegt Wright eraan toe. De fans schuiven aan. Er moeten boeken getekend worden.

Buiten, op Times Square, flitsen elektrische nieuwsberichten. «Wall Street in free fall.» Dat blijkt enigszins overdreven. Voorlopig.